16 januari 2017

Beertje gaat met Opa IJsbeer schoenen kopen

Maandag 16 januari 2017

,,Vind je het gek dat ik geen schoenen aan mijn voeten wil? Ja? Hebben jullie weleens een beertje met schoenen aan gezien? Niet, nou ik ook niet. Dus daarom schop ik altijd mijn schoenen uit! En mijn Opa IJsbeer loopt ook het liefste op blote voeten. Die ging vroeger rustig winkelen zonder schoenen aan. Heeft hij mezelf verteld.’’
Inderdaad Opa IJsbeer liep het liefst op blote voeten en nog steeds loopt hij thuis vaak op blote voeten, dat heb ik vaak genoeg gezien. Mijn papa en mama willen echter dat ik gewoon schoenen aan doe en vinden het maar niks dat ik ze steeds uitschop. Vandeweek is er zomaar een schoen van mij verdwenen en daarom kan ik nu geen schoenen meer aan. Ook vandaag niet als ik een paar uur naar Opa IJsbeer en Mamoe ga.
Mijn oma is bang dat ik koude voetjes krijg en doet mij daarom pantoffels aan, maar ook die schop ik weer uit. En opa? Die moet overal om lachen. Hoop ik.
,,Mooi niet Daeley’’, zegt opa boos tegen mij, als ik ze weer heb uitgeschopt. ,,Weet je wat wij gaan doen? Wij gaan straks samen even naar het centrum van Buiten om schoenen voor je te kopen.’’
Nou weet ik ook wel dat ik naar buiten moet om te gaan winkelen dus dat buiten hoeft hij er niet bij te zeggen, vind ik. Wat vinden jullie? Heeft hij gelijk? Nou aan jullie heb ik ook wat. Als je een jaar bent dan moet je maar van alles: leuk zijn, netjes eten, leren praten, moeten slapen, spelen. En er is maar een ding dat ik echt wil: overal nee tegen zeggen. O ja, ondeugend zijn. Dat wil ik ook.

Nadat ik een boterham heb gekregen, ik krijg niet eens een toverbroodje, gaan wij op pad. Opa IJsbeer heeft mij lekker ingepakt omdat het buiten toch wel koud is, maar waarom ik die pantoffels ook buiten aan moet dat snap ik echt niet. Onderweg schop ik ze lekker uit.
We wandelen een paar kilometer naar het winkelcentrum. Bij Van Haren is er een aardige verkoopster die mijn voetjes opmeet en daarna een paar schoenen aanpast. ,,Hoge schoenen’’, zegt ze, ,,want die krijgt hij niet zo gemakkelijk uit.’’
Wel maak ik het haar lastig door mijn tenen samen te trekken. Maar uiteindelijk moet ik toch een paar stappen met die nieuwe schoenen maken. Wel stoer hoor, maar dat vertel ik ze niet. Ik doe net of ik er niet op kan lopen en ga meteen zitten. De winkeljuffrouw heeft echter goed opgelet en zegt dat ze goed zijn.
Opa wil ook nog twee laarzen kopen. Geen boots voor de winter, nee laarzen waarmee ik in de plassen kan stampen. ,,Want een kind moet in plassen kunnen stampen’’, zegt opa. Nou daar ben ik het mee eens. Ik krijg er een inlegzooltje bij omdat de laarzen nog een beetje ruim zijn.
En zo gaan we weer naar huis. Onderweg probeer ik de schoenen net zoals de pantoffels uit te schoppen. Maar dat lukt me niet. Verdorie ik zet het op het IJsberenpad op een brullen, maar opa lacht mij gewoon uit, vind dat ik me niet moet aanstellen. Nou dan stop ik wel weer met blèren.
Als papa ’s avonds komt om mij te halen is hij heel blij met de schoenen. En ik? Aan mij wordt niets gevraagd. Ach, sssttt niet verder vertellen hoor, eigenlijk vind ik ze ook wel gaaf. Maar ja een beertje met schoenen aan? Dat is toch geen gezicht.


2 januari 2017

Hoe Gianny ontdekt dat er ook nog iets boven Groningen is

Donderdag 29 december 2016

,,Opa IJsbeer, als je terug bent uit Lübeck zullen we dan met zijn tweeën een dagje met de trein reizen’’, die vraag stel ik een paar weken geleden aan mijn opa.
‘Natuurlijk wil ik dat wel’, antwoordt hij. ,,En zullen we dan naar Groningen gaan? Daar ben ik nog nooit geweest.’’ Ook dat vindt mijn opa een prima idee.
Mijn opa en oma kwamen gistermiddag thuis nadat zij de kerstdagen in Duitsland zijn geweest en mijn papa en mama brachten mij en mijn zusje gisteravond naar hen toe. Samen met Raema en Daniël hebben mijn papa en mama de afgelopen dagen de kinderkamer opgeknapt en omdat Fayèn en Yari vandaag met oma naar Kids Island gaan, sliepen wij drietjes – de kleinkinderen = in de Faunabuurt.
Vanmorgen heeft Opa IJsbeer voor de kleintjes een toverbroodje gemaakt en ik heb mijn eigen broodje gemaakt.
Om halftien zijn wij op pad gegaan, met de bus naar het station van Almere Buiten en vandaar met de trein naar Lelystad. ‘Het is een kleine wereld’, zegt mijn opa als we in de trein zitten. Hij bedoelt dat we bijna niets kunnen zien. Er hangt een dikke deken mist over de Oostvaardersplassen, de dieren – runderen, paarden, edelherten –, die je meestal kunt zien lopen, zijn nu nergens te bekennen.
De omtrekken van de gevangenis van Lelystad zijn wel waarneembaar en niet veel later stappen we op het station van Lelystad over op de Intercity naar Leeuwarden. Ik hoor jullie bijna denken; de reis gaat toch naar Groningen? Inderdaad, wij stappen over in Zwolle, nadat we de IJssel zijn overgestoken.
Opa legt mij uit dat Nederland een paar grote rivieren heeft. De Maas en de Rijn ken ik al. De Waal en de IJssel zijn zijrivieren van de Rijn. Zo is zo’n reisje niet alleen leuk, maar leer ik er ook altijd weer iets bij.
Het stuk naar Assen vind ik heel lang duren, maar als we daar voorbij zijn, zijn we ook zo in Groningen. Opa IJsbeer wil met mij naar de Martinitoren. Zelf wil ik liever meteen door naar Leeuwarden, een hele dag ‘treinen’ is toch veel leuker dan een stuk wandelen. Maar om hem een plezier te doen, pak ik hem bij de hand en gaan we de stad in. Eerst langs het Groninger Museum.
Daar hebben ze een tentoonstelling van Rodin, dat is een beroemde beeldhouwer uit Parijs. Zijn beroemdste beelden zijn De Denker en De Kus. Opa heeft die beelden ooit in Laren gezien. Van sommige beelden zijn er meer gemaakt, zo staat er in Laren een exemplaar van De Denker. Dat beeld is in 2007 gestolen en zwaar beschadigd teruggevonden. Vier jaar later is het na hersteld te zijn weer in het museum Singer te zien.
Voor Opa IJsbeer zet ik diverse beelden en kerken op de foto en speciaal voor Mamoe maak ik ook nog een paar foto’s van de synagoge van Groningen. Vanwege de chanoeka-viering is er daar geen rondleiding vandaag. Chanoeka wordt ook wel het lichtfeest genoemd en dan wordt door Joden de reiniging van de tempel herdacht. Dit is voor hen een heel belangrijk feest.
Akerkhof ken ik van Monopoly en bij die straat gaan we de Vismarkt op. Nou ik denk dat de Groningers dat beter een andere naam aan die markt kunnen geven, want er staat maar een viskraam op. Ach, veel mensen staan er niet om een visje te kopen. Opa IJsbeer denkt er niet aan om bij hen te gaan staan. Misschien is hij wel de enige IJsbeer die niet gek is op vis.
Iets verderop vinden we eindelijk de Martinitoren. 97 meter hoog is D’Olle Grieze, zoals de Groningers de toren noemen. Je kunt de toren wel beklimmen, 311 treden, maar dat vind ik toch wel een beetje veel. Misschien als ik wat ouder ben, maar voor vandaag is het ernaar kijken al genoeg.
We wandelen langs het Schuitendiep, de St. Jozefkathedraal en de Herensingel. Ook daar staan beelden, die ik op de foto zet. Opa vertelt me dat toen dat beeld van De Denker is gestolen er meer beelden in Nederland zijn gestolen. Dat deden de dieven vooral voor het brons, het materiaal waarvan die beelden zijn gemaakt. Als ze het Werkman-monument hadden gestolen, hadden ze een hoop geld gekregen denk ik, want dit beeld is wel vijf meter hoog. Het is een afgekapte boom en staat in een plantsoen. Het is een verwijzing naar een Groningse drukker en kunstenaar, die in brieven het omhakken van bomen aanhaalt, iets wat de beeldhouwer Armando als kind in de oorlog moest doen. In dezelfde oorlog waarin de Duitsers Werkman hebben doodgeschoten. Dat vind ik eigenlijk heel gemeen, dat doodschieten.
Ik wil daar niet verder over nadenken. Bovendien heb ik trek gekregen van dat wandelen. ,,Opa zullen we nog wat gaan eten”, vraag ik daarom als we bijna bij het station zijn. Hij vindt dat goed en omdat er geen McDonald’s in de buurt is gaan we naar de Subway. Ik bestel een broodje ham en opa neemt een broodje beef. Hij bestelt en betaalt. Zo hoort het ook, eerlijk zullen we alles delen; ik mag kiezen en hij betalen.
Nou ik het toch over kiezen heb, mijn keuze om naar Leeuwarden en misschien wel naar Harlingen door te gaan wordt definitief afgewezen. Zoveel keuze heb ik dus ook niet. Maar daar komt iets anders voor in de plaats. Veel leuker. We gaan naar school, naar Roodeschool.
Verder kun je niet met de trein zegt opa. Nou eerst zien en dan pas geloven. En daarom stappen we in de stoptrein naar Roodeschool.

De trein is een rode trein van Arriva, die eerst nog in Groningen Noord halthoudt voor hij bij allerlei kleine dorpjes stopt. Bij Sauwerd gaat opa ineens zwaaien. ,,Waarom doe je dat nou opa?’’
‘Hier woont Bianca’, zegt hij ‘en die ken ik onder andere van Hyves en Facebook en haar heb ik voor het eerst in de trein ontmoet, toen ik naar een gedichtenmiddag in Purmerend reed.’
Ik zie niemand terugzwaaien dus zal ze er wel niet zijn. ‘Misschien is ze druk met het schrijven van een nieuw gedicht’, zegt opa nog, maar ik denk hij dat gewoon verzint. Wij rijden alweer en komen steeds dichterbij het eindpunt. Uithuizen, Uithuizermeeden, overal zet ik het bordje met de plaatsnaam op de foto en dan eindelijk stopt de trein in Roodeschool.
Wij stappen als laatsten uit, o nee, ook de machinist is er nog. Ik vind treinen leuk en mag voorin bij hem kijken. Hij legt uit dat hij onderweg een foutje heeft gemaakt, te snel heeft opgetrokken waardoor er een belletje ging. Toeteren hoeft hij niet meer bij Winsum vertelt de machinist. Daar is vorige maand een ernstig ongeluk gebeurd op een onbewaakte spoorwegovergang, dus zonder spoorbomen, en om te waarschuwen toeteren de treinen voor die overgang. De mensen in Winsum vinden dat vreselijk. Vanaf morgen is er een noodweg klaar en is die gevaarlijke overgang gesloten.
De machinist laat ook zien dat hij voorin kan zien wat er elders in de trein gebeurt. Arriva rijdt niet met conducteurs en de machinisten moeten de veiligheid in de gaten houden. Wel zijn er zo nu en dan stewards die controles uitoefenen. Wij hebben die niet gezien. Ook niet op de terugweg. Wel in de trein van NS, toen zijn de kaartjes wel gecontroleerd.
Vlak voor Roodeschool splitst het spoor zich. Er gaat nog een lijntje verder naar het industrieterrein van Eemshaven, voor de goederentreinen. Aan dat spoor komt ook een nieuw station voor Roodeschool. Dat nieuwe station moet volgend jaar klaar zijn, dan komt er ook nog een station in Eemshaven en dat krijgt een aansluiting naar Borkum in Duitsland. Dat moet in 2018 klaar zijn. ,,Opa, dus dan gaan we nog keer hier heen hè.’’
Op de terugweg naar Groningen kan opa zich niet inhouden en zit opnieuw te zwaaien, terwijl er in Sauwerd echt niemand in- of uitstapt en ook niemand op straat is te zien. Ach van mij mag hij, zo lang hij zwaait kan hij geen ander kattenkwaad uithalen, want een beetje ondeugend is hij zo nu en dan wel. De tijd gaat daardoor wel extra snel. In Groningen zijn we netjes op tijd voor de Intercity naar Rotterdam. Die stopt ook in Assen en Zwolle en daar kunnen we overstappen naar Almere. Tenminste als alles op tijd rijdt.
We vertrekken iets te laat. Dat zal dus aanpoten worden. Misschien dat de trein onderweg nog wat tijdwinst kan boeken. Maar uiteraard kunnen opa en ik er niets aan veranderen. Wij krijgen alle tijd om naar buiten te kijken, waar het langzaam donker begint te worden. Bij Staphorst rijdt een rits motoren. Die doen mee aan een off road rit, waarbij ze langs akkers en zo rijden; de Stappersterveldrit. Op sommige plekken houden mensen het verkeer tegen zodat de motoren veilig kunnen oversteken.
Wij moeten ook wachten, voor Zwolle staat de trein stil. Nou daar gaat de aansluitende trein, dat wordt wachten. Opa houdt de moed erin en als we in Zwolle uitstappen staat de trein naar Den Haag en Almere er nog. ‘Rennen Gianny’, roept Opa. Inderdaad ook Opa IJsbeer rent. Het heeft meer weg van hinkelen, zodat ik bijna nog de trein mis, omdat ik van het lachen stilsta. Gelukkig ziet de conducteur ons komen en als we alle twee in de trein zijn, blaast hij op zijn fluitje en vertrekt de trein.
Het laatste stukje van de reis. We zoeken weer een plekje op in de eerste klasse. Ik ga aan de andere kant van het gangpad zitten, zodat opa wat rust heeft. Ik zie dat hij moe begint te worden en zo nu en dan zijn ogen even dicht doet. Nee, ongerust maak ik me geen moment. Als hij in slaap valt maak ik hem wel wakker als we bij Almere Buiten zijn. Dat is overigens niet nodig. Hij weet precies waar we zijn en houdt alles in de hand. In de hal van het station van Stad staat mijn moeder al te wachten. En ondanks dat ik een geweldige dag heb gehad met de IJsbeer is het hartstikke fijn om in de armen van mijn mama te kunnen springen.
In het centrum stappen wij in de bus naar Haven en opa gaat terug naar Buiten, waar Mamoe het eten klaar heeft als hij thuiskomt.


4 juli 2016

Modderen in Grave

Zondag 3 juli 2016

Modder is een raar fenomeen. Het schijnt dat er vrouwen zijn die het op hun lichaam smeren omdat het heilzaam is, omdat het de schoonheid van het lichaam bevordert. Het schijnt zo, maar het bewijs ervoor heb ik niet gezien, niet letterlijk (lijkt me fascinerend) als figuurlijk. Ook ben ik dit soort vrouwen nog niet tegengekomen in mijn omgeving. De vrouwen die het schijnen te doen nemen de natuur als voorbeeld. Varkens en olifanten wentelen zich immers ook graag in de modder. Inderdaad om parasieten van en uit de huid te verdrijven en als bescherming tegen de zon.
De meesten van ons vinden het ook niet leuk als er modder aan de schoenen zit en dat die dan mee naar binnen wordt genomen. ‘Wie is er met zijn moddervoeten naar binnen gekomen’ heb ik maar al te vaak gehoord. En regelmatig heb ik schuldbewust naar beneden gekeken. Uiteraard heb ik wel eens met een beschuldigende vinger naar iemand gewezen, maar om dan ook meteen maar met modder te gaan gooien…
Tegenwoordig vinden veel mensen dat zelfs niet gek meer. Die kruipen ervoor, erachter en erdoor. Een ware hype lijkt het wel. Dat fenomeen wilde ik toch wel een keer met eigen ogen gezien hebben, zodat ik er ook echt over kan meepraten. Meedoen?
Nee dat is een brug en een plons te ver, daar laat ik de modderzwemmers liever onderdoor gaan, nou ja onder de weg dan. Afgelopen zondag was het zover en heb ik mij uit mijn luie zetel verheven en ben als passagier meegegaan naar Kardinge, waar vanuit het gelijknamige sportcentrum een run was uitgezet, voor bikkels. De echte stoere deelnemers kozen voor een afstand van zestien kilometer, de minder geharden voor de helft en de watjes en de jonkies voor een rondje van vijf kilometer.
Mijn chauffeur behoort tot de eerste categorie. Speciaal getraind voor de Kardinge Run heeft hij niet. Ja, hij loopt zijn rondjes en heeft daarnaast nog genoeg andere lichaamsbeweging en oefeningen (ook voor zijn werk) zodat die afstand voor hem inmiddels een eitje is. ‘Maar ik doe het wel rustig aan’, zegt hij. Martin heeft namelijk wat last van zijn rug. Of het dan verstandig is om mee te doen, vraag ik. ‘Misschien niet, maar ik kan wel iets hebben en zal me niet forceren.’ Wel heeft hij een richttijd. ‘Ik wil onder de twee uur blijven.’
Ik kan er nu wel een lang verhaal van maken, van mensen die graag meedoen maar dan om de modder wandelen en ook langs de andere obstakels, over bikkels die na twee kilometer sprinten al uitgeput zijn en wandelen, maar nog wel veertien kilometer moeten of over die ene dappere dame die zich lang op de derde plaats bevond, wel op respectabele afstand van de twee snelsten.
Ook kan ik het hebben over het ophaalkarretje waarmee een man werd opgehaald, die niet verder mocht met een dubbeldikke enkel na zich verstapt te hebben. Hetzelfde karretje wilde absoluut niet als vuilniswagen worden gebruikt door bikkels met schaafplekjes aan armen of benen. ‘Die moeten maar lopend terug als ze willen stoppen’, was het commentaar van de ophaler.
Nee, daarover heb ik het allemaal niet, ik heb het slechts over die voormalige reservist, die het rustig aan doet en de tweede ronde iets sneller aflegt dan de eerste, omdat ‘ik gezien heb waar de pijnpunten zaten’ en daardoor netjes bij de toptwintig hoort en binnen zijn richttijd blijft.
Versterkt door een bal gehakt, nee daarmee gooien we dus ook niet naar de bikkels die minder bikkel zijn, stapt mijn chauffeur in zijn niet meer blauwe Suzuki en rijdt in een stuk door naar Grave.
Daar wacht een Arsenaal aan bier, waar een kapper jaloers op is. Zo jaloers dat de gel wordt vergeten. Gelukkig hebben ze ook cola en zonder een heel riedeltje waar een postzegelverkoper zelfs niet tegenop kan, krijg ik die voor mijn neus. Wel heb ik nauwelijks tijd om bij te komen en mijn glas leeg te drinken, want het gezelschap Het Kaf gescheiden van de Koren moet verder, terwijl het net als de voorgaande jaren niet is toegelaten tot het officiële programma.
Een van de koorleden is daar inmiddels toch wat teleurgesteld over geraakt en heeft voorrang gegeven aan haar eigen programma, heeft besloten haar derde wereldtoer te maken en heeft als voorproefje een bezoek gebracht aan oosterburen. Die beslissing om even afstand te nemen werd bovendien door haar genomen omdat zij het gevoel had dat zij toch wel erg op haar tenen moest lopen (bij ons). Iets waar de overige koorleden absoluut niets van hebben gezegd. Gelukkig was er een Almeers Baasje bereid haar plaats in te nemen. De impresario was daar wel blij mee maar vindt ook dat hoe meer zielen hoe meer vreugd, iets wat wel vreemd klinkt bij een festival waar Gedeelde Smart zwaar telt.
Overigens voor de fans van het koor Het Kaf gescheiden van de Koren heb ik een misschien verrassend bericht. Omdat deze naam mogelijk toch niet aanslaat heeft de impresario besloten een nieuwe naam te introduceren: Eddy’s Gang.  Tevens vond hij het nodig dat het repertoire iets moest worden uitgebreid en besloot hij een nieuw lied te introduceren.

(refrein)
Vandaag geen tranen meer
die zijn genoeg vergoten
vandaag de handen op elkaar
om de vreugde te vergroten

De smart lappen wij bij elkaar
de grijns op de gelaten
dans op tafels en op banken
dans de klinkers uit de straten

refrein

Het bootje mag weer stromen
ook al zijn ze hier erg streng
een daverend applaus klinkt
uit naam van Eddy’s Gang

refrein
(Nogmaals het bootje)
refrein

Toen de impresario dat begon te zingen werd hem meteen dringend verzocht de mond te houden, want met zijn zangkunsten is echt heel veel mis. En misschien moet er ook nog wel iets worden geschaafd aan het lied dat in vijf minuten is ontstaan.
Terwijl de koorleden hun best deden tijdens de samenzang in de tent, en alle ogen op zich gericht wisten, sloop de impresario weg in de hoop elders toch nog een contract in de wacht te slepen. Hij had beelden voor ogen dat iedereen wel in zee wilde gaan met de Gang, maar voelde zich langzaam maar zeker in Den Bonten Os gelogeerd en zich meer aangetrokken tot de barones en Catharina.
Het bekende Don Kiesjot is uiteindelijk wel bereid ons te ontvangen. De koorleider wordt gevraagd om te speechen en brengt een toost uit op allen die er zijn en er niet zijn. Terwijl om ons heen een oorverdovend antwoord op onze kwaliteiten wordt gegeven, dut ik langzaam in. Zelfs de ijskoude Pancho kan daar geen verandering in aanbrengen.