5 januari 2018

Binkie doet zijn opa’s een plezier


Woensdag 3 januari 2018

‘Mijn opa’s, mijn opa’s, mijn opa’s, en niemand zo aardig als zij. Mijn oude opa’s’, zing ik.
‘Hé Gianny, een beetje meer respect voor ons asjeblieft’, zegt Opa IJsbeer.
Ik vind dat wel een beetje raar, wat vinden jullie. Want dit is toch hartstikke aardig. En ik doe nog zo mijn best, neem die twee oude mannen mee zodat ze niet de gehele dag achter de geraniums zitten. En zeker vandaag niet, want er is storm verwacht in Nederland. Vooral aan de kust. Daarom gaan wij de andere kant op, naar Limburg. Daar heb je de minste last van de wind. Kunnen die twee oude mannen ook niet wegwaaien.
‘Binkie, nou doe je het weer. Wij zijn niet oud’, roept Opa van de bootjes.
Afgelopen nacht heb ik bij Opa IJsbeer en Mamoe gelogeerd. Opa heeft een toverbroodje voor mij gemaakt en daarna zijn we naar de bushalte gewandeld. Onderweg begroet opa, Henk, zijn broer die zijn licht over de Faunabuurt laat schijnen.
Op het treinstation in Almere Stad staat mijn andere opa, Herman, op ons te wachten. Ik moet eerst nog even een railrunner op mijn OV-kaart zetten en ook Opa IJsbeer moet nog iets ingewikkelds doen zodat hij de gehele dag gratis met de trein kan reizen. Voor Opa van de bootjes heb ik een meereisticket zodat die ook meekan. Maar we mogen pas na negenen met de trein mee. Dat komt goed uit, want dan hoeven die twee oude mannen zich niet te haasten.
Eerst rijden we de andere kant op. Naar Amsterdam. Dat gaat lekker vlot. In twintig minuten zijn we in de hoofdstad, zonder onderweg te stoppen. Wat een service van de Nederlandse Spoorwegen. Mij hoor je echt niet mopperen, in tegenstelling tot het gros van de Nederlanders die vindt dat de treinen nooit op tijd rijden. Nou deze trein wel en de volgende ook, die brengt ons naar Limburg. Dan ben ik in alle provincies van ons land geweest met Opa IJsbeer. We treinen langs Breukelen, waar de stoptreinen eventjes niet kunnen rijden omdat er een boom op de rails is gevallen. Of dat de schuld is van de NS. Volgens mij niet.
Voor mij is zo’n uitje met de trein hard werken. Op ieder station waar we stoppen moet ik een foto maken van de naam van dat station, want anders gelooft niemand dat ik daar ben geweest. En denk niet dat zoiets vanzelf gaat, want door de ramen fotograferen is heel lastig, want dan zie je bijna altijd een spiegeling. Dus meestal moet ik de trein uit. Een enkele keer is daar alle tijd voor. Dan staat de trein een paar minuten stil. Maar er zijn momenten…  dan is het rennen omdat ons treinstel niet bij het bordje van dat station stopt. En ik moet er niet aan denken wat er gebeurt als de trein zonder mij vertrekt, dan schieten die opa’s meteen in de stress.
Gelukkig gaat alles goed. We rijden over de grote rivieren naar het zuiden, pal langs het trainingscomplex van Eindhoven. Wat een luie voetballers zeg, die zijn helemaal niet aan het trainen. En dat stadion… ik maak er een foto van voor het nageslacht maar eigenlijk is het zonde van de tijd die ik hieraan besteed.
In Limburg rijden we langs de vroegere Limburgse mouterij. Opa IJsbeer vertelt dat iedere brouwerij een eigen mouterij heeft. Maar dat is niet meer zo. Die tijd is voorbij. In een mouterij wordt van diverse soorten granen mout gemaakt. Door water aan de granen toe te voegen ontkiemen ze en daarna worden de granen gedroogd. Zo krijg je onder andere de gerstemout en tarwemout, die bij het bierbrouwen worden gebruikt. Maar ook voor whisky wordt mout gebruikt en in speciale broden zit het ook. In ons land zijn nog een paar mouterijen actief, een staat er in Swalmen, in de buurt van Roermond en dat is een station waar wij langs komen. En die ik mis op de heenweg.
Om twaalf uur zijn we in Maastricht, de hoofdstad van Limburg met een mooi oud station. Niet zo heel groot, met zes perrons. Hier rijden treinen van de NS, Arriva en ook een trein naar België. Maar daar gaan we niet mee verder. Wij wandelen de stad in. Eerst naar de Sint Servaasbrug, over de Maas. Het water stroomt hier echt als een gek en vooral bij de pijlers van de brug. Daar moet je echt niet in het water komen, dan word je echt meegesleurd.
We komen via wat smalle straatjes bij het Stadhuis en de markt. Nou als dat een markt is? Slechts een paar wagens staan er en kraampjes zie ik al helemaal niet. ‘Komt door de storm’, zegt Opa van de bootjes. ‘In Almere gaat de markt vandaag helemaal niet door.’
Iets verderop ligt het Vrijthof, het plein van Maastricht, met allemaal terrasjes. Opa IJsbeer wil hier lunchen. Buiten op een terrasje. Die man is niet goed wijs. Gelukkig ben ik de Baas, samen met Opa van de bootjes en wij hebben toevallig geen ijsbeervelletje. Ik werk twee tosti’s naar binnen en mijn grootvaders zijn het met elkaar eens en kiezen voor een omelet.
Op de terugweg staat de brug omhoog omdat er een binnenvaartschip moet passeren. En die vaart hard met de stroom mee, zo hard dat die al voorbij is als ik hem op de foto wil zetten.
Wij kunnen aan de zijkant van de brug gek genoeg gewoon oversteken. Dat gedeelte ligt iets hoger. Zoiets heb ik nog nooit eerder gezien.
Vlak voor het station moet Gusto nog even een plasje doen. Hij vraagt heel vriendelijk aan de Wiekeneer of die dat erg vindt. Maar die meneer is heel onbeleefd en zegt niets terug. Opa van de bootjes vindt dat Gusto dan maar gewoon zijn pootje moet optillen. Dat vind ik weer een beetje gek. Als Gusto dat nou eens tegen zijn been gaat doen?
Op de terugweg nemen we het boemeltje naar Heerlen. Dat is een stoptrein, zodat ik weer heel wat te fotograferen heb. De opa’s hebben hier nog in een stoomtreintje gereden, maar dat is zo vervuilend dat die niet meer mag rijden. Het is wel mooi hier trouwens, met dat glooiende terrein. Je krijgt het er vanzelf warm van.
In Heerlen stappen we over op de trein naar Enkhuizen, daar ben ik ook nog nooit met de trein geweest. In die plaats rijdt in de zomer voor de toeristen nog wel een stoomtreintje. Maar zover komen wij niet, want die twee oude mannen beginnen toch te gapen. Die zijn erg moe geworden van al dat reizen. En ik… als ik heel eerlijk ben.
Maar goed, we gaan dus niet verder dan Amsterdam en nemen de stoptrein naar Almere. Gelukkig is het al donker zodat ik onderweg geen plaatjes hoef te schieten, want de borden zie je niet in het donker. In Almere lopen we naar het stadshart en gaan eten bij het Grieks restaurant Yamas. Proost zal ik maar zeggen.
We kiezen voor tapas, hoewel je dat hier niet moet zeggen, want in Griekenland kennen ze dat niet. Daar heet dat mezze of nog beter mezedes. Allemaal kleine hapjes. Gelukkig weet ik precies hoe dat werkt, per ronde schrijf ik op wat er op tafel gezet mag worden. Opa IJsbeer kiest voor de meest ingewikkelde gerechtjes en laat mij zo nu en dan proeven. Natuurlijk moet ik de schijn hoog houden en zeggen dat iets lekker is. En eerlijk waar, hij heeft nog gelijk ook. Vooral de loukaniko is om te smullen. Opa van de bootjes geniet er ook van en zegt wel honderd keer dat hij vandaag een topdag heeft.
Jammer alleen dat er een keer een einde aan moet komen. En jammer ook dat het begint te regenen. Bij de bushalte van het Stadhuisplein nemen we afscheid. Als eerste buschauffeur van Almere is Opa van de bootjes gewend om alleen met de bus te rijden, dus hij gaat alleen naar Almere Haven en ik neem Opa IJsbeer nog even onder mijn hoede naar de Faunabuurt, waar Mamoe al vol ongeduld op ons zit te wachten en nieuwsgierig is naar onze belevenissen.
Opa’s doen we het nog een keertje over?

19 december 2017

Een Artis-pas voor Beertje


Maandag 18 december 2017



De badkamer van Opa IJsbeer wordt verbouwd en daardoor is het al weken rommelig in het huis van hem en Mamoe. Als zijn jongste kleinkind kom ik daar regelmatig voor het oppassen. En om opa een keer te ontzien heb ik hem uitgenodigd om met mij naar Amsterdam te gaan, voor een dagje naar de dierentuin. Dat hoef ik geen twee keer voor te stellen, want dat idee wordt met een volle glimlach en open armen begroet.

Mama zorgt voor wat extra kleding voor mij en opa neemt drinken, koeken en een vochtig washandje mee, en hup dan gaan we lopend naar de bushalte van de Faunabuurt, waar Opa IJsbeer eerst incheckt voor we in de nieuwe bus stappen. In die bus zit een verhoogde zitting zodat ik heerlijk naar buiten kan kijken op weg naar het treinstation, want behalve met de bus rijden we ook met de trein naar Amsterdam. Toch heb ik in de bus geen oog voor wat er buiten te zien valt en vraag wel tienmaal ‘waar is oma nou?’ Onderweg in de trein zie ik schaapjes in de weilanden van het Naardermeer staan, maar geen koeien. ‘Die zijn allemaal op stal gezet vanwege het weer, de kou en de sneeuw van vorige week’, zegt een mevrouw in de trein. Ze klept maar door, ook als ik iets aan mijn opa wil vragen.

In Amsterdam stappen we over op tram 9, die net komt aanrijden. Er gaan niet veel mensen mee, zodat we niet hoeven zoeken naar een plaatsje in de tram. Vlak voor de Dam stoppen we recht voor de Bijenkorf, een grote winkel met mooie etalages. In die etalages staan veel witte kerstbomen en er is zelfs een etalage met een ijsbeer, nee wel drie ijsberen waarvan twee aangekleed. Voor Opa IJsbeer is de dag al geslaagd, voor mij niet veel later ook.

Bij Artis is het heel rustig. Meestal kunnen we zo doorlopen, omdat opa een abonnement heeft, maar nu moeten we eerst naar de kassa. Eerder dit jaar ben ik twee geworden en daarom krijg ik mijn eigen Artis-pasje, zodat ik altijd ‘gratis’ naar binnen mag. Er wordt een foto van mij gemaakt en die wordt op de achterkant van een krokodil gezet.
Wel een beetje raar eigenlijk, een pasje van zo’n gevaarlijk beest dat ieder moment zijn grote tanden in mijn bil dreigt te zetten. Over dat idee zet ik mij snel heen en laat trots mijn pasje zien bij de ingang, waarna we via de kamelen doorlopen naar het vogelhuis.

Hier zit niet alleen een leguaan verstopt, maar is ook de dwergoeistiti, de kleinste apensoort van de wereld, te zien. Aan het plafond hangt een vleerhond en op een tak kijkt een witgezichtsaki mij aan. Ik kijk gewoon terug en zwaai naar hem. Of is het een zij? Doet er ook niet toe, want er wordt niet teruggezwaaid.

Op weg naar de olifanten in hun nieuwe verblijf komen we langs het Kerberterras, vernoemd naar een vroegere directeur van Artis. Dit terras is het domein van de leeuwen. Het mannetje heeft zich verstopt achter zijn twee vrouwtjes en komt een keer overeind om heel nadrukkelijk te geeuwen. Dat werkt aanstekelijk want ook de twee wijfjes gaan geeuwen. Best onfatsoenlijk van ze want ze doen niet eens een pootje voor hun bek. Dat moet ik wel van mijn mama, ook wanneer ik hoest doe ik netjes een hand voor mijn mond, hoewel Opa IJsbeer me daar nog vaak aan moet herinneren.

Omdat er verder geen beweging is, stel ik voor verder te gaan naar de Aziatische olifanten, die wil ik wel weer eens van dichterbij bekijken. In juni zijn Opa IJsbeer en ik ook al eens hier geweest en toen ging het babyolifantje bij haar moeder drinken. Ik ben echt benieuwd of zij al is gegroeid. Nou dat is zo, ze is nu ruim een jaar en kan met haar slurf al takjes breken. Haar vader en moeder doen voor hoe dat moet en zij laat zich echt gelden.

Als we naar de olifanten kijken, komen er twee eenden aanzwemmen. Een van de eenden is wel heel brutaal en komt mij gedag zeggen. ‘Je mag wel oppassen dat de eend je niet in je neus bijt Daeley’, waarschuwt opa mij. Ik zeg nog ‘kwaak kwaak’ tegen de eend, maar die zegt niets terug en wil over het randje klimmen. Dat lijkt ons geen goed idee en daarom lopen wij maar verder.

Terwijl ik sta te genieten van enkele pauwen die over de grond scharrelen in een kooi schrik ik van het klapwieken van een vale gier. Dat is een hele grote vogel, die vooral profiteert van dode dieren en mensen, en die opeet. Opa zegt dat ik niet bang hoef te zijn, omdat het een hele grote vogel is en geen halve, want die halve zijn pas echt eng. Van de giraffen kan ik dat niet zeggen met hun ‘hele’ (lekker puh met je flauwe grapjes) lange nekken. Daardoor kunnen ze blaadjes uit de toppen van de bomen eten.

Samen met opa eet ik een broodje kaas, zelf krijg ik trouwens een tosti, en drinken we appelsap en sinaasappelsap. En ik mag ook de speeltuin nog in. Daar is maar een handjevol kinderen, die glijden en wippen.

In de tuin schrik ik vaak van vlinders als ze rakelings over mij heen vlinderen, maar hier vind ik ze wel mooi. ‘Alleen kijken opa, aanraken mag niet’, zeg ik nog tegen Opa IJsbeer als die zijn hand uitsteekt.
Vlinders kunnen zo lang onbeweeglijk blijven zitten en ik zie dat ze gek zijn op fruit. Overal zijn plekjes ingericht met stukjes kiwi, banaan en sinaasappel en daar gaan ze dan op zitten. Ik zie ook dat als de vleugels van de vlinder open staan, ze er heel anders uitzien dan met dichte vleugel, anders getekend zijn en anders gekleurd. Zo geinig. Wat ik wel gek vind is dat het in deze ruimte zo warm is, zo warm dat ik geen jas nodig heb. Buiten is het echter een stuk frisser dus die jas moet aanblijven en mijn muts mag niet af.

We kijken nog even bij de zeeleeuwen, die heel hard zwemmen en roepen, en de mandril met zijn rode billen. Voor Mamoe gaan we naar de pinguïns. Eentje is aan het oefen voor het circus en blijft maar met de vleugels slaan en rondjes draaien in het water. Zo grappig. Ik mis eigenlijk alleen zijn rode clownsneus.

De vorige keer zijn we niet in het aquarium geweest, daar gaan we nu wel heen. De gracht is vernieuwd en daar zitten heel grote vissen in. Ik wil ook van bovenaf kijken, maar zie dan weinig. Ik heb nooit geweten dat er zoveel soorten vissen waren en ook mooie bloemen in het water groeien, met mooie slierten. Dat lijken net armpjes.

De zeepaardjes zijn de favorieten van Opa IJsbeer. Niet van mij dus, snel weer verder.

Naar de haaien en een blauwe kreeft. Wat is er toch veel te zien hier. Jammer alleen dat er zoveel grote kinderen voor de ramen zitten, die alles opschrijven in een schriftje.
Nou opa binnenkort maar weer eens gaan of samen met oma, want er is nog veel wat we niet hebben gezien. Zoals de wolven en de aapjes. Die zien we nog even op de terugweg, naar de uitgang. Een jonger aapje wil tikkertje doen en verstoppertje, maar laat zich steeds weer uittikken. Dat schiet ook niet op.

In de Artis-winkel koopt Opa IJsbeer nog een knuffel voor mij. Met Wolfje in mijn armen gaan we terug naar Almere en de Faunabuurt. Eerst met de tram, dan met de trein en tenslotte met de bus.
Tijdens het laatste stukje naar huis laat ik Wolfje vallen. Een mevrouw met een kindje ziet dat en roept ons. Toch wel blij dat er nog lieve, eerlijke mensen zijn die ook van dieren en knuffels houden.

   

19 juli 2017

Geen enkele traan

Mijn laatste bijdrage aan De Gooi en Eemlander, voor de columnrubriek In 60 seconden. Geplaatst op 18 juli 2017

Nog eenmaal maak ik de wandeling van het huis van mijn opa, mijn geboortehuis aan de Kerkstraat in Huizen, naar de haven. De boom in de tuin is al jaren geleden geveld en het huis is nu een winkel.
Aan de hand van mijn opa sla ik linksaf de Verbindingsweg in. Met de geur van vis en hooi in de neus bereiken we via de Taandersdwarsweg de Havenstraat. Op de hoek van de Gooilandweg nemen we op het bankje een korte pauze. Mijn opa gebruikt de tijd om een pruim achter zijn kiezen te steken.
Na tien minuten gaan we verder langs gasfabriek, Balatum en brandweerkazerne met zijn oude ladderwagen. Voor ons staat de textielfabriek. Allemaal weg, nou ja allemaal, de Balatum heet nu BNI en staat niet meer strak langs de Havenstraat. Tegenover De Driehoek, waar mijn vader een karretje met aardewerk in de oven duwt, liggen enkele botters in de haven. Mijn opa kent de vissers en koopt voor we naar huis terugwandelen op een boot een maaltje vis. Maar eerst lopen we de pier op. Hij houdt mij stevig vast.
Zonder zijn beschermende hand sta ik nu alleen op de pier. De nieuwe pier. De oude pier ligt aan de andere kant van het water. Hoeveel huilende vrouwen zouden daar hebben gestaan? Ik draai me om en neem zonder traan afscheid.

19 juni 2017

Daeley gaat op reis met Opa IJsbeer

Maandag 19 juni 2017

Mama Raema heeft wat kleren van mij bij zich als ze mij naar Opa IJsbeer en Mamoe brengt. Dat betekent vast logeren en dat wil ik niet. Hoe lief mijn grootouders ook zijn het liefste slaap ik in mijn eigen nieuwe bed of op de camping in Beilen waar we gisteren nog waren. Mijn mama loslaten is er niet bij en natuurlijk wordt er door mij een act uitgevoerd, een goed regisseur had mij meteen voor de hoofdrol gevraagd als hij dat had meegemaakt. Schreeuwen, huilen als mama toch zonder mij vertrekt. Mamoe neemt me mee naar de keuken en dan zwaaien we Raema uit.
In de armen van Mamoe ben ik al snel stil en word nog stiller als mijn opa mijn kleren in een tas doet. Gaan we naar de camping, juich ik vanbinnen. Dat vragen lukt me nog niet, want daarvoor ben ik nog te jong. Er zijn wel woordjes als opa en papa, maar mama en oma weiger ik te zeggen. Vorige week gaf mijn oma mij nog een ijsbeertje als knuffel en dat is Kiki. In de tas verdwijnen ook luiers, een washandje, zalf, een handdoek, crunchy’s, krentenbollen en pakjes drinken. Onderin de tas stopt opa nog een fototoestel. Wat sleept een mens toch allemaal mee.
‘Beertje, we gaan naar Artis’, zegt mijn opa. Beertje, zo noemt hij mij vaak, maar eigenlijk heet ik Daeley en mijn broer heet geen Boefje maar Yari. Voor mij is Artis hetzelfde als Amerika of Limburg. Geen idee waar dat is of wat dat is. ‘En we gaan eerst met de bus.’ Dat zegt me wel iets.
De ‘us’ heb ik al vaak zien rijden. We rijden met de stadsbus naar Almere Stad en daar nemen we in het centrum de ‘ein’.
Ondanks dat er stakingen zijn aangekondigd rijdt die prima op tijd. Onderweg laat Opa IJsbeer mij schapen zien. ‘Aap, aap’, roep ik blij en even later ‘koe’, want die lopen er ook in de wei. In Weesp moeten we overstappen naar Amsterdam en daar nemen we de tram. Ook dat is voor mij nieuw, nog nooit eerder ben ik met de tram geweest.
Opa IJsbeer neemt mij stevig aan de hand en zo wandelen we naar de dierentuin, Artis dus. Opa heeft een pasje en mag zonder te betalen naar binnen. Voor mij hoeft hij nog niet te betalen en hij belooft me dat er later voor mij ook een pasje wordt gekocht, zodat ik wat vaker meekan, zonder dat er betaald hoeft te worden.
Om te voorkomen dat mijn kleine beentjes moe worden, leent opa een karretje en zo rijden we de dierentuin door. Het is heel mooi weer en daarom gaan we niet naar de binnenverblijven van de vogels en de slangen, maar zo’n eerste keer valt er genoeg te ontdekken, zegt Opa IJsbeer.
Om te beginnen bij de apen. Die hebben net voedsel gekregen en eten hun buikje vol. Niet iedereen heeft dat in de gaten en een jong aapje speelt en slingert heel wat af, terwijl twee oude apen aan elkaar zitten te plukken. Die houden vast heel veel van elkaar. ‘Ja’, zegt opa, ‘dat denk ik ook. En daarom vlooien ze elkaar. Zo noemen ze dit.’ Zo mijn eerste ding heb ik alweer geleerd hier in de dierentuin.
Daarna gaan we op zoek naar het nieuwe verblijf van de olifanten. Dat heeft Opa IJsbeer ook nog nooit gezien, dus dat is voor hem ook nieuw. Het duurt even voor we  de olifanten ontdekken. Er komen er twee voorbij, voorop een jonge olifant en daarachter een ‘koe, koe’.
‘Goed zo’, zegt Opa IJsbeer. ‘Een vrouwtjesolifant is een olifantenkoe’. Samen lopen ze naar binnen. Jammer.
Wij lopen verder en dan ineens gaat opa naar binnen. Daar staan de twee olifanten en het kindje drinkt bij zijn moeder. Zo lief.
Vlakbij staan de giraffen met hun lange nekken. Hier staan en zitten veel opa’s en oma’s te tekenen. We zijn al even bij Dikkertje Dap langs geweest, maar dat liedje ken ik nog niet. En Opa IJsbeer kan dat liedje toch niet zingen, dus was het ook niet erg dat we daar niet lang bij hebben stilgestaan.
Bij de walibi’s geeft opa mij een pakje drinken en even later komt er een eend met kuikentjes aangelopen. Nee, niet zomaar in mijn nekje gekropen, maar ze blijven netjes op het pad. Dat moeten alle kindjes in de dierentuin, die mogen niet zomaar in de struiken gaan rondwandelen en al helemaal niet met hun vingers door de spijlen van de hokken komen.
We zijn net op tijd voor de start van de zeeleeuwenshow. Daar zitten ook drie pelikanen bij met heel grote vleugels en een grote bek. Snavel noemt opa dat. Die zitten te pronken op de plaats van de zeeleeuwen en komen even later recht op mij af. We een beetje eng. Gelukkig plonsen ze zo maar in het water.
De verzorger laat de zeeleeuw brullen en kijkt of de zeeleeuw nog gezond is. Die geeft de verzorger en zijn hulpje een high five. Dat durf ik ook wel. Als beloning krijgt de zeeleeuw een visje. Daar doet hij wel heel veel voor, want vis vindt de zeeleeuw erg lekker.
Ook de hagedis en de grote schildpadden zijn al aan het eten. Die ene schildpad is wel heel groot. Zo groot en zwaar dat mijn papa Daniël hem echt niet kan optillen. En hele grote scherpe nagels heeft de schildpad. Hij eet broccoli, dat vindt mijn neefje Gianny ook zo lekker.
Voor Mamoe wandelt Opa IJsbeer nog even langs de pinguïns en we sluiten af bij de steenbokken, want opa ziet dat ik wel moe begin te worden. De jonge eendjes zijn ons achterna gewandeld en komen ook voorbij. Die ene steenbok boven het huis, die is gaaf joh. En er zijn ook drie kleintjes, vertelt een verzorger. Twee heb ik er kunnen ontdekken. Die kleine bokjes kunnen al heel goed klimmen. Bijna net zo goed als mijn broer.
Voor we naar huis gaan, met de tram, trein en de bus, krijg ik van Opa IJsbeer nog een knuffel. Niet zomaar een knuffel! Nee, een schildpadknuffel en die laat ik voorlopig niet meer los. Ook niet als de conducteur komt kijken of we wel hebben betaald. Zelfs voor het zwaaien, maak ik geen handje vrij.
Als we bij opa terug zijn, komt even later mijn mama. Om mij op te halen. En ja dan laat ik de knuffel wel los en mijn mama niet meer.