12 juli 2007

Naomi

Gewenst? Nou en of. Onze oudste dochter. De verklaring voor haar naam: de lieflijkste.
Een (christelijke) bakker uit Almere had het echter over bitterheid. Dat zou de verklaring voor zijn. Dat haalde hij uit het bijbelboek Ruth. Daar staat echter noem mij maar Mara, want bitterheid is mijn deel.

Zo’n eerste kind krijgen is spannend. Er moet ook veel voor worden geregeld. Er moet een kinderkamer worden ingericht. Martin van Polanen helpt de aanstaande moeder met het behangen. De aankleedtafel wordt door mijzelf – op een eenvoudige manier - in elkaar gezet.
Tineke dijt langzaam maar zeker uit. Een jurk, ja echt, is in de zomer een uitkomst. Toch blijft de broek haar favoriete kledingstuk. Met of zonder elastiek, tuinbroeken. Het maakt niet uit.

Tegen het eind van de zwangerschapsperiode moet ik een keer mee om te leren puffen. En om Tineke bij te staan tijdens de bevalling. Meindert E. brengt Tineke en mij in de loop van vrijdag- op zaterdagnacht naar Naarden, waar Tineke zal bevallen in het toenmalige ziekenhuis. Het is een mooie dag, het zonnetje schijnt. De bevalling duurt lang, maar het is de moeite waard. De vlaggen gaan uit. Een prachtige dochter. En dat is het nog steeds.

Ze wordt wel het papa’s kindje genoemd. Omdat ze meteen in mijn baard kruipt? Misschien, maar ze trekt inderdaad veel met mij op in haar jeugdjaren. Nu doet ze ook veel met haar moeder. Ze hebben al een paar jaar samen een seizoenskaart van Ajax. Twee moeders naar het stadion. Straks ongetwijfeld ook wel eens met kind en/of kleinkind.
Omdat Almere een waterrijke stad is, moet Naomi al op jonge leeftijd leren zwemmen. In Haven komt ze op een wachtlijst terecht en het nog geruime tijd voor ze daar terecht kan. Te lang vinden wij.
In Stad is een sportschool met een instructiebadje en daar kan ze wel snel beginnen. Wekelijks reist ze daarom op en neer tussen Haven en Stad, soms met de bus, soms op de fiets. Soms fietst ze het hele stuk zelfs alleen. Onverantwoord als ik er nu aan terugdenk. Maar halverwege de jaren tachtig is het niet druk op het fietspad en gebeurt er eigenlijk niets. Op die ene valpartij na dan, als ze onderuit gaat met haar fietsje en flink onder het bloed zit.
Naomi zwemt af in het zwembad van Stad en haalt daar ook haar B-diploma.

Al vroeg toont ze veel uithoudingsvermogen. We fietsen regelmatig even naar Huizen, naar mijn ouders en Naomi trapt dan dapper mee. Op de fiets gaan we ook naar Schin op Geul, waar we een vakantiehuisje hebben gehuurd. In een paar dagen, via een stukje België, leggen we het stuk af. Het gaat zelfs sneller dan verwacht, daarom blijven we een nachtje (extra) in Maastricht en verkennen die stad vast. En in Zuid-Limburg trapt ze ook dapper omhoog over de heuvels, zelfs naar het Drielandenpunt.
We fietsen samen in een dag van Almere naar Tholen, waar Maus – een vriendin van ons – woonde. We fietsen samen naar Tecklenburg in Duitsland om een ijsje te eten en komen bij onze oosterburen in bijzonder slecht weer terecht. Fietsen in de stromende regen over de vluchtstrook van een regionale weg. Mag, verplicht zelfs (behalve op de Autobahn), maar er rijden ook veel vrachtwagens op, om de rest van het verkeer niet te hinderen. Levensgevaarlijk met dat regengordijn. Niet meer aan terugdenken. Ook de terugweg is bar en boos. Regen en storm. En gelukkig voor haar kan haar moeder haar ophalen uit Voorthuizen.
Ze judoot, voetbalt en haalt de hoofdmacht van sv Almere. Loopt later de marathon van New York.

Naomi heeft al vroeg een vriendje en trouwt uiteindelijk met een vriend van dat vriendje. Ze heeft vanaf het begin een hartsvriendin: Annemieke. Die is getuigen bij dat huwelijk dat in de Brandaris wordt afgesloten.

Dat trouwen heeft te maken met haar zwangerschap. De trouwambtenaar maakt bekend dat het een … is.

11 juli 2007

Volleybal

Ik ben gek op sport. Ondanks dat ik een tijdje op Turnlust heb gezeten vind ik gymnastiek/turnen maar niets. Nee, dan judo of voetbal, zelfs wielrennen. Gaaf.
Judoën doe ik met plezier een aantal jaren. Ben zelfs de eerste schoolkampioen bij Cees Rebel of beter gezegd de beste in de jongste categorie.
Voetballen doe ik niet actief. Ja, op het schoolplein. Maar ik ben te fanatiek. Als ik de bal niet op een gewone manier kan krijgen, dan moet de man maar mee. Om te zien houd ik echter niet van dat getrap, ben een liefhebber van het technische spelletje.
Om een teamsport te bedrijven waarbij geen lichaamscontact mogelijk is ga ik volleyballen. Eerst een paar jaar bij sv Huizen. De eerste twee seizoenen in een team Molukkers, waarbij ik vaak de enige blanke ben. Ook als de Molukkers bedreigend over komen in de Expohal, waar dan nog wordt gespeeld, blijf ik het team trouw. Ik ben niet zo goed als die jongens, maar dat geeft niet.
Het is spelen tegen een nog jonge Marco Brouwers, toen al een krachtpatser, die in een Hilversums jeugdteam in de seniorencompetitie meespeelde. Fluiten, coachen, trainen. Ik heb het allemaal gedaan.
Met een voormalig recreatieteam, allemaal mannen op leeftijd, word ik in mijn laatste seizoen bij Huizen ook nog een keer kampioen. Ik woon dan al in Almere en ben vast van plan om daar ook te gaan spelen.

Er is een probleem. In 1977 en ook in het begin van 1978 is er nog geen volleybalclub. Je kon al wel voetballen en de handbalvereniging was er ook al. Maar zoals gezegd nog geen volleybalclub. Via via hoorde ik dat er bij de (christelijke) gymnastiekvereniging na afloop van de gymnastiektraining door een enthousiast groepje senioren nog een uurtje werd gevolleybald. Dat was in ieder geval al iets.
Ik trek de stoute schoenen aan en meldt. De trainer is ene Martin van Polanen, uit Diemen. Ik leg hen voor dat ik eigenlijk op zoek ben naar een club die competitie wil gaan spelen. Slechts een enkeling heeft ooit in competitieverband gespeeld, maar eigenlijk vindt iedereen het een leuk idee. Ook het bestuur is enthousiast.
Wij zijn bereid om een bestuurslid te leveren en kunnen ook op ander gebied behulpzaam zijn. Indien gewenst dan kan de volleybalafdeling ook volledig voor zichzelf zorgen. Op het moment dat de vereniging zich moet gaan inschrijven bij de NeVoBo (volleybalbond) geven de turnbestuurders onverwachts niet thuis meer. Via via hoor ik dat zij bang zijn dat ze enerzijds ondergesneeuwd raken en anderzijds bang zijn dat er veel werk op hun schouders terechtkomt.
Een inventarisatie is vervolgens voldoende. Bijna iedereen is bereid om mee te gaan naar een nieuw op te richten club. Dat moet echter wel snel gebeuren. Statuten moeten passeren en de club moet worden aangemeld bij de bond zodat er kan worden gespeeld. Voor de statuten neem ik de voormalige voorzitter van Huizen in de arm. Hij werkt bij een notaris en weet van de hoed en de rand. Omdat ik contacten bij de NeVoBo heb lukt het inschrijven ook, zelfs met drie teams, twee heren- en een damesteam.
Dan nog even een oprichtingsvergadering uitschrijven. Die vergadering is in de bovenwoning van Meindert Eijgenstein, de eerste penningmeester. Zelf word ik secretaris en banketbakker Wim Huurman is bereid de voorzittershamer te zwaaien. We stellen Martin van Polanen aan als trainer en bestuurslid technische commissie. Hij – een voormalige basketballer – speelt ook mee en zal dat met een kleine onderbreking blijven doen tot hij al ver de vijftig is gepasseerd. Om meerdere redenen heeft hij de bijnaam ‘De man van staal’ gekregen. Het vijfde bestuurslid is Tineke, zij gaat aan de slag met de jeugd, die we ook al snel binnen halen.


De wedstrijden gaan we spelen in de nieuwe sporthal, die dan nog moet worden opgeleverd. De trainingen beginnen in augustus en in oktober volgen de eerste wedstrijden. Omdat de hal dan nog niet klaar is, worden enkele duels uitgesteld. Geen enkel bezwaar, aan het eind van het seizoen spelen we wat vaker thuis.
Almere-Haven (met streepje) geeft meteen haar visitekaartje af. Drie teams, drie wedstrijden, drie overwinningen op Nederhorst. Als door het eerste herenteam ook de tweede wedstrijd van het seizoen wordt gewonnen, van Odis, dat de titel vorig jaar aan ‘mijn Huizen-team’ moest laten en zijn drie voorgaande duels had gewonnen, dan is een ding duidelijk; wij gaan voor het kampioenschap. Half nvovember is de eerste thuiswedstrijd en het povere The Smashers is geen partij.

Na een half jaar heeft de club al zeventig leden, waarvan meer dan een derde jeugd is. Tineke loopt de deur plat bij de afdeling sportzaken en verschijnt regelmatig bij Mike Boelijn op kantoor met een doos negerzoenen. Sportief blijft het ook goed gaan. Er wordt zelfs in Hilversum van Spokers gewonnen als drie basisspelers (Wim, Abel Kuizenga en ik) ontbreken. En toen begin februari ook de tweede ontmoeting met concurrent Odis, bleef verder als winnen, ook een eclatante zege opleverde, was het een kwestie van aftellen.

Donderdag 15 maart 1979 in het Indoorsportcomplex van Haven beginnen de mannen ietwat zenuwachtig aan het duel met Spokers. ,,Er werden fouten gemaakt, die normaal nooit worden gemaakt’’, vertelde Martin van Polanen na afloop. Ik had de eer om in de derde set het beslissende punt (15-10) te mogen maken. Hierna viel alles van ons af en de vierde set was een formaliteit. Wethouder Peter de Jonge overhandigde de kampioensbeker en kwam ook nog met een voorzittershamer voor Wim Huurman.

Het was niet alleen het succes van Cor Zondervan, Edwin de Vries, Martin van Polanen, Wim Huurman, Hans Schouten, Henk van Maanen en Abel Kuizenga, ook Ben Jonasse en Wim Aalpol hadden een steentje bijgedragen en laatstgenoemde zou nog jaren in het eerste spelen als aangever.
Het kampioenschap werd na afloop tot in de kleine uurtjes gevierd. Niet in het sportcafé in de hal, want die was in aanbouw, maar in de bruine kroeg waar de club meestal na afloop van haar thuiswedstrijden heen ging. De jeugdafdeling had zich niet onbetuigd gelaten en zakken confetti geknipt en stortte die bij binnenkomst over de hoofden van de spelers heen. En nog steeds wordt er confetti gevonden. Enige tijd later kreeg de club als beloning voor het allereerste kampioenschap van een club in Almere het beeldje De Kneuter. Die staat nu bij ons thuis, die kreeg Tineke mee als blijk van waardering voor haar werk toen zij afscheid nam als bestuurslid.

De club groeide hierna als kool, kreeg een sponsor. Het was een tijd van saamhorigheid een manier om kennis te maken met …
Voor veel niet-sporters was het de manier om ander mensen te leren kennen. Op een bepaald moment had de club zelfs zeven heren- en zeven damesteams. Sportief ging het goed, er werden nog talloze kampioenschappen behaald, door jeugd en senioren. De vereniging won na een aantal jaren de districtsbeker, de club bestaat nog steeds maar heeft niet meer de ambities om te groeien. Het is vooral een gezelligheidsclub met een paar competitieteams.

Het juniorenteam dat in 1980 kampioen wordt: Astrid van Vark, Patricia en Joyce de Goede, Nienke Zunnenberg, coach Ton van Kampen, Jolanda Neering, Ireen Banis, Angelique van Kampen, Reinalda Pansier

9 juli 2007

Almere
Mensen zegen wel eens tegen me ‘Goh, woon je al zolang in Almere, dan behoor je wel zo’n beetje tot het meubilair’. Nou zo voelt het niet. Wij kwamen in de tweede helft van 1977 naar de polder en volgens ingewijden behoren we bij de eerste duizend inwoners.
Ben ik dan een pionier? Zelf vind ik van niet. Maar dat vind ik ook niet van de eerste bewoners van de Schoolwerf, die zichzelf op de borst kloppen en zeggen dat zij de eerste Almeerders zijn.
Nee, voor mij is er maar een klein groepje echte pioniers. Echt de eersten. De mensen uit het bivak.

Dat groepje woonde in houten woninkjes, langs de toegangsweg naar de bouwput die Almere toen nog was. Op die plek is later De Meergronden gebouwd. Die mensen waren volledig op zichzelf en op elkaar aangewezen. Daar woonde de Bromsnor van de polder, een loodgieter en een postbode. Zij waren er al toen op 30 november 1976 de eerste sleutels van de huizen aan de Schoolwerf werden afgegeven.

Die eerste jaren in Almere is het behelpen. Ook voor ons. Dat geldt later in mindere mate ook voor de eerste mensen in Stad en Buiten en straks ook in Poort. Maar die kunnen altijd nog terugvallen op de andere woonkernen. De mensen uit de beginjaren in Haven moeten naar Lelystad of naar het oude land. De meeste mensen komen uit Amsterdam en gaan daar vaak heen. Anderen gaan winkelen in het Gooi of verder weg in Utrecht.
In Haven is dat nauwelijks mogelijk. Bij de start is er heel weinig. Een noodwinkelcentrum, houten gebouwtjes waarin behalve wat winkeltjes ook het postkantoor is ondergebracht.
Achter dat winkelcentrum ligt het Bivak en daar weer in de buurt De Haak, het dokterscentrum, ook al in houten keten. De zalen boven café De Roef doen op zondag dienst als kerk en doordeweeks komen hier gezelschappen, die rondgeleid worden door de stad in aanbouw. Gezelschappen waarvan bedrijven zich in de polder gaan vestigen en waarvan verwacht wordt dat een deel van de werknemers hier ook gaat wonen.


Ons huurhuis, aan een fietspad in de Middenhof, wordt een jaar na de eerste huurwoningen opgeleverd. Almere is nog openbaar lichaam ZIJP, Zuidelijke IJsselmeer Polders. Later wordt dat RIJP met de R van Rijksdienst.
Via een zelfverhuizer gaan we over van Huizen naar Almere. Maar er is wel een probleempje. De verhuistruck kan niet voor de deur komen. Zelfs niet in de straat. De oplegger wordt daarom uiteindelijk op de Voorstraat, ter hoogte van de afslag naar de Parkwerf, neergezet en met een karretje brengen we de spullen weg. Tussen de huizen in aanbouw door naar het hofje dat er achter ligt. Dat gaat goed tot er een bulldozer komt, die een groot gat graaft. Met de verhuizers wordt geen rekening gehouden. Wij moeten nu een heel stuk om.
De laaddeur van de truck blijft al die tijd gewoon openstaan, terwijl wij heen en weer gaan. Kom daar tegenwoordig eens om. Wedden dat de truck half leef is als je terugkomt. Maar toen kon dat nog. Door al het omlopen en omrijden hadden we de truck niet op tijd leeg en de chauffeur heeft ons op het laatst nog geholpen. Twee dagen later liggen er wel straatstenen en ook een fietspad. We zijn gewoon te vroeg.

Tineke komt ’s avonds, terwijl de truck leeg is. Zij is herstellende van een kijkoperatie aan haar knie. De boel is dan nog lang niet aan kant. En dat zal de eerste dag ook niet meer gebeuren. Ondanks dat we hard werken, krijgen we het langzaam maar zeker koud. Dus moet de verwarming aan. Dat doen we. En als het donker wordt, moet het licht aan.
Hè verdorie, de stoppen slaan door. Nieuwe stoppen erin. Dat helpt niet. Zelfde euvel.
Mijn vader aarzelt geen moment en neemt de beslissing op te breken. ‘Dit is geen werken’. Hij neemt ons mee naar Huizen, waar we nog een nachtje blijven slapen.

De volgende dag hebben we gewoon weer elektriciteit. Tot we de verwarming aandoen. Ja, dan weet je het wel. Daar zit het probleem. De monteur wordt gewaarschuwd en komt op dag drie langs. Maakt de ketel open, vindt een ‘blote draad’ en gaat naar de overkant naar de woningen in aanbouw om even een draadje om te wisselen.
Een maandje later hebben de overburen een probleem. De stoppen slaan door.

Geen elektriciteit is iets dat vaker gebeurt. Bijvoorbeeld omdat er bij het heien een kabel is kapot geslagen. Of gewoon zomaar. Er hoeft niet altijd een ‘vet’ aanwijsbare reden te zijn. Iedereen is daar al snel aan gewend en met kaarsen en waxinelichtjes heb je in de avonduren toch licht. Er is bijna niemand die klaagt als er weer eens geen stroom is. Dat gaat vanzelf over en ach, die vriezer zit toch nog niet helemaal vol.

In die beginjaren zijn er twee toegangswegen. Een voor de bouw en een voor de bewoners. Die voor de bewoners is al lang geleden verdwenen. Er ligt nog een klein stukje asfalt dat aan die tijd herinnert. De weg voor het bouwverkeer loopt over de dijk en wordt in de weekenden afgesloten met een slagboom.
Bijna ieder weekend is het raak en wordt die slagboom gekraakt. Door mensen die niet opletten, verblind worden door de ochtendzon. Eigenlijk maakt de reden niet veel uit. Hij wordt gewoon kapot gereden. En dus wordt er tenslotte maar besloten om die bouwweg niet langer af te sluiten. Hierdoor zijn de bewoners meteen verlost van dat stukje omrijden.

8 juli 2007

Werkloos

Je baan opzeggen zonder ander werk te hebben wordt als stom ervaren. Maar het kan ook heel verhelderend werken. Ik heb daar van geleerd. Niet alles gaat vanzelf. Er moet brood op de plank komen en als er een fraai salaris wordt weggooid, dan is het niet eenvoudig om terug te keren op het oude financiële niveau. Zelf heb ik daar tien jaar over gedaan. Heb ik er spijt van? Ik heb over een aantal dingen in mijn leven inderdaad spijt, maar dat ik de belastingdienst en een goed betaalde baan vaarwel heb gezegd, daar heb ik zeker geen spijt van.

Tineke was eind 1976 klaar met haar (vervolg)opleiding en werkte via een uitzendbureau in ziekenhuis Zonnestraal op de grens van Loosdrecht en Hilversum Omdat we aardig door de spaarcentjes heen vlogen en de eerste sollicitaties niets hebben opgeleverd, meld ik me ook bij een uitzendbureau. Ik ben bereid om heel veel aan te pakken en ze hebben de volgende dag al een baantje voor me. Geen kantoorbaan, maar in een kaaspakhuis. Bij Schaap Kaas, een grote jongen toen. Nu niet alleen uit Huizen, maar helemaal verdwenen.

Voor mij even geen kantoorbaan meer maar keihard werken in een magazijn, hoofdzakelijk samen met Turken, nee geen Marokkanen. In het kaaspakhuis is altijd veel te doen. Er moeten auto’s worden gelost en geladen. Dat lossen met de hand is een stuk zwaarder dan het laden. Want dan gaan de kazen in speciale containers weg. Verder moeten de kazen regelmatig worden gedraaid. En als ze voldoende gerijpt zijn, gaan ze door een paraffinebad voor ze verder worden getransporteerd. Allemaal klussen waarvoor ik word ingezet.
Een van de voordelen van het werken in het kaaspakhuis is dat ik eind van de week voor een zacht prijsje kaas kan kopen, voor eigen gebruik.
Op een zeker moment verhuis ik van het ‘nieuwe’ naar het ‘oude’ pakhuis aan de Ceintuurbaan in Huizen. Daar wordt een pezige Ier een tijdje mijn werkmaatje. We hebben veel plezier samen en als Evita door de radiospeakers klinkt galmen wij mee.
Waarom is mij nooit duidelijk geworden, maar na een paar weken is er nauwelijks werk meer, terwijl er toch echt nog kaas wordt verkocht. De ene na de andere uitzendkracht verdwijnt. Ik kan nog een paar weken terug naar het pakhuis op het industrieterrein, maar dan is het over en sluiten. Het kaastijdperk is voor mij voorbij.

Op het juiste moment komt de volgende advertentie voorbij. En ik word aangenomen. Bij Jedezet, een damesconfectiebedrijf aan de Hoge Larenseweg in Hilversum. Daar moet ik onder andere formulieren invullen voor export en import. De export betreft stof en fournituren die vooral naar Griekenland (Kavala), Roemenië (Timisoara) gaan om daar in ateliers dameskleding van te laten maken. En die kleding, die in het bedrijf zelf wordt ontworpen, komt weer terug en daar moeten dus ook papieren voor in orde worden gemaakt. Tot mijn werk behoort tevens dat ik zorg dat er voldoende stof en fournituren mee worden gestuurd. Ik moet dat berekenen, waarna in het magazijn de zendingen gereed worden gemaakt.
Het bedrijf hanteert een aantal merken Allereerst Jedezet, vernoemt naar de voormalige eigenaar Jaap de Zwart. Verder Suedezet, een afgeleide van een suèdesoort uit Amerika, waarvoor het bedrijf de Nederlandse rechten heeft. Tenslotte Robert Dumont, voor een jonger publiek en vernoemt naar de eigenaar van dat moment.
Na ongeveer een jaar vertrekt stoffeninkoper Henk Rinkel, die voor zichzelf op de markt begint. De fournitureninkoper schuift een plekje op naar de stoffen en ik moet nu de fournitureninkopen doen en zelfs enige tijd ook beide, omdat de stoffenman ziek (doof) wordt.
Als ik word aangenomen hoor ik dat het bedrijf naar Almere gaat verhuizen, waar op De Steiger een pand zal worden gebouwd. Naar Almere? Daar kan je met openbaar vervoer nauwelijks komen, dus zullen Tineke en ik ook moeten verhuizen, want ik heb geen rijbewijs. Nog steeds niet overigens. Vlak daarvoor hebben we nog tegen elkaar gezegd, dat we daar absoluut niet heen willen, zo’n troosteloze zandvlakte. Maar een half jaar later krijgen we al een woning toegewezen, op de Middenhof.
Baas Bob van den Berg (†), van Jedezet, is een een (h)eerlijke boeman, die flink tekeer kan gaan, maar ik laat me door hem niet gek maken. Als het minder gaat in de confectie, moet er worden gereorganiseerd. Ik verlies mijn baan. Een jaar later stopt het bedrijf, het wordt steeds moeilijker. Van den Berg heeft twee keuzes, vechten tegen windmolens en hopen op een ommekeer of zelf de steker eruit halen en alle rekeningen gewoon betalen. Hij kiest voor de laatste optie. Hoeveel bazen doen dat hem na.

Als ik mijn baan verlies bij Jedezet kan ik terecht bij Breemer Voering, waar ik een deel van de voering inkoop. Daar zoeken ze iemand op de administratie, telefonische verkoop. Dit bedrijf is naar Almere verhuisd, naar De Vaart. In het weekend gebeuren hier dingen die het daglicht niet helemaal kunnen velen. Zonder facturen verdwijnen heel wat meters voering en stof, zodat de voorraadadministratie zelden klopt. Een faillissement volgt en weer moet ik op zoek naar werk.

7 juli 2007

Een bruid van 18 – Een moetje

Na mijn diensttijd heb ik toch wel wat moeite om weer een vast ritme op te pakken. De vrijheid, die ik in Duitsland was gewend, speelt mij parten. Ik voel me thuis op mijn vingers gekeken. Ik ben eigenwijs en wil het liefst zo snel mogelijk het huis weer uit.

Ik ga daarom op huizenjacht. Hier en daar worden kamertjes aangeboden. Voor veel geld, heel veel geld. Daarvoor kun je ook een huurhuis krijgen. Alleen als je niet staat ingeschreven, dan ben je voorlopig nog niet aan de beurt. En als je wel staat ingeschreven, ook niet. Dus moet je een beetje geluk hebben. Heel veel geluk.
Optie twee: een huis kopen. Omdat ik twee linker handen heb, ben ik daar ietwat huiverig voor. Bovendien heb ik nauwelijks gespaard, zodat ik ook geen aanbetaling kan doen. Om de prijzen lacht men nu, maar ik heb het wel over 1974 en de salarissen liggen een stuk lager dan nu. En de woningen die wel betaalbaar zijn, zijn in handen van huisjesmelkers, die vooral krotten verkopen. En dan komen die twee linker handen niet van pas.

In de zomer komt ineens een cadeautje voorbij. Een gestoffeerde huurwoning. Voor vijfhonderd gulden. Voor die tijd een gigantisch bedrag, maar toch! Met mijn salaris van de belastingdienst en dat van Tineke is het te doen. En dan blijft er ook nog genoeg over om van te leven. Met hulp van mijn vader wordt de woning geschilderd. Mijn moeder verzorgt de gordijnen. En van het spaargeld wordt de inrichting betaald. Dan blijft er ook nog geld over voor de trouwpartij, want die is verplicht.

Verplicht? Ja, inderdaad.
Als ik Tineke leer ken, werkt ze in een bejaardenhuis in Loosdrecht. Ze moet daar weg en gaat in opleiding in een verzorgingshuis in Hilversum. De opleiding ziekenverzorgende. Het is een christelijk huis en zij moet intern. In het zusterhuis aan de Paulus van Loolaan.
Dat geldt voor de meisjes, maar niet voor de jongens die daar in opleiding zijn. Vreemd maar waar. Er zijn nog meer vreemde regels. Vaste vrienden (verkering, verloofdes) van de ziekenverzorgenden in opleiding moeten een pasje aanvragen en die bij de receptie afgeven als zij op bezoek komen. Iemand die zomaar eens langs komt, hoeft dat niet en mag ook zelfstandig naar het zusterhuis. De verkering moet worden opgehaald. Dat broeders (in opleiding) bij de zusters blijven slapen, is minder erg dan wanneer een vast vriendje dat doet. Dan is er heisa.

En daar wil ik vanaf. En daar wil Tineke ook vanaf. Die gestoffeerde woning is daarom een prachtige uitkomst. We kunnen gaan samenwonen op de Wagenweg in Huizen.
Of toch niet?
Met de hand op de bijbel wordt Tineke gedreigd uit de opleiding gezet te worden als zij gaat samenwonen. Hokken is niet des bijbels. Dan maar trouwen.
Op dierendag een week voor Tineke negentien wordt.

6 juli 2007

Belastingen 2


Na mijn diensttijd vertrek ik met Tineke meteen naar Mook om daar bij de ouders van Tineke Elbers en een aantal vrienden carnaval te vieren. Alsof ik de afgelopen zestien maanden nog niet genoeg feest heb gevierd. Zo voelt het nu, maar toen was ik er echt wel aan toe. De zinnen verzetten. Vervolgens even bijkomen en me weer bij de belastingdienst melden.

Ik keer terug naar de afdeling bezwaarschriften en daar is onvoldoende werk. Ik zit naast een vriend, althans dat denk ik. Omdat er onvoldoende werk is, zwerf ik veel door het gebouw. Die zogenoemde vriend zit de hele dag diep in de dossiers, alsof hij druk bezig is. En hij stapt naar de zaalchef om te klagen over mijn afwezigheid op de afdeling. Dat krijg ik gelukkig van een andere (echte) vriend te horen.
Voor ik op het matje word geroepen, vraag ik bij die chef om werk. Het is de tijd van het binnenkomen van de loonbelastingkaarten en die moeten op adres worden gesorteerd. Saai werk, maar ik draai er mijn hand niet voor om. Zo ben ik in ieder geval een aantal maanden lekker bezig.

Maar uiteraard heb ik daar niet voor geleerd en er wordt mij zo rond de zomermaanden ander werk aangeboden. Een zelfstandige job: voorlopige aanslagen opleggen en daarvoor moet een speciaal register worden bijgehouden.
Terug naar de afdeling aangiften. Ik vermaak me prima en voel me happy.
Ik schrijf voor de personeelskrant, doe interviews. Het leven lacht me weer toe.

Toch komt er na een paar jaar een eind aan die gelukkige tijd. Met de komst van een nieuwe chef, die jaren een postkamer heeft gerund. Hij weet alles van formulieren, interne en externe post, maar van belastingzaken heeft hij weinig kaas gegeten. Hij heeft daarom een wetboek met bijlagen op zijn verder bijna maagdelijke bureau liggen. Niets mis mee.
Alleen de praktijk is vaak net iets anders dan wat er in de boeken staat. Door de directie werd zo nu en dan een inspectie uitgevoerd en daaruit bleek dat er niets op mijn werk viel aan te merken. Toch moet ik van de nieuwe chef mijn werkwijze veranderen. Mijn lange haren gingen recht overeind staan, een clash. Niet alleen met mij, maar ook met een aantal anderen, die jonger zijn dan ik. Altijd fitten en mekkeren. Niets is goed.
Van mijn vader krijg ik het een en ander over de man te horen. Hij kent hem van vroeger uit zijn geboortedorp Doorn en die verhalen zijn voor die chef absoluut geen aanbeveling.
Ik stel me tussen de chef en de rest op. De botsingen worden heviger. Zeker als hij gaat preken uit het tweede boek dat open geslagen op zijn bureau ligt: de Bijbel.
Ik heb weliswaar een christelijke opvoeding gehad, maar een bijbel hoort niet op de werkvloer thuis. Hooguit in een pauze.

Ik vraag overplaatsing aan, maar dat wordt geweigerd omdat ‘ze mij niet kunnen missen’. Een half jaar later word ik echter, omdat het niet botert, alsnog intern overgeplaatst. Daar heb ik geen moeite mee, maar wel naar de plaats waar ik heen moet.

Ik moet naast de persoon gaan zitten, die mij belazerd heeft.
Dat weiger ik. Mijn persoonlijke spullen worden op een vrijdagmiddag naar mijn nieuwe bureau verhuisd. Maandagmorgen haal ik mijn nieuwe bureaula leeg, meld me ziek en dien mijn ontslag in.

5 juli 2007

Het leger


Nu 35 jaar later, kijk ik er toch anders tegenaan dan toen. Het is nu nostalgie. Toen gebruikte ik krachttermen als ‘verneukt’ worden. Zo voelde dat ook. Verplicht in dienst moeten, dienstplicht noemde men dat. Lang haar was wel toegestaan en dat groeide welig. De manier om te protesteren, om me af te zetten tegen…

Lichting 72-6, artillerie de 41 afdeling, in november opkomen in Grave en de eerste dag al horen dat ik een jaar naar Duitsland moet. Wat heb ik daar de ‘pest’ over in. Ik heb al niets met het leger, maar omdat ik in overheidsdienst ben, kan ik niet weigeren.
Vier maanden opleiding, een M109 is ons gezamenlijke wapen. De Belgische FAL ons persoonlijke wapen.

Na vier maanden Grave is de tijd aangebroken om naar Seedorf te vertrekken. Met de bus en daar zijn we eerst weer allemaal ‘bol’. Het is een afwisselende tijd, een periode van veel niets doen. Vooral op de kazerne, een beetje kaarten, onderhoud plegen, sporten en ’s avonds drinken. Veel drinken, kaarten, biljarten of tafeltennissen. Dat drinken gebeurt meestal in de bar van de eigen batterij. In de kelder van ons gebouw is de kelder door een aantal handige kanonniers zelf in elkaar gezet. Biljarten gebeurt in een van de militaire tehuizen, die net buiten de poort staan.
Bovendien veel wacht lopen, vooral bij het munitiecomplex dat in de buurt van de kazerne ligt. Over een zandpad om het complex patrouilleren, vooral ’s nachts gevaarlijk, omdat we vol in het licht lopen door de schijnwerpers, die op het terrein zelf staan. Bovendien wordt het pad omgeven door struikgewas. Het is de tijd van Baader-Meinhof Gruppe en Rote Armee Fraktion, overvallen kazernes om aan wapens en munitie te komen.

De weekenden staan eveneens bol van de drank. Uitgaan naar Zeven, Seedorf of een van de andere dorpen in de buurt. Soms meerijden met een van de anderen naar Bremen en omgeving om even alles te vergeten.

We zitten steeds minimaal vier weken in Duitsland, die periodes worden afgewisseld met vier of tien dagen verlof. Ik heb het geluk dat ik steeds met iemand kan meerijden, zodat de reistijd korter wordt. In die tijd kan er op de kazerne nog belastingvrij worden ingekocht en heel wat rookwaar, sterke drank, LP’s (inderdaad het ouderwetse vinyl) en elektrische apparatuur wordt voor een zacht prijsje gekocht en mee de grens over gesmokkeld.

De saaie periodes op de kazerne worden afgewisseld door weken in het veld, oefeningen. Dat zijn voor mij de leukste periodes, waarbij ik steevast in een klein tentje slaap met Rob Slootweg, zelfs in het hartje winter als de ijspegels na een kwartiertje buitenlucht in mijn baard groeien. Een baal stro en enkele dekens onder de slaapzak zijn al voldoende. En natuurlijk alleen in de onderkleding slagen, zodat we ’s morgens nog iets hebben om aan te trekken.
Die oefeningen gaan meestal samen met andere landen, allemaal zijn we in Duitsland om het ‘rode gevaar af te stoppen’. Belachelijk, maar het is de tijd van de ‘koude oorlog’. De verschillen tussen de legers van Nederland, België, Duitsland en Engeland zijn groot. Wij steken tegen die landen af als een zootje ongeregeld, zeker gezien ons uiterlijk. Maar als het erop aan komt, dan kunnen wij ons prima met hen meten en vaak zijn we door ons grotere improvisatievermogen, er wordt altijd meegedacht, de andere legers de baas. Dat levert ons flink wat dagen prestatieverlof op.


Soms gaan we te ver, zoals bij gericht snelvuur. We passeren ons wachtmeester en de veiligheidsofficier in onze dadendrang. We ‘poepen’ de granaten er razendsnel uit en raken ook de tank die ons doelwit is. Het ‘stop, stop, stop’, waarbij we alles moeten laten liggen, van onze kapitein komt te laat. Wij zijn los. De wachtmeester krijgt op zijn ‘kloten’ omdat hij ons niet in het gareel kan houden. Het scheelt ons een dag prestatieverlof, die de rest wel krijgt.

In de weekenden wordt er vaak kip geroosterd boven een kampvuur. Een keer gaat het in het bivak mis, bij de officieren en onderofficieren. Daar wordt kerosine op het vuur gegooid om het vuur brandende te houden. Een dode in oorlogstijd is zinloos, maar in vredestijd helemaal.

Kerstmis 1973 zal ik niet snel vergeten. Op eerste kerstdag moet ik mijn maatjes bedienen tijdens het kerstdiner van de batterij. Mensen die een dag later moesten wachtlopen waren vrijgesteld van de bediening. Behalve ik dus: een dag later moest ik toch wachtlopen. Ik was eerste reserve, maar een van de aangewezen wachtlopers had zich slim ziek gemeld in Nederland en was niet komen opdagen. Uit wraak heb ik flink wat jus en aardappelen op het mooie tenue van de opper gemorst.
De volgende dag stond ik bij de tweede poort, die van de paarden, bij het zwembad in aanbouw. Het begon al licht te schemeren. Een hoop geschreeuw. Een meisje komt bij het zwembad vandaan rennen en gaat naar een van de militaire tehuizen. Ik verlaat mijn post, gooi mijn wapen naar binnen en ga polshoogte nemen. Twee meisjes zitten vast in het drijfzand. Door gebruik te maken van steigermateriaal, twee planken die ik voor mij uit over het drijfzand leg, kom ik bij het eerste meisje, dat ik redelijk snel uit haar lijden weet te verlossen. De ander is inmiddels aardig in paniek. Geen wonder, langzaam maar zeker zakt zij weg. Als ik haar bereik zit ze er tot haar liezen in. Het is trekken, sleuren en doorgaan, maar het lukt me ook haar te bevrijden. Blij keer ik terug.
Te smerig om aan de poort te staan, ga ik eerst douchen. Mijn goede plunje ziet er niet uit. M’n gevechtskleding zit in de was en daarom trek ik een overall aan. Terug bij de poort word ik in de loop van de avond op rapport geslingerd door een overijverige kornet, de wachtcommandant van die dag. Later willen ze me vanuit het leger een koord of vetleren medaille aansmeren. Dat weiger ik, ik heb toch gewoon mijn ‘menselijke plicht gedaan’.
Van de meiden, vermoedelijk dochters van een beroeps of van burgerpersoneel, heb ik nooit meer iets gehoord.

6 augustus 2006

Belastingen

Verder leren of gaan werken. Na het behalen van mijn mulo-diploma is die keus voor mij niet moeilijk. Ik heb het voorlopig wel gehad in de schoolbankjes. Laat mij nu maar wat centjes verdienen en dan kan ik in de avonduren altijd nog wat lessen gaan volgen. Met die gedachte ga ik op zoek naar mijn eerste echte baan.
Mijn eerste sollicitatiegesprek is meteen raak. Ach, het is 1969. De wereld gunt elkaar nog steeds iets. Aandeelhouders zijn al wel belangrijk, maar nog niet het belangrijkste in de wereld. Geld regelt veel, maar regeert nog niet alles. En de banen liggen nog voor het oprapen.
Die baan ligt voor mij klaar op het Noordse Bosje 45 in Hilversum, daar was in die tijd de belastingdienst gevestigd. Of zoals het toen nog zo mooi heette: inspectie der directe belastingen Hilversum I. Dat Romeinse cijfer gaf aan dat de Hilversumse zaken werden afgehandeld.
Er is elders in Hilversum ook nog een tweede Hilversumse inspectie, waar een aantal andere Gooise dorpen, zoals Laren, Blaricum en Huizen, onder vallen.

Iedere dag stap ik trouw op mijn stalen ros om vanuit Huizen naar Hilversum te fietsen. Over de Huizerhoogt of over de hei, langs de Tafelberg. In weer en wind. Alleen als het in de winter glad is en de bus de Huizerhoogt niet meer over kan, laat ik de fiets in de schuur staan en wacht tot het weer veilig is om te reizen en het openbaar vervoer weer op gang is gekomen.

Ik kom op de afdeling aangiftebiljetten te werken. Met Frits van der Kamp (hij heeft prachtige verhalen over zijn diensttijd in Nieuw-Guinea) als chef. Op die afdeling wordt bijgehouden dat de mensen op tijd hun biljet inleveren, er worden waarschuwingen en aanmaningen gestuurd bij het in gebreken blijven, maar ook worden daar door de werkgever verstrekte loongegevens bij de biljetten gevoegd.
In die beginjaren verricht ik verricht tevens wat hand- en spandiensten op de afdeling ‘leggers’ waar de dossiers worden bewaard. Die afdeling wordt gerund door Jan de Lange (zat toen ik kwam nog bij aangiften) en daar werken onder andere Ab Rutten (in het Gooi bekend als voetbaltrainer) en René Hautmann, die gelijk met mij bij de belastingdienst is begonnen.
Na een paar jaar word ik overgeplaatst naar de afdeling bezwaarschriften. Als mensen het niet eens zijn met een aanslag komen daar hun bezwaarschriften terecht.

Het leren, interne belastingcursus, gaat me redelijk gemakkelijk af. Ik hoef er niet zoveel moeite voor te doen. Maak vrienden en kennissen. Er is een actieve personeelsvereniging en ik schrijf mee in een personeelsblaadje, dat zeer onregelmatig (gestencild) uitkomt.
In de pauze kaarten we of spelen een spelletje schaak. Zelf doe ik met de HORBA (de personnelsvereniging) mee in Apeldoorn aan een schaaktoernooi voor belastingambtenaren, waarbij ik zelfs (moeizaam) ongeslagen weet te blijven. En door mijn halfjes pakken we nog een prijsje ook. Ik draai verder mijn partijtjes mee met volleybaltoernooien – met onder andere Stas Sollman en George Groenewoud – tegen andere teams van belastingambtenaren.

Het leven lacht me toe.

Zeker als ik via via Tineke leer kennen.

12 juli 2006

Nog een keer school

Over vier jaar ULO (Groen van Prinsterer in Huizen) heb ik een jaartje langer gedaan dan er voor gepland staat. Het komt me de eerste paar maanden allemaal aanwaaien. Ik hoef er niets voor te doen en duik ook nauwelijks met mijn neus in de boeken. Ik ben met andere dingen bezig, kan mijn gedachten er niet bij houden. En dus gaat het op school helemaal fout.
De eerste voortekenen daarvan zijn al voor de feestdagen te zien, maar ik kan de schade nog redelijk beperken. Maar daarna is er geen houden meer aan. De cijfers nemen geen duikvlucht. Nee, het is een vrije val; zonder parachute. Het gevolg is dat ik de eerste klas een jaartje moet overdoen.



Daarna ben ik op school een zesje, met wat uitschieters, bijvoorbeeld op gebied van wiskunde. En mijn talen (Engels en Frans) blijven een probleem. Ik beleef er ook weinig plezier aan.
En dan moet ik ook nog eens een middag in de week naar de LTS. Verschrikkelijk vind ik die middagen. Met twee linker handen, staal ombuigen, gaatjes boren, hout zagen, lijmen, vijlen, schaven. Bah, bah, bah.

Alles is beter dan de technische school. Dus verdraag ik juffrouw Krol en de verschikkelijke Heutink. Moeite met juffrouw Kruijmer heb ik niet en voor meester Van As, die veel te aardig was en ontzettend werd gepest en getreiterd, zijn we als klas een kwelling geweest. En natuurlijk is er dan nog Franse Schats, die alles vergeet als hij over voetbal praat en Van der Neut, die zo zijn best doet om mij nog iets van de Engelse taal bij te brengen. En tenslotte de aardige Van Metelen bij wie ik altijd terechtkan als ik het weer eens niet eens ben met de beoordeling van een wiskunde-opgave door de ‘verschrikkelijke’.
De ‘oude’ Teunissen is de directeur van de school en naar hem trek ik na het behalen een lange neus. Hij voorspelt namelijk op school dat ik zal zakken voor het examen.
Ik slaag; met een vijf voor Engels (Van der Neut was wel de eerste die mij feliciteert) en een negen voor algebra.


Het schoolreisje naar Echternach heeft op veel leerlingen grote indruk gemaakt. En ook op mij. Mijn eerste keer naar het buitenland, zonder familie. De vrijheid, de natuur, maar ook omdat mijn lichting daar de Europa Cupfinale bekkijkt tussen Manchester United en Benfica.


Het is ook de tijd van mijn eerste liefde: Anneke. En van mijn eerste liefdesverdriet.

17 april 2006

Altijd mijn grote broer


Mijn broer Gijs, met wie ik jarenlang een bed deelde. In het schemerdonker van de avond, soms met een lichtje aan, las hij mij voor; uit Arendsoog en Pim Pandoer.
Het waren stoere verhalen vol spanning.

Gijs was een lieve jongen, vier jaar ouder was hij.
En hij had zijn streken. De ondeugendheid straalde er bij ons vanaf.
Maar alles bleef redelijk binnen de perken.



Sleetje rijden bij Sijsjesberg en ’s zomers gingen we daar zwemmen.
Hij haalde zijn zwemdiploma.
Zelf dacht ik het zonder zwemles te kunnen en verzoop zowat in het diepe.
De zwemlessen waren daarna niet meer aan mij besteed.
Pas later leerde ik mezelf boven water te houden.
Het ontzag voor water stamt uit die tijd; mijn eerste levensles.

Het bleef niet bij zwemmen. Zijn oude fiets ging naar mij. Samen gingen we op pad. Wielerwedstrijdjes houden.
Ook dat hoorde erbij.
En Gijs liet me vaak winnen.

De zorgzame Gijs. Bijvoorbeeld voor ons zusje Mies.
Hij was er als je hem nodig had.
Een heilige?
Nee, dat niet.

Gijs nam mij mee, op sleeptouw, het bos in bij zee.
Paddenstoelen zoeken, naar vogels luisteren.
Het was een zorgeloos leven van spelen en leren.
Judoën bij Cees Rebel, in een klaslokaal van de oude Rehobothschool.
Hij was mij lang de baas, maar ondanks het leeftijdsverschil was dat niet altijd zo.

De wijze Gijs, die altijd de weg wist in de Kaapse bossen van Doorn als wij gingen logeren bij opa en oma.
Aan zijn hand mocht ik mee naar de weg (de oude weg van Utrecht naar Arnhem), maar eerst wel even je goeie goed aan doen.
Hij leerde mij roken. We waren beiden nog veel te jong.
Ziek was ik van die eerste sigaret.
Hoe Gijs zich voelde weet ik niet meer. Wel dat er heel wat sigaretten en later (sigaren en pijpjes tabak) zouden volgen.

Maar aan alles komt een eind. Gijs kon niet zo goed leren. Gijs had een lui oog. Gijs had vaak last van hoofdpijn. Er was iets goed mis bij hem. De oogarts stuurde hem in 1964 door naar het ziekenhuis voor onderzoek en daar werd een tumor in de hersenen geconstateerd. Een operatie volgde. Ik heb hem niet meer levend gezien. Op 27 juli 1964 kwam er een einde aan zijn nog veel te jonge leven. Zijn hersenen werden onderzocht en ik hoop dat iemand baat heeft gehad bij dit onderzoek.

De klap kwam hard aan. Zeker bij mij.
En ruim veertig jaar later kan, ik daar nog steeds moeilijk mee omgaan.
Het heeft mij gevormd. In het ouderlijk huis viel zijn naam nog maar heel zelden.
Wij moesten door en eigenlijk wist niemand hoe.

Ik mis hem nog steeds.












Dit verandert nooit: Gijs blijft altijd mijn grote broer.

23 maart 2006


Rehobothschool

Dit is de vierde klas van de Rehobothschool in het jaar 1962 in Huizen.
Helaas heb ik niet alle namen meer paraat en hier en daar zal ongetwijfeld een schrijffout tussen zitten. Ik blijf zoeken en speuren en misschien komt er een dag dat de namenlijst compleet is. Als het goed is, is de lijst nu compleet. Dankzij Bep Post (van Scheppingen),

1. Gert van Efferink, 2. Betty Teuwissen, 3. Annet Rebel, 4. JokenZeeman, 5. Johan Bonefaas, 6. Bep van Scheppingen, 7. Piet Veerman, 8. Rudy Piëst, 9. Anton (Toontje) Bout,
10. Tineke Hasselt, 11. Piet Hasselt, 12. Beppy Bos,
13. Netta Backx, 14. Hildegard Schipper, 15. Bert Rebel, 16. Adri Vos, 17. Ab van der Hulst, 18. Lydia de Vlieger, 19. Henk van Maanen
20. Wil Bunschoten, 21. Bert Teeuwisen, 22. Jany Bunschoten , 23. Johan Visser, 24. Kees Vos, 25. Pieter van der Poel, 26. Henk Bos, 27. Gert Spilt, 28. Kees Rebel, 29. Janny Snel, 30. Klaas Kriek, 31. Jakob Kos, 32. Bert Schaap, 33. Arie van der Valk, 34. Gerard Doorn, 35. Johan Veerman, 36. Wim Bunschoten, 37. Henk Rebel, Ansje Hol, 39. Meester Veenendaal.
Van deze klas ben ik een enkeling na mijn schooltijd nog wel eens tegen het lijf gelopen, via het sporten of voor mijn werk. Ik kijk met plezier terug op die periode, waarin we veel hebben gespeeld, veel hebben geleerd. Uiteraard meesters hebben gepest, straf hebben gekregen. Er is gelachten en gehuild. Al met al een bijzondere klas.

11 maart 2006

Naar School







In 1958 op mijn zesde verjaardag - dus meteen trakteren in de klas - wordt het tijd om naar de 'grote school' te gaan. De kleuterschool (Kon. Wilhelminaschool) ben ik ontgroeid. Mijn school staat op zo'n honderd meter van mijn huis, dus al snel mag ik er zonder ouderlijke begeleiding heen.

De Rehobothschool is (dan nog) gevestigd aan de Meentweg, maar via die ingang gaan alleen de hogere klassen naar binnen. De lagere klassen gaan achterom, waar ook een groot schoolplein ligt. Daar kunnen we een balletje trappen. Zoiets is alleen toegestaan in schooltijd of tijdens de pauzes. Maar niet op zaterdag of 's avonds, want dan wordt ons vriendelijk gevraagd daarmee op te houden. En zoniet? Dan wordt Jaap Plat gebeld! Die komt langs, pakt de bal af en de bal mag dan een week later opgehaald worden het politiebureau. Het schoolplein wordt ook gebruikt voor hinkelen of tikkertje. Knikkeren kan aan de zijkant, aan de kant van de Valkenaarstraat, want daar is het terrein niet betegeld. Later is daar wel een hek geplaatst, maar daar klimmen we makkelijk overheen. Maar ook het dak op klimmen is geen probleem, hoewel verboden en weer komt dezelfde Jaap Plat langs. Een boeman? Neen, dat niet een strenge maar rechtvaardige diender.

De schooltijd is aanvankelijk een tijd van onbekommerd spelen en een beetje leren. Dat leren wordt naarmate ik ouder word wel steeds belangrijker. De schooltijd is ook een tijd van schoolreisjes. Naar Rotterdam bijvoorbeeld en naar Limburg (met de trein).

Al met al kan ik zeggen dat mijn jaren op de Rehobothschool prettige jaren zijn.

Van Maanen

Ik ben trots op mijn achternaam.

Het zegt iets over mijn roots. Die zijn in naam voor een deel te vinden in de buurtschap Maanen. En door afkomst in de streek rond Lunteren en Ederveen waar zoveel van mijn naamgenoten wonen. Maar ook in Doorn, de plaats waar mijn vader is geboren en opgegroeid. Met al die geografische plekken heb ik zelf overigens iets minder. Dan maar liever Huizen, mijn eigen geboortgegrond.

De foto is bewust gekozen.

Dat zijn ook mijn roots. Samen met de man naar wie ik ook ben vernoemd. De man die zijn beide dochters Hendrikje noemde: Hein van Oompien. De man die trots de wereld in kijkt met zijn tweede kleinzoon.

Samen wandelen. Naar de haven. Naar de visafslag. Naar de kerk. Of zomaar ergens heen.

7 maart 2006


Zo daar gaan we dan, missie geslaagd.
Dit ben ik. Eigenwijs en nieuwsgierig.
Hier geef ik me bloot, maar ook weer niet te veel.

Via foto's en kleine stukjes vertel ik over mezelf.

Geboren in Huizen; vanouds een boerendorp (zoek het wapen van Huizen maar op) en een vissersdorp.
De koopmansgeest in het dorp is groot. Toen en nu.
Zelf ben ik minder commercieel.
Vind ik dat erg? Absoluut niet.

Ik ben tevreden met wat ik heb. Natuurlijk zijn er nog wensen over. Wensen waarvan ik hoop dat ze ooit nog in vervulling gaan. Maar ik weet ook dat ik niet alles krijgen kan. En uitspreken zal ik ze niet.