Sleutel
Dinsdag 19 mei 2009
Twee kleine wit voor het ontbijt en voor de middag en een bruin voor morgenochtend. Dat neem ik mee bij de bakker vandaan. Op de terugweg zet ik nog wat citroenen op de foto.
En kom de eigenaresse van de supermarkt en Várdia tegen als ik de trap op puf. Ze heeft net lente-ui geplukt. Groeit hier gewoon in het wild. Van haar hoor ik dat de grotten naast de groentetuin niet zo heel diep zijn. Niet zoveel voorstellen. Nee, het is niet iets dat met Pollux en Castor te maken heeft.
Na het ontbijt gaat Tineke nog even trainen.
Weer iets verder, weer iets langer. Aan het begin van de middag stelt zij voor om er nog even op uit te trekken. Naar Kastánia. De tijd dringt dus snel op pad. Voorlopig de laatste keer met deze metalic grijze Astra. Vanavond moet de auto weer worden ingeleverd.
Tineke stuurt de kamikaze vaardig de heuvels in, boven Stoúpa. Kronkelend langs Neochóri. Verder stijgend langs Pírgos. Langs de kant van de weg ligt een das. Geen shawl. Zo’n dier, een asvos. Geveld door het verkeer. Bij de afslag naar Saïdóna gaan we rechtdoor naar Kastánia. Het oude kerkje Aghios Ioanis, gebouwd in het begin van de Byzantijnse tijd, verwelkomt de bezoekers. Ons wordt aangeraden om aan het begin van het dorp te parkeren. Een tweede mogelijkheid is nog aan het eind van het dorp bij een taveerne.
Een probleem is alleen dat wij aan het begin van het dorp op een veldje een bordje zien staan, dat parkeren hier niet is toegestaan. En doen we dat wel, dan zul je altijd zien dat er juist nu een bonnenuitschrijvende agent langs komt, die maar dolgraag een kamikaze aan een bekeuring helpt zodat hij zijn quotum voor die dag weer heeft gehaald.
Iets verderop langs de kant van de weg vindt Tineke gelukkig een plekje, die bovendien geen aanslag op de handrem oplevert. Nog een bof; we zijn bijna bij het plein dat wordt gedomineerd door twee kafeinions, de kerk Koimesios tis Theotokou en de Dourakistoren, die zijn beste tijd wel heeft gehad en wacht op renovatie.
In dit gebied heerste Konstantos Dourakis, die alles deed voor geld. Het verhaal gaat dat Theodoros Kolokotronis, wiens dochter was getrouwd met de zoon van Dourakis, om hulp aanklopte in Kastánia. Het is overigens dezelfde Kolokotronis die tijdens de Griekse onafhankelijkheidsoorlog zijn hoofdkwartier in (oud) Kardamíli heeft. Dourakis besloot hem te bedriegen en hem uit te leveren aan de Turken.
Dourakis liet opium in de wijn van Kolokotronis stoppen. De broer van Dourakis waarschuwde Kolokotronis voor de valstrik en die slaagde erin te vluchten naar Kastanítsa, aan de andere kant van de bergen.
Wij wandelen door de smalle straatjes van het rustieke dorp, waar de tijd stil lijkt stil te staan. We zijn op zoek naar een aantal kerkjes. Bovenin het dorp vinden we Agios Petros. De originele kerk dateert uit de elfde eeuw.
De deur van de kerk is op slot. De sleutel ligt in een gat in de muur, zodat we toch naar binnen kunnen. De kerk bevat veel fresco’s. De oude ikonostase dateert uit de achttiende eeuw.
We lopen door naar de andere kant van het dorp. Daar is inderdaad bij het kafeinion voldoende parkeerruimte. Het kafeinion zelf is gesloten en wordt vermoedelijk opgeknapt. Gemoderniseerd, want een kafeinion is niet meer van deze tijd. In de nabijheid is veel stromend water. Uit een bron, of wordt het opgepompt voor de dieren. Ik vermoed het laatste en durf dus mijn lege fles niet te vullen.
We zakken hierna af naar de Agios Nikolaos met zijn fraaie fresco’s. Iets verderop staat de Panagiakerk.
Twee bij drie meter. Naast de kerk hangt een vrouw haar kleden over een bank. Binnen zijn Byzantijnse tekeningen te zien. Net voorbij het dorpsplein staat nog een Agios Nikolaos, slechts iets groter dan de Panagiakerk. Wij laten het echter hierbij. Gaan terug naar de auto.
We zoeken het strand op. ‘Ons’ plekje is bezet.
Dus een plaatsje dat minder beschut is. Er staat een stevige bries. Het water is afgekoeld. De zee duwt. En de zee trekt. Toch durf ik me in het diepe van de zee te vertonen. Wat een lef. Tineke houdt het snel voor gezien. Eenmaal gewend aan de watertemperatuur lat ik me drijven. En na enige tijd door Poseidon op het strand tillen. Daar heeft hij een flinke klus aan. Toch moet ik wel, want de golfslag is aan de kust sterk. En op de ronde stenen heb ik geen houvast. Wordt omver geduwd. Maar Poseidon is mij ter wille. Steeds een stukje verder tilt de god van de zee mij. Tot ik op het veilige strand ben aanbeland.
Afdrogen, aankleden en vertrekken. Geen uitgebreid zonnebad voor ons vandaag. Daarvoor is het ook te fris. De bewolking neem toe en op weg naar Stoúpa vallen al snel de eerste druppels. We zetten door, parkeren de auto in de buurt van de school en bezoeken het internetcafé voor een mailtje naar het thuisfront.
We hebben nu meer tijd en Tineke leest nog even mijn eerste bericht aan de vakantievolgers. We lezen op ons gemak de antwoorden en zetten ons aan het schrijven. Nu iets rustiger en met beduidend minder schrijffouten. Leg het begrip kamikaze drie keer Raema uit.
Het is ondertussen droog geworden. Niet iedereen in Stoúpa heeft tijdens de regenbui het strand verlaten.
Echte volhouders. Dat ben ik niet. Wij rijden terug naar Várdia. De zwemspullen worden uitgespoeld voor Tineke de Astra terugbrengt. Bijna hollend komt ze de trap weer op. Zij wel. Ik zit dan aan de Buckler. Uit blik. Die in Nederland bijna besmette naam bestaat nog steeds en wordt hier in Griekenland, in Athene, gebrouwen.
Bij Charílaos gaan we eten. Vooraf nemen we een choriatiki en daarna volgt een vleesmaaltijd. Tineke kiest voor de pork in wijn gestoofd. Mijn pork komt van de grill. En ik bestel Messina. Messina? Ja inderdaad, een Grieks bier. Ontdekt tijdens ons vorige bezoek aan dit restaurant. Een nieuw bier afkomstig van een kleine brouwerij, die dit jaar is geopend. Na het eten krijgen we een glaasje drinken van het huis.
Voor de kust drijft een vissersboot. Eenzaam op zoek naar zijn vriendjes. Die vindt hij als hij puffend de haven binnenkomt. Zelf puf ik iets harder. Bij het beklimmen van de 163 treden naar Várdia. Het lijkt wel of het er iedere dag meer worden. Vermoeid val ik snel in slaap.
Dinsdag 19 mei 2009
Twee kleine wit voor het ontbijt en voor de middag en een bruin voor morgenochtend. Dat neem ik mee bij de bakker vandaan. Op de terugweg zet ik nog wat citroenen op de foto.
En kom de eigenaresse van de supermarkt en Várdia tegen als ik de trap op puf. Ze heeft net lente-ui geplukt. Groeit hier gewoon in het wild. Van haar hoor ik dat de grotten naast de groentetuin niet zo heel diep zijn. Niet zoveel voorstellen. Nee, het is niet iets dat met Pollux en Castor te maken heeft.Na het ontbijt gaat Tineke nog even trainen.
Weer iets verder, weer iets langer. Aan het begin van de middag stelt zij voor om er nog even op uit te trekken. Naar Kastánia. De tijd dringt dus snel op pad. Voorlopig de laatste keer met deze metalic grijze Astra. Vanavond moet de auto weer worden ingeleverd.Tineke stuurt de kamikaze vaardig de heuvels in, boven Stoúpa. Kronkelend langs Neochóri. Verder stijgend langs Pírgos. Langs de kant van de weg ligt een das. Geen shawl. Zo’n dier, een asvos. Geveld door het verkeer. Bij de afslag naar Saïdóna gaan we rechtdoor naar Kastánia. Het oude kerkje Aghios Ioanis, gebouwd in het begin van de Byzantijnse tijd, verwelkomt de bezoekers. Ons wordt aangeraden om aan het begin van het dorp te parkeren. Een tweede mogelijkheid is nog aan het eind van het dorp bij een taveerne.
Een probleem is alleen dat wij aan het begin van het dorp op een veldje een bordje zien staan, dat parkeren hier niet is toegestaan. En doen we dat wel, dan zul je altijd zien dat er juist nu een bonnenuitschrijvende agent langs komt, die maar dolgraag een kamikaze aan een bekeuring helpt zodat hij zijn quotum voor die dag weer heeft gehaald.
Iets verderop langs de kant van de weg vindt Tineke gelukkig een plekje, die bovendien geen aanslag op de handrem oplevert. Nog een bof; we zijn bijna bij het plein dat wordt gedomineerd door twee kafeinions, de kerk Koimesios tis Theotokou en de Dourakistoren, die zijn beste tijd wel heeft gehad en wacht op renovatie.
In dit gebied heerste Konstantos Dourakis, die alles deed voor geld. Het verhaal gaat dat Theodoros Kolokotronis, wiens dochter was getrouwd met de zoon van Dourakis, om hulp aanklopte in Kastánia. Het is overigens dezelfde Kolokotronis die tijdens de Griekse onafhankelijkheidsoorlog zijn hoofdkwartier in (oud) Kardamíli heeft. Dourakis besloot hem te bedriegen en hem uit te leveren aan de Turken.
Dourakis liet opium in de wijn van Kolokotronis stoppen. De broer van Dourakis waarschuwde Kolokotronis voor de valstrik en die slaagde erin te vluchten naar Kastanítsa, aan de andere kant van de bergen.
Wij wandelen door de smalle straatjes van het rustieke dorp, waar de tijd stil lijkt stil te staan. We zijn op zoek naar een aantal kerkjes. Bovenin het dorp vinden we Agios Petros. De originele kerk dateert uit de elfde eeuw.
De deur van de kerk is op slot. De sleutel ligt in een gat in de muur, zodat we toch naar binnen kunnen. De kerk bevat veel fresco’s. De oude ikonostase dateert uit de achttiende eeuw.We lopen door naar de andere kant van het dorp. Daar is inderdaad bij het kafeinion voldoende parkeerruimte. Het kafeinion zelf is gesloten en wordt vermoedelijk opgeknapt. Gemoderniseerd, want een kafeinion is niet meer van deze tijd. In de nabijheid is veel stromend water. Uit een bron, of wordt het opgepompt voor de dieren. Ik vermoed het laatste en durf dus mijn lege fles niet te vullen.
We zakken hierna af naar de Agios Nikolaos met zijn fraaie fresco’s. Iets verderop staat de Panagiakerk.
Twee bij drie meter. Naast de kerk hangt een vrouw haar kleden over een bank. Binnen zijn Byzantijnse tekeningen te zien. Net voorbij het dorpsplein staat nog een Agios Nikolaos, slechts iets groter dan de Panagiakerk. Wij laten het echter hierbij. Gaan terug naar de auto.We zoeken het strand op. ‘Ons’ plekje is bezet.
Dus een plaatsje dat minder beschut is. Er staat een stevige bries. Het water is afgekoeld. De zee duwt. En de zee trekt. Toch durf ik me in het diepe van de zee te vertonen. Wat een lef. Tineke houdt het snel voor gezien. Eenmaal gewend aan de watertemperatuur lat ik me drijven. En na enige tijd door Poseidon op het strand tillen. Daar heeft hij een flinke klus aan. Toch moet ik wel, want de golfslag is aan de kust sterk. En op de ronde stenen heb ik geen houvast. Wordt omver geduwd. Maar Poseidon is mij ter wille. Steeds een stukje verder tilt de god van de zee mij. Tot ik op het veilige strand ben aanbeland.
Afdrogen, aankleden en vertrekken. Geen uitgebreid zonnebad voor ons vandaag. Daarvoor is het ook te fris. De bewolking neem toe en op weg naar Stoúpa vallen al snel de eerste druppels. We zetten door, parkeren de auto in de buurt van de school en bezoeken het internetcafé voor een mailtje naar het thuisfront.We hebben nu meer tijd en Tineke leest nog even mijn eerste bericht aan de vakantievolgers. We lezen op ons gemak de antwoorden en zetten ons aan het schrijven. Nu iets rustiger en met beduidend minder schrijffouten. Leg het begrip kamikaze drie keer Raema uit.
Het is ondertussen droog geworden. Niet iedereen in Stoúpa heeft tijdens de regenbui het strand verlaten.
Echte volhouders. Dat ben ik niet. Wij rijden terug naar Várdia. De zwemspullen worden uitgespoeld voor Tineke de Astra terugbrengt. Bijna hollend komt ze de trap weer op. Zij wel. Ik zit dan aan de Buckler. Uit blik. Die in Nederland bijna besmette naam bestaat nog steeds en wordt hier in Griekenland, in Athene, gebrouwen.Bij Charílaos gaan we eten. Vooraf nemen we een choriatiki en daarna volgt een vleesmaaltijd. Tineke kiest voor de pork in wijn gestoofd. Mijn pork komt van de grill. En ik bestel Messina. Messina? Ja inderdaad, een Grieks bier. Ontdekt tijdens ons vorige bezoek aan dit restaurant. Een nieuw bier afkomstig van een kleine brouwerij, die dit jaar is geopend. Na het eten krijgen we een glaasje drinken van het huis.
Voor de kust drijft een vissersboot. Eenzaam op zoek naar zijn vriendjes. Die vindt hij als hij puffend de haven binnenkomt. Zelf puf ik iets harder. Bij het beklimmen van de 163 treden naar Várdia. Het lijkt wel of het er iedere dag meer worden. Vermoeid val ik snel in slaap.
De meeste mensen maken de overstap vanaf een van de Italiaanse havens aan de oostkust naar Igoumenitsa in Epiros of naar Patras, in het noordwesten van de Pelopónnesos.
Ja, je kunt op de kust kijken. Maar de grote oude vuilnisbelt voor mijn neus haalt de sfeer flink naar beneden. Een zwartkopje duikt op, maar laat zich niet meer zien zodra ik mijn fototoestel pak.
Uiteindelijk arriveren we aan de oostkust van de Máni. In Gýthio, een bruisende havenplaats met een veerverbinding naar Kretha en Kýthira. Lange tijd is dit niet meer dan een onbetekenend dorp. Pas halverwege de negentiende eeuw komt het echt tot ontwikkeling.
De kantelen van dit gebouw, waarin nu een museum zit, steken net boven de bomen uit. In het museum kunnen mensen met liefde voor architectuur of lectuur terecht. Lectuur van auteurs die over de Máni hebben geschreven. In de mythologie wordt dit (schier)eiland ook al genoemd. Als Kranai. Het is de plaats waar de Trojaan Paris de eerste nacht doorbrengt met de mooie Helena, de geschaakte echtgenote van Menelaos uit Sparta.
In Gýthio hebben ooit tempels gestaan van Demeter en Athene. Bovendien standbeelden voor Hermes en Apollo. Verder wordt er gezegd dat het ontstaan van dit dorp te danken is aan het beëindigen van een strijd tussen Heracles en Apollo.
Net als Kardamíli is ook Gýthio door Sparta gebruikt als haven. Tijdens de Romeinse tijd kent de stad een ongekende bloei, maar een paar eeuwen later is alles over en voorbij en wordt het weer een dorp met niet meer dan ongeveer honderd woningen rond een grote kerk.
Langs Lakonikós Kolpos (Lakonische Golf) wemelt het van de eet- en drinkgelegenheden. Zo rond het middaguur valt het niet mee om een passende parkeerplaats te vinden. Dat lukt pas aan het eind van de baai, of haven. Het is maar hoe je er naar wil kijken. Het is in ieder geval ver voorbij de plek waar de vissersbootjes aanmeren. Omdat het tijd is voor een lunch zoeken we een plekje langs de waterkant. Bij de vissersboten. Vissen verdringen zich langs de kade. Hier hoef je niet eens het water op te gaan voor een vol net. Naast ons hangen de armen van de inktvis te drogen in de zon.
Geen beschermende netten tegen vliegen. Geen speciale kastjes. Gewoon open en bloot aan een touwtje, zoals het al eeuwen gebeurt. Hier komt de wareninspectie niet langs. Of trekt men zich er niets van aan? Want dit trekt natuurlijk wel kijkers en zeker als een visser een octopussy heeft gevangen en in een plastic tas naar de wal brengt.
Ik zet de man met zijn trofee op de foto. Wij hebben dan onze maaltijd, die bestaat uit saganaki (gebakken kaas) en rode bietjes, net op.
Het dondert en bliksemt in de heuvels. We blijven gewoon op ons balkonnetje. En ik grijp de kans aan om weer vroeg onder de wol te gaan.
Uit de oudheid, de periode van de Griekse goden, is nauwelijks meer iets bewaard. Toch wordt Kardamíli al genoemd door Homerus, in de Ilias. Agamemnon, de bevelhebber van het Griekse leger, heeft tijdens de strijd bij Troje de toorn van Achilles over zich afgeroepen door Briseïs uit de tent van Achilles weg te voeren. Achilles weigert hierna nog aan de strijd deel te nemen. Agamemnon moet diep door het stof en biedt een schadevergoeding aan; nieuwe ketels, goudstaven, paarden, vrouwen van Lesbos, een van zijn dochters en zeven steden waaronder Kardamíli.
Een andere verwijzing is de zogenoemde Dioscouri-tombe van de tweeling Castor en Pollux. Maar in Kardamíli is niemand te vinden, die daarin gelooft. Wie er wel hebben gelegen?
Ook geen verwijzing naar de akropolis en dat hier ooit oude tempels hebben gestaan, waarop later, veel later, het oude Kardamíli is gebouwd. Het gaat om een versterking, een complex neergezet door de Troupakisfamilie, afkomstig uit Androuvítsa (Exochóri). Deze familie kiest voor deze locatie omdat het in de nabijheid van een haven is. Oorspronkelijk is het een groep mensen die uit Mýstras is vertrokken toen die stad in handen viel van de Turken. De vluchtelingen trekken diep het Taÿgetosgebergte in en verstoppen zich tenslotte in de holen rond Exochóri. In het lokale dialect betekent Troupo een hol. En daar dankt de familie haar naam aan.
Het huidige complex is in de zeventiende eeuw gebouwd en een eeuw later door ‘Kapitianios’ Panagotis Troupakis verder uitgebouwd. Zijn zoon Michalis wordt in 1779 de tweede Bey van de Máni. In 1782 wordt Michalis door de Turken onthoofd en zijn zoon Mourtzinos wordt hoofd van de familie. De vervolging treft ook Mourtzinos en hij vertrekt naar Zakynthos. Daar woont hij drie jaar.
Hij laat in 1808 de toren herbouwen, nadat hij amnesty heeft gekregen van de Turken.
Soldaten fungeren als de schaakstukken. Wie er heeft gewonnen? Dat vertellen de bewoners er niet bij.
Terug naar het geslacht Troupakis. De enige zoon van Mourtzinos, Dionysos, ontwikkelt zich tot een groot en heldhaftig strijder in de oorlog en wordt in 1830 minister van oorlog in de Griekse regering. De laatste familieleden zijn Maria en Evangelia Boukouvalea, zij schenken in 1967 het complex aan de staat. Met geld van de Europese gemeenschap en met staatsgeld wordt het complex gerestaureerd.
En er wordt een museum gebouwd.
Voor we naar oud Kardamíli lopen, maak ik Tatyana, de Roemeense schoonmaakster eerst een compliment met de prachtige tuin, waarin zij dagelijks aan het werk is. O kipos einai poly oraia. Als dank krijg ik een prachtige roos om te ruiken. Ik geef de roos door aan Tineke.
We hebben trek in een kop koffie en Tineke hunkert naar nieuws uit Nederland. Er is een zaterdagse Telegraaf met veel nieuws over de Toppers, die ook al Floppers zijn. Voor het vijfde achtereenvolgende jaar geen Nederlandse deelname aan de finale van het Eurovisiesongfestival. De voorpagina is er bijna volledig mee gevuld en binnenin doet dit blaadje het nog eens dunnetjes over. Of er niets anders is in de wereld. O ja, JP rijdt een etappe mee in een autorally. Dat is pas nieuws voor dé krant. En tenslotte nog wat geleuter over Brussel, waarbij de politiek haar eigen handen schoon was. Daar zitten we ook echt op te wachten. Inderdaad daarvoor ben je de grootste van Nederland. En wij slikken het allemaal.
Het lezen doe ik voornamelijk in Várdia. Het eerste katern neem ik door bij Lelás Taverne. Nee, een tosti is hier niet te krijgen. De bediening is onvriendelijk. We nemen alleen een frappé en als toetje een vleugje wind, die het papieren vod laat klapperen. We komen hier niet meer terug, ook niet ’s avonds om te eten.
Rusten, lezen, schrijven, slapen. Ik maak wat broodjes met tzatziki en Russische salade en drink een blikje Amstel Pulse. De tijd tikt door. ’s Avonds gaan we aan de kust eten, boven de haven bij Dióskouroi. Vooraf een choriatiki Máni. Tineke kiest verder voor een psari fournon (vis uit de oven) zonder patat maar met rijst en ik voor mouschari fournon (rundvlees uit de oven) met patat. Naast de Mánische salade (met stukjes brood en half gepureerde tomaten) wordt een bord patat neergezet. Er gaat meer mis. Tineke’s eten wordt gelukkig niet met patat, maar wel met aardappel geserveerd, terwijl mijn patatas rijst worden. Ja, je moet er maar op komen.
Als toegift nog een vreselijk zoet drankje. Omdat ik mijn halve liter nog niet op heb, drinkt Tineke mijn glaasje leeg. Ik ben haar dankbaar voor het zoetmakertje en loop als zoenoffer niet over de trap maar over de weg naar boven. Een hele kluif. Veel zwaarder nog dan het traplopen. Voor elven lig ik al weer plat.
Maak nog maar eens wat foto’s. Onder andere van ons vakantiecomplex op de terugweg naar boven. Daarbij merk ik dat ik ons balkon een verkeerde plaats in het gebouw hebben gegeven. We zitten op de hoek en niet ergens in het midden. Een inschattingsfout, maar erg? Nee hoor! Gewoon gebrek aan scherpte!
Petje af. Ze frist zich op en daarna gaan we naar Kámbos, dat hier op een plateau ligt. Tussen Kalamáta en Kardamíli. Onderweg worden we ingehaald door een racende motorrijder. Hij staat iets verderop langs de kant van de weg. Waarvoor al die moeite vraag ik me af. Nou gewoon. Hij is de voorhoede van een heel peloton motorrijders. Niet veel later hangt er een heel sliert aan het bevallige kontje van de kamikaze. En passeren. Daar waar het kan. Niet onverantwoord. Ze geven elkaar ook tekens dat de weg vrij is.
De stilte daalt over ons neer. Doodstil. We rijden door Stavropígi. En daarna zijn we ook zo door onze eindbestemming heen. Dus keren. Getoeter achter ons als Tineke een plekje langs de kant van de weg zoekt. Ze is niet tevreden met de plaats achter een andere auto en weer de andere kant op. Aan het eind van het dorpje slaan we een zijstraatje in. Daar is het rustig en vindt de Astra zijn voorlopige rustplaats. Een goede keuze.
De deur staat uitnodigend open zodat we kunnen genieten van de prachtige oude wandschilderingen, waarvan er een aantal gerelateerd zijn aan Psalmen. Ook de oude houten ikonostase uit de achttiende eeuw is de moeite waard. Het deelt het heiligste gedeelte van de kerk in drie secties.
De grote veel nieuwere kerk wordt binnen gerestaureerd. Een man doet de kerk voor ons open. Engels spreekt hij nauwelijks. Van Tineke mag ik in de kerk niet fotograferen. Daar houd ik me lang niet altijd aan, maar ditmaal voldoe ik aan haar opdracht. Aan de buitenmuur hangen schilden met namen. Het veelzeggende gebaar van duim en wijsvinger – door de Griek – leert mij dat het de sponsors van de kerk zijn. De mensen die de bouw van de kerk mogelijk hebben gemaakt.
Tineke heeft ergens het jaartal 1969 gezien. Allemaal heel nieuw dus.
Voor de frappé hoef ik slechts twee euro te betalen. Niet per glas, maar in totaal. Waar kom je die prijzen tegenwoordig nog tegen. En de rest is zoals gezegd helemaal gratis. En ik accepteer dat want anders beledig je de gulle gever. Het is zoals bij een rondje. Ook die neem je aan, waarna je niet meteen zelf een rondje geeft. Dat hoort niet.
Tineke loopt dapper mee, maar geeft op als we in de olijfboomgaard komen. Ik ook, want het vervolg lijkt nergens op. Tot ik bij het begin van de olijfboomgaard een begaanbaar paadje omhoog vind. Dat pad wil ik nog wel even uitproberen. Tineke blijft beneden. En niet veel later sta ik bij de burcht van de familie Koumoundouros.
De toren was ooit een windmolen. Naast de toren het witte beeld van Alexandros Koumoundouros, een van de belangrijkste mensen uit de Máni. Tienmaal is hij minister-president. De Turken stellen hem aan als Bey als vervanger van Antonbey Grigorakis, die aan de zijde van de Mánioten tegen de Turken vocht. Grigorakis raakt daarbij gewond en wordt verborgen gehouden in de toren van Koumoundouros en vlucht vervolgens (vermoedelijk via een tunnel) naar het Zarnatafort dat hoog uittorent boven Kambos en Stavropígi. De Turken nemen Koumoundouros als straf gevangen, vervoeren hem naar Constantinopel, waar hij in 1834 sterft.
De Myceense tombe naast de toren is voor een deel ingestort en uit veiligheidsoverwegingen staat er nu een hek om. Hebben we daar al die moeite voor gedaan. Ja, ik vind het gewoon leuk om te doen. Ook als de missie niet helemaal slaagt. En Tineke? Die volgt soms wel en soms niet.
Vreemd. Is dat een overblijfsel van de chemische rotzooi waarmee branden zijn bestreden? Of is het gewoon de natuur? Ik heb het aan een aantal mensen gevraagd, maar niemand heeft mij het antwoord gegeven.
We maken een wandeling en nuttigen onze middagmaaltijd, die opnieuw uit brood met tomaat bestaat. Bij het kafeinion zitten allemaal mannen, zoals het in Griekenland in veel plaatsen nog steeds gaat. En dat ene kind dan? Dat is een jongetje. Een man in de dop. De mannen zitten allemaal achter een glas bier. Het jongetje heeft net een bekertje ijs leeg gelepeld.
Ik zet de kerk nog snel op de foto en dan naar, rechts. Niet veel later zitten we op de doorgaande weg naar Kardamíli. Het is mooi genoeg geweest voor vandaag. Op naar Várdia. Tineke wil de verkeerde afslag nemen in het dorp. ‘Is me vanmorgen bij het hardlopen ook al overkomen’, zegt ze.
Er is geen luxe kaart, maar het is voldoende voor ons. De tzatziki, die we vooraf nemen in combinatie met de koude dunne plakjes biet, smaakt prima. De worstjes voor Tineke zijn aan de zoute kant. Ik neem mpifteki. Van het huis verschijnen er appeltjes met honing als toetje. Het is nog geen tijd voor meloen.