10 november 2014

Wandelen in het bos

Zondag 9 november 2014

Of ik wil gaan wandelen, in het bos. Nou dat lijkt me wel leuk, met papa en mama en Opa IJsbeer en Mamoe bij de Lage Vuursche. Het is wel jammer dat Mamoe uiteindelijk thuisblijft. Ze is moe en heeft het koud. Maar daardoor kan Chris mee en dat is ook wel weer leuk. En bovendien wil Chris mij wel een stukje dragen en dat kan Mamoe echt niet meer. Mij dragen.
Weet je wie er ook mee was? Mickey! Mama heeft die voor mij een tijdje gedragen. In haar tas, want die was ook mee.
Als we net op weg zijn met de auto wil mama eigenlijk ook wel bij Groeneveld wandelen. Dat heeft ze heel lang niet meer gedaan, zegt ze. Maar we hadden afgesproken dat we naar Lage Vuursche zouden gaan. En bij Groeneveld is het heel erg druk, dus laten we maar mooi doorgaan. Even verderop wordt mij ook duidelijk waarom mama liever naar Groeneveld wilde, zij weet de weg niet zo goed. En zo komen wij op een onverharde weg terecht en moet mama de auto langs plassen en gaten in de zandweg sturen. Voor ons rijdt een cabrio, een auto zonder dak, en die slingert al net zo erg als wij over het pad. Maar gelukkig weet opa de weg en komen we bij de Kuil van Drakensteyn. Het bos hier grenst aan het kasteel Drakenstein, waar onze vroegere koningin woont. De tuin is beveiligd met een zwaar zwart hek en overal staan camera’s ziet papa.
Die Kuil wordt ook gebruikt voor het houthakkersfeest en dan is er van alles te zien. Meneren die met kettingzagen mooie beelden zagen uit bomen, maar ook mannen die met een bijl een boom omhakken en soms zijn er demonstraties. Niet die met spandoeken en dat ze van alles maar roepen omdat ze ergens tegen zijn, nee een demonstratie waarbij ze iets laten zien, uit de natuur. Soms ook met honden. Ik zou wel een hondje willen hebben, maar ik ben bang dat zoiets niet zal gebeuren. Die moet uitgelaten worden. En wie gaat dat doen? Daar ben ik te klein voor.
Nou laten we dan maar gaan wandelen. Over smalle paadjes. Moet je wel uitkijken voor fietsers, want die rijden hier soms als gekken door het bos. En als je heel vriendelijk iets zegt, worden ze nog kwaad ook. Papa en Chris letten gelukkig goed op, zodat er geen fietser tegen mij aan kan rijden.
Toen wij van huis gingen heeft mama goed nagedacht en mij mijn laarzen aangetrokken. Nu kan ik lekker door de modder lopen en hoef niet bang te zijn dat mijn mooie schoenen vies worden. Opa wil niet door de modder en loopt er omheen. Nou ik wil klimmen op boomstronken en stampen in plassen dan word ik wel een beetje vies, maar daarvoor hebben we thuis toch een douche en een wasmachine.
Ik weet ook wel dat het huishouden gedaan moet worden en soms help ik mama. Hoe? Nou gewoon zo; zelfs met een mooie wandelstok kun je stofzuigen, of hockeyen of honkballen. Maar je kunt hem ook als wandelstok gebruiken zoals de herders doen als ze de schaapjes naar de hei brengen.
Over de hei gesproken. We hebben niet alleen in het bos gewandeld, maar Opa IJsbeer wist ook dat er een stukje hei is hier. Niet paars meer, maar dat geeft niet. De hei is nog steeds heel mooi. Ook met mooie bomen.
En er is zand, ook al zo mooi, daar kun je lekker tegen aanschoppen en over rennen. Naar beneden en weer omhoog. Gelukkig reden er hier geen fietsen, zodat ik niet hoefde opletten en gewoon kon spelen. Dat is toch ook wel het allermooiste. Een kind dat speelt en plezier maakt met alles wat er in de omgeving is te zien.
En dat is veel hoor. Sommige bomen zijn ziek en hebben stippen gekregen. Die worden nog een keer omgehakt, vertelt opa. Papa laat me ook een andere boom zien. Die is aan de onderkant bijna weggegeten. Papa gebruikt een ander woord, maar dat mag niet van mama. Omdat ik in de buurt ben. ‘Let je een beetje op bij wat je zegt’, zegt mama. ‘Er zijn kleine oortjes bij.’
Opa denkt er hetzelfde over. Weet je wat opa vroeger tegen mama zei, als ze een verkeerd woord gebruikte? ‘Ga je mond spoelen.’ Wat hij daarmee bedoelde weet ik ook niet, maar dat leer ik nog wel als ik groot ben.
Maar we hadden het over die zieke boom en ik vind dat er een dokter moet komen, om die boom weer beter te maken. Er zijn veel bomen ziek in het bos. De dokter zal wel veel werk hebben om die allemaal beter te maken.
Er zijn ook heel dikke bomen bij. Daar kan ik me lekker achter verstoppen. Dat doe ik samen met opa. Dan kunnen papa en mama en Chris ons lekker niet meer zien. Leuk joh. Verstoppertje spelen. Doe ik thuis ook wel. Dan kunnen ze me niet vinden. Kruip ik overal onder en achter.
Weet je wat ook leuk is. Om van de paadjes af te gaan en dan samen met opa tegen de blaadjes aan schoppen. Die vliegen allemaal in het rond. Maar wel voorzichtig, want er staan overal paddenstoelen. Sommige hebben dezelfde kleuren als de blaadjes, zodat je ze bijna niet kan zien. Maar opa ziet ze wel. Hij zegt dat ik er niet met mijn handjes aan mag komen. En als ik dat toch doe wordt hij bijna boos.

Maar opa blijft niet lang boos en leert mij om naar de paddenstoelen te kijken. Toch wel lief hoor. Je hebt ze in allerlei soorten. Zelfs witte en paarse. Die had opa ook nog nooit gezien. En sommige paddenstoelen zijn heel erg oud. Zo oud dat ze bijna van steen zijn.
Als ik moe begin te worden zijn we ook weer bijna bij de auto terug. Dat heeft opa toch maar weer mooi gedaan. Voor mij wordt het tijd om een dutje te doen. Op de terugweg. Ik heb niet eens in de gaten dat opa weer uitstapt. Geeft niet hoor. Morgen zie ik hem weer en dan krijgen hij en Mamoe een dikke knuffel.

3 november 2014

Friesland

Zondag 2 november 2014



Het bezoek, met Opa IJsbeer, aan de dinosaurusexpositie in het Natuurmuseum Fryslân in Leeuwarden kon in de herfstvakantie niet doorgaan, omdat het museum op maandag was gesloten en ik mij die dag niet lekker voelde. Maar nu ik op een zaterdagavond bij Mamoe en Opa IJsbeer ben blijven slapen, heeft opa een verrassing voor me en gaan we op zondagochtend al vroeg op weg. Eerst met de bus en dan vanaf station Almere Buiten helemaal met de trein naar Friesland. Die kant ben ik nog nooit op geweest met de trein en ik kom vandaag in vier verschillende provincies.

Behalve in Flevoland, waar ik woon, ook nog eens in Overijssel, Drenthe en zoals al gezegd in Friesland. En gisteren ben ik met de trein ook al in Noord-Holland geweest, toen ik met opa en oma  met de trein naar de Amsterdam ArenA ben gereden, naar Ajax.


 Hoeveel jongens van mijn klas kunnen dat zeggen dat ze op één dag in vier provincies van ons land zijn geweest. Ik denk niet dat dit er veel zullen zijn. En met de trein al helemaal niet. We zitten in een stoptrein, die bij Oostvaarders stopt en dan in Lelystad. Opa wilde in Lelystad overstappen op een snelle trein die naar Leeuwarden zou gaan, maar omdat onze trein vijf minuten vertraging heeft zijn we te laat in Lelystad en blijven we nu zitten tot Zwolle. Dat betekent wel dat ik nu ook in Dronten en Kampen-Zuid voor het eerst van mijn leven met de trein stop.

Aan het eind van het perron in Almere Buiten staat een seinbord met een grote vier erop, dat cijfer brandt zo nu en dan. Een meneer, die ook op de trein zit te wachten, zegt dat dit betekent dat de trein vier wagons heeft. Opa gelooft er niets van. In de trein vraag ik het aan de conducteur als die langs komt en de conducteur vertelt dat het betekent dat de trein daar niet harder mag rijden dan veertig kilometer. Dat geldt dus ook voor de Intercity die soms langs het perron komt daveren. Als er een Intercity aankomt doe ik altijd een stapje achteruit en houd me goed vast, want anders kun je zomaar meegezogen worden.

Dat worden wij niet veel later in de trein, mee met de ijzeren wielen die ratelen over de rails. Langs de Nieuwe Wildernis, de Oostvaardersplassen, voorbij Lelystad en dan haalt de trein al snel een top van 144 kilometer. Dat is een snelheid die je in Nederland niet op de gewone weg mag rijden. Tussen Lelystad en Dronten schommelt de wijzer rond de 140. Als we richting Kampen gaan duiken we de duisternis in, het donker van een tunnel onder het Drontermeer. Zo heet het water daar. Het is eigenlijk hetzelfde water als bij Oma en Opa van de bootjes. Het water daar noemen ze Gooimeer en verderop Eemmeer. Al die meren bij elkaar zijn de Randmeren.

In Zwolle stappen we over op de trein naar Leeuwarden. Het eerste station dat we dan tegenkomen is Meppel. Daar heeft Mamoe vroeger gewoond, vertelt Opa IJsbeer. Opa vraagt mij of ik wel mijn paspoort heb meegenomen, nu we naar Friesland gaan. Nou, die hebben mijn papa en mama niet meegegeven. Hoe dat straks moet, weet ik ook niet. Volgens opa spreken ze in Leeuwarden Fries en kan hij er niets van verstaan.

Onderweg naar Leeuwarden worden onze kaartjes tweemaal gecontroleerd. Eerst door een conducteur en dan door een meneer van Service & Veiligheid. Die kan ook precies zien hoe laat we vanmorgen zijn ingecheckt; om 9.33 uur. En hij kan ook zien dat we gisteren naar Duivendrecht zijn geweest met de trein. Volgens hem hoort dat niet bij Amsterdam. Nou mooi wel. En het Amstelstation en de Rai zijn ook Amsterdam.

Die meneer rijdt vandaag al voor de vierde keer tussen Leeuwarden en Heerenveen en die andere meneer zelfs al voor de vijfde keer. Ze rijden op een dag meestal op hetzelfde stukje heen en weer. Die meneer vertelt ook dat hij zelf in Friesland woont, in Leeuwarden en hij zegt dat het museum daar zo mooi is. Ook de onderwaterwereld. Ik vraag of hij ook echt Fries kan spreken. Nou dat kan hij wel en hij zegt: Bûter, brea, en griene tsiis wa't dat net sizze kin, is gjin oprjochte Fries. Het lijkt wel Engels en ik denk dat hij het over kaas heeft, dat versta ik immers. Nou dat klopt ook nog want hij zegt: Boter, roggebrood en groene kaas, wie dan niet kan zeggen, is geen echte Fries.

Met al dat praten heb ik niet eens in de gaten dat we bij Grou-Jirnsum en Akkrum zijn gestopt. Dan gaat de tijd wel lekker snel. Eerder waren we dus ook al in Meppel, Steenwijk en Wolvega en Heerenveen gestopt. Zo leer je nog eens iets tijdens een treinreis.

In Leeuwarden gaan we naar de McDonald’s omdat ik honger heb gekregen. Ik mag van opa een Happy Meal en ik eet mijn frietjes helemaal op. De appelsap bewaar ik voor later. Hierna wandelen we verder naar het museum. Je kunt er ook met de bus komen, lijn 36. Maar het is maar een klein stukje en dan kan opa onderweg nog wat beelden fotograferen. Ook van mij. In het museum zijn  heel veel kinderen. De tentoonstelling heet Jurassic Leeuwarden 3. Opa neemt de enge ingang, maar dat wil ik niet. Ik loop er liever omheen. Volgens opa was die andere ingang helemaal niet eng, maar ik hoorde wel allemaal enge geluiden.

Overal om me heen zie ik dinosaurussen. Die zijn allemaal uitgestorven, toen een meteoriet de aarde heeft geraakt. Soms vinden ze nog een skelet terug. Je hebt dinosaurussen die vlees eten, maar ook alleen maar groen, blaadjes takken, gras. Dat moet wel heel veel zijn, want anders kunnen ze niet groot worden. Ook mag ik allerlei voelproefjes doen, ik voel ik tandjes en botjes, ook wat zachts, de longen. En iets heel vies. Poep.

In het museum zijn niet alleen dinosaurussen, maar gaat het onder andere ook over water. Zo mag ik een emmer water pompen. Lopen we onder het water door en zie ik hoe een zwaan er aan de onderkant uitziet en als de zwaan soms met zijn kop onder water gaat, dan gaat hij eten. Geen visjes maar waterplanten. Als ik door een periscoop kijk zie ik boven het water een reiger staan.

Ook mag ik in de tandartsstoel zitten en dan moet ik vijf vragen beantwoorden. Wisten jullie dat de tanden van een konijn altijd maar door blijven groeien? Geloven jullie dat niet. Nou het is echt waar hoor.

Er is ook nog een afdeling over bijen en er zijn allerlei opgezette dieren. Sommige dieren hebben een wintervacht en dan zijn ze bijna wit. En je hebt ook nog albinodieren, dieren die niet wit horen te zijn, maar het toch wel zijn. Ook dat heb ik hier geleerd. Sommige dieren zijn wel een beetje eng. Ze lijken net echt, zoals de tijger. Die kan je ieder moment aanvliegen. Blij dat ik daar voorbij was. Als we weggaan mag ik nog iets uitzoeken en ik kies een boekje en enkele dinosaurussen uit.

Na het museum wandelen we nog een klein stukje door het park en zie ik een halte voor een boot, die hier soms door de singel vaart. Ook komen we langs het Joods monument. Vroeger voor de oorlog woonden er veel Joodse mensen in Leeuwarden. Die zijn allemaal door de Duitsers meegenomen.

Opa weet gelukkig precies de weg terug. Hoe die dat doet? Ik heb geen idee, maar ineens staan we weer op dezelfde weg als we gekomen zijn. Dan is het ook nog maar een klein stukje naar het station.

De trein staat al te wachten, dat is wel lekker. Ook is het een intercity dus zijn we nu niet zo lang onderweg. Voor we het weten zijn we in Zwolle. Opa heeft een boekje met verhalen van Annie MG Schmidt bij zich. die heeft ook het versje van Dikkertje Dap gemaakt. Ik lees een versje van haar en opa draagt er een voor.

In Zwolle stappen we uit op perron vijf. Onze trein naar Almere gaat door naar Rotterdam en vertrekt vanaf perron drie. Wij gaan de trap omhoog en zoeken naar perron drie. Dat blijkt aan de andere kant van perron vijf te zijn, moeten we dezelfde trap weer naar beneden. Zoiets geks heb ik nog nooit gezien.

De trein naar Rotterdam stopt alleen in Lelystad en in het centrum van Almere voor hij verder gaat. We moeten dan in het centrum de bus terug nemen of in Lelystad uitstappen. Nou dat doe ik veel liever. Aan de andere kant van het perron in Lelystad staat al een trein klaar. Dat is de Intercity naar Vlissingen. Wij stappen in, maar dan zie ik ineens dat de sprinter naar Oostvaarders en Amsterdam Centraal op het perron komt waar wij net zijn uitgestapt. We zitten dus in de verkeerde trein.

Omdat de deuren van de trein dicht zijn, druk ik op de knop. De deur gaat open en ik stap uit. Voor opa uit kan stappen, gaat de deur weer dicht en wat hij ook probeert de deur wil niet meer open. Dat komt omdat de conducteur de deuren van de trein al heeft dichtgedaan zodat de trein kan vertrekken. Ik sta al buiten en Opa IJsbeer zit nog in de trein. Ik roep tegen de conducteur dat mijn opa nog in de trein zit en hij doet gelukkig de deur nog gauw open. Anders had ik alleen met de trein naar Almere moeten gaan. Ik had dat best gedurfd en gekund. Alleen mag ik dan niet in de eerste klasse zitten met mijn railrunner. Dat mag alleen als er een volwassene bij is.

Met de stoptrein gaan we uiteindelijk naar Almere Buiten. In de trein mag ik nog even op mijn spelcomputer spelen.  In Buiten duurt het nog elf minuten voor de bus komt. Opa IJsbeer wil naar huis wandelen, maar ik blijf liever op de bus wachten. Mijn kleine beentjes zijn een beetje moe. Het duurt heel lang voor de bus komt en als hij moet komen verschijnt er een berichtje dat het hierna nog twaalf minuten duurt voor de bus er is. Er is gewoon een rit tussenuit. Waarom, dat wordt er niet bij gezegd. Ach, zoiets kan nu eenmaal gebeuren.

16 september 2014

Met Mickey op de fiets

Opa IJsbeer vecht tegen de slaap en zit te knikkebollen aan tafel. Mamoe wil nog een stukje hardlopen vanmiddag en daarom moet opa op mij letten. Mijn neefje en nichtje zijn al naar huis. Ik speel bij de kinderzandbak en met de kiepautovrachtwagen, vol met stenen. En mag niet bij de vijver komen, omdat ik nog niet kan zwemmen. Dus…

‘Zullen wij een stukje gaan fietsen’, vraagt Opa IJsbeer. Vanmorgen zijn we ook al twee keer op de fiets weg geweest. Eerst naar de apotheek en daarna naar de supermarkt. En Mickey Mousse mag ook mee. Opa vraagt mij vaak om mee te gaan en dan moet ik de boodschappen onthouden of vertellen waar het boodschappenbriefje is, want hij vergeet alles. Soms laat hij zelfs mij wel eens in het stoeltje achter op de fiets zitten, en een andere keer vergeet hij mij uit het boodschappenkarretje te halen. Maar gelukkig kan ik al goed praten, zodat ik hem wel kan vertellen dat ik toch echt niet van plan ben om te blijven zitten. Alleen te blijven. En of hij maar zo goed wil zijn om mij weer op de grond te zetten. En zo staan wij beiden met beide benen weer op de grond.

Maar goed ik was aan het vertellen dat opa met mij vanmiddag wilde gaan fietsen en dan zeg ik uiteraard geen nee. We zijn eerst naar de manege geweest. Een hippisch centrum staat er met dure woorden boven de deur. Het is gewoon een veredelde paardenstal waar meisjes en mevrouwen gaan paardrijden. Ja ook wel jongetjes en mijnheren, maar die zijn in de minderheid.

We staan aan de achterkant van de manege en er komen net twee meisjes aan, ieder met een paard. Ze lopen het hek uit. Gaan het bos in. De paarden komen bijna rakelings langs ons heen. Als ik mijn arm uitsteek, kan ik ze zo raken. Als ik dat zou durven.

We hebben de wind in de rug, zodat het lekker vlug gaat. Maar toch duurt het wel lang voor we weer stoppen. Het is ook zo ver, en ik ben ook wel een beetje moe en daarom val ik in slaap. Opa pakt Mickey uit mijn handen, zodat die niet op de grond kan vallen en zorgt er ook voor dat ik niet uit het fietsstoeltje kan vallen. Bij een akkertje met oranjeballen word ik wakker. Sommige ballen lijken wel op ballonnen. Opa zegt dat het pompoenen zijn. Hij is al oud en zal het dus wel weten.

Een klein stukje verder stoppen we weer. Dit ken ik. Hier ben ik met papa en mama ook wel eens geweest. We wandelen over bruggetjes, vlonders noemen de mensen die. Ik moet opa een handje geven, omdat ik nog niet kan zwemmen. Nergens voor nodig hoor, maar ik heb gewoon geen zin in een nat pak, en daarom vind ik het niet erg om een handje te geven. Maar niet verder vertellen hoor, ook vind ik het wel een beetje eng, die apen. Misschien wel omdat ik zelf soms een klein ondeugend aapje ben en net zo goed zou willen klimmen als de apen, die boven in de boom of op een tak zitten. Maar ook omdat ze overal los lopen en niet in kooien. Misschien willen ze Mickey afpakken. Nou daarom houd ik opa’s handje stevig vast en in mijn andere knuistje heb ik Mickey, dan hoeft die niet bang te zijn voor de apen.

Met Opa IJsbeer ga ik weer snel weg en we gaan verder over het terrein, tussen twee heggen door en dan zie ik nog een vlinder. Als we over een brug lopen, mag ik opa weer een hand geven. Onder ons zwemmen de eenden. Nieuwsgierig, die hopen op een stukje brood. Maar je mag de eendjes hier niet voeren. Die krijgen al genoeg.

En ook de geiten mag je geen eten geven. En als je ze geaaid hebt, moet je je handen wassen.

De biggen maken een lawaai voor tien als ze het gebouwtje met de hokken binnenkomen. Knorretje voorop. Dat gegil vind ik helemaal niet leuk. Het lijken wel speenvarkens zo hard gillen ze. Ik zou mijn handen het liefst tegen mijn oren willen drukken, want dan hoef ik nergens naar te luisteren.

Ze hebben hier ook een heel groot varken. Zwart. Een dekbeer zet opa. Wat dat is vertelt hij er niet bij, maar het is iets van de bijtjes en de bloemetjes. Dat leer ik wel als ik naar de grote school toe ga.

En dan leer ik vast ook wel versjes over schaapje, schaapje, heb je fijne wol. De schaapjes stonden in de wei en aten hun buikje vol. Ik hoef nu geen eten, want dat heb ik tussen de middag al gekregen van mamoe. Of was het van opa? Ik lijk wel net zo vergeetachtig als mijn opa. Of misschien wil ik soms wel dingen vergeten, vooral als ik aan het spelen ben. Dat kan hoor, op de Kemphaan. Via een leuk bruggetje kwamen we op een speelplek met een klimrek. Ik ben helemaal boven geweest. Maar het huisje vond ik het leukst. En Mickey vond het huisje ook leuk. Op de rug van de leeuw zitten vond ik maar niks. Dat heb ik dus ook niet gedaan.

Opa IJsbeer wilde weer naar huis, maar ik vond dat jammer, want ik had helemaal nog geen zin om al naar het huis van opa en mamoe te gaan. Maar opa werd moe en dan moet ik wel mee. Op de fiets terug, over een paar hoge bruggen. Nou we hebben wel lekker gefietst. Eerlijk is eerlijk. En als toetje hebben we nog even bij de paarden  ‘gekijken’ . En zwanen, witte en grijze gezien. Die grijze zijn jonge zwanen vertelde opa.

Bij opa en mamoe was mama Raema er al weer. Die had gewerkt. Voor ik met haar naar huis ging, kreeg ik eerst nog een crunchy. Lekker. Nou tot morgen, dan kom ik weer. Om een hapje te eten. Dag en een dikke kus.



15 september 2014







 








8 september 2014

Op de bok


Papa heeft weer een Strongmanrace, ditmaal in Hellendoorn en daarom gaat mijn zusje Fayèn al vroeg naar Opa IJsbeer en Mamoe. Opa IJsbeer wil met haar naar Artis en vraagt Mamoe of ze ook zin heeft om mee te gaan. Dat vind ze hartstikke leuk en nog leuker vindt ze het als ik ook meega en daarom laat ze opa vragen of ik er ook zin in heb. Hij belt mijn mama en vraagt: ‘Wij willen morgen naar Artis, zou Gianny het ook leuk vinden om mee te gaan?’ Nou zoiets hoef je mij maar eenmaal te vragen. Gezellig met Opa IJsbeer en Mamoe mee, en dan ook nog in de trein en de tram. Dan gebeurt er altijd wel iets. Dus word ik zondagmorgen al vroeg samen met mijn zusje in Almere Buiten afgezet en een uurtje later gaan wij met zijn viertjes op pad.

De bedoeling is dat we het eerste stukje met de bus gaan, maar die rijdt zondagmorgen minder vaak. We zijn te laat en halen nooit meer de trein die Mamoe in gedachten heeft, daarom gaan we niet naar Stad maar lopen naar het station in Buiten. Opa draagt Fayèn het hele stuk op zijn nek. Eigenlijk wil ze dat niet. Ze wordt weliswaar Prinsesje genoemd, maar verwend? Niks daarvan! Lopen wil ze en niet gedragen worden. Toch houdt opa stug vol en pas bij het station mag zij weer wat wankele stappen zetten. Niet zo gek hoor, dat ze wankelt. Dat zou jij ook doen als je zo’n lang stuk op iemands nek moet gaan zitten.

Het duurt even voor onze trein komt en je zult het altijd zien, als ik vraag waarom er geen treinen voorbij komen denderen, komt er net een intercity met een razende snelheid voorbij ons station, richting Lelystad. Vast de trein uit Amsterdam. Maar goed onze trein komt ook en wij zitten Prinsesjeheerlijk in de eerste klas. Dat heeft Mamoe weer goed geregeld. Daar is het bijna altijd rustig en hebben we altijd wel een goede zitplaats.



Ondanks dat we vaak stoppen gaat de treinreis snel. In Amsterdam hebben we tramlijn negen. Bij het station hobbelt de tram ontzettend. Komt door alle werkzaamheden aan de straat, maar bij De Dam als we een stukje op pad zijn, is dat over. Bij Artis staat een hele rij voor het loket. Opa moet voor zichzelf nog een kaartje kopen. Wij hebben een abonnement en kunnen zo doorlopen. Mamoe gaat een karretje voor Fayèn halen en wij gaan vast naar de Californische zeeleeuwen. Die worden om half twaalf gevoerd door de verzorger en die maakt daar een heel feestje van. Opa komt pas als de show al is begonnen. Hij heeft dan al wel een aantal beeldenfoto’s gemaakt voor een project waarmee hij bezig is.

Hierna gaan we verder de dierentuin in. Mamoe wil vooral naar de kleine zoogdieren en naar de beesten die loslopen, maar die kunnen we niet meteen vinden. Twee jonge gorilla’s maken ruzie, waarbij de een de ander aan het been trekt. Mama gorilla moet er bijkomen om de ruzie te sussen en de ondeugendste van de twee weet precies wat hij gedaan heeft en zet het op een lopen, waarna Mama tevreden over het ontzag dat ze uitstraalt er parmantig bij gaat zitten, bij papa gorilla.

Natuurlijk brengen we ook een bezoekje aan de vlindertuin. Opa IJsbeer neemt met mijn zusje de lift. Wij wachten boven, maar wie er komt? Mooi geen Opa IJsbeer en ook geen Prinsesje. En als Mamoe opa belt neemt hij zijn telefoon niet op. Want moet je nou met zo’n man. Doof, en dan gaat hij ook nog eens echt zijn eigen gang. Toch zien we nog wel enkele vlinders. Gelukkig maar, want die tere Beestjes, zoals mijn zusje ze noemt, zijn wel heel mooi. Met verschillende kleuren en ook nog verschillende tekeningen. Samen met Mamoe zoek ik soms op wat voor vlinders er allemaal zijn.



Natuurlijk zijn er ook grote dieren, zoals de olifanten en de giraffen. Die mochten zowaar uit de boom eten. Meestal mogen ze dat niet. Maar nu konden ze voor een lekker hapje hun lange nek toch even extra ver uitsteken. En dat is best een leuk gezicht. Dat doet toch wel een beetje denken aan Dikkertje Dap.  Ook de zebra’s vind ik wel grappig met die strepen. Er is geen streep hetzelfde. Geen zebra met dezelfde strepen.

Nu ik het toch over strepen heb. Mijn spanwijdte is ook nog even gemeten. Via allemaal streepjes. Als ik mijn armen uitstrek ben ik bijna 1.20 meter lang. Ik leg uit aan opa, dat dat ook mijn lengte moet zijn, maar dat is dus niet waar. ‘Want ik ben langer. Denk ik.’

Mamoe heeft het uiteindelijk toch voor elkaar gekregen. Zij gaat bij de pinguïns op bezoek. Iets wat ik nooit wil als ik samen met oma naar de dierentuin ga. Volgens Opa IJsbeer beweert Mamoe dat die waggelaars wel wat op de oude vrouwen in Huizer klederdracht lijken. Nou dat weet ik niet, want ik heb die vrouwen nog nooit gezien. Dus moet ik hem maar op zijn woord geloven. De dierenarts staat bij de pinguïns in het hok, samen met een Jan van Gent. De vogel, volgens de dierenarts een vrouwtje, wordt goed verzorgd, zoals ieder dier hier in Artis. En als deze grote vogel, die op de Noordzee en de Atlantische Oceaan leeft, eindelijk zijn vrijheid terugkrijgt, dan klapwiekt-ie weg door het water.

Maar zoals gezegd zijn er ook de pinguïns, die zijn druk bezig met een nest bouwen. Bij het uitbroeden van de eieren lossen de mannetjes en de vrouwtjes elkaar af en de ander trekt dan naar zee om eten te verzorgen. Als de eieren, twee tot drie stuks, zijn uitgebroed, dan verzorgen beide ouders de pinguïnkuikens. Er zijn diverse pinguïnsoorten en het gaat er niet allemaal op dezelfde manier aan toe. Bij de keizerpinguïn zit alleen het mannetje op het ei, en bij deze grootste pinguïnsoort houdt dat mannetje het ei tussen de poten, terwijl het vrouwtje teruggaat naar zee. Het kan dan heel lang duren voor het vrouwtje terugkeert en al die tijd krijgt het mannetje geen eten. Dat vind ik wel zielig hoor. Gelukkig gebeurt dat bij ons niet en Mamoe heeft voor ons lekkere krentenbollen meegenomen en pakjes taksi, zodat wij geen honger en dorst hebben.



We zijn dan net langs de waterval gelopen. Mijn zusje kijkt haar ogen uit. Ze ziet zoveel nieuwe dingen en dat kletterende water maakt wel heel veel lawaai. De eerste keer dat ik dat zag vond ik dat ook best een beetje eng, Maar nu niet meer, want ik ben al groot en heb ook al drie zwemdiploma’s, dus hoef ik niet meer ban voor water te zijn.

Maar we moeten wel voor de dieren blijven oppassen. Want sommige dieren hebben heel scherpe tanden. Zoals de wolven, die we eerst niet zien in hun kooi, maar daarna wel in een andere kooi. Ze kunnen onder ons doorlopen, want onder het pad is een gang voor ze gemaakt, zodat ze vanuit de ene ruimte naar de andere kunnen wandelen.

In het hok met de kleine dieren zit ook een dwergzijdeaapje, dat is de kleinste aap die er bestaat. Leuk is dat er vorige maand, op 15 augustus, een kleintje is geboren. Nog kleiner dan de kleinste aap, want een apetaal hè. Dat jong zit heel dicht tegen de moeder, maar ik heb het toch gezien.

Weet je wat grappig was, de marmotten. Die zaten boven op elkaar. En er scharrelde een klein marmotje rond.

Naar het aquarium zijn we niet geweest. ’ Daar ziet mijn zusje niets van’, zegt Mamoe. Ach ze zal hier nog wel vaker komen. Net zoals ik en iedere keer zie ik toch weer wat anders, wat meer. Zo’n dagje dierentuin blijft leuk. Vooral omdat ik het karretje van Fayèn mag trekken en heel soms wil ik ook nog wel een kleine jongen zijn en in het karretje gaan zitten.

Het laatste stukje is bewaard voor het oude vogelhuis, ook omdat ik niet naar het reptielenhuis wil. Voor we naar huis gaan, koopt Opa IJsbeer ook nog een abonnement. Dan hoeft hij niet meer iedere keer te betalen als hij in Artis is, net zoals wij, Mamoe en ik dus. En we mogen wat uitzoeken in het winkeltje. Flauw hoor van oma dat ik geen knuffel meer mag. Ze vindt me daar te groot voor, maar gelukkig heeft mijn zusje er wel een gekregen. Pingie, de pinguïn. En daar kan ik dan weer mee knuffelen. Mamoe heeft wel voor mij een spel gekocht, maar dat blijft in de doos tot we thuis zijn.



Het wordt trouwens tijd dat we weer naar huis gaan, want Mamoe moet nog eten koken. Ook voor mij want ik blijf bij opa en oma eten. Nee, niet even onderweg bij McDonalds een hapje nemen. We gaan weer met de tram en we zitten lekker voorin. Ik doe net of ik er niet bij hoor en boos kijk, maar ik ben wel gek op mijn grootouders, net zoals mijn zusje dat is. Soms kan ze zo kattig doen en doet ze net alsof ze niets van je wil weten, maar het Prinsesje weet precies hoe ze Opa IJsbeer om haar vingertje moet winden. Het lijkt net of de tramreis op de terugweg korter is dan heen. Maar dat is natuurlijk niet zo.

Op het treinstation hoeven we niet zo heel lang te wachten op de trein. Ik mag van de machinist voor in de cabine kijken. Wat veel knopjes zitten er allemaal in. En met een handel kan de machinist de trein vooruit en achteruit laten rijden. Vet hoor. ‘Nou als ik groot ben, wil ik ook machinist worden, daarna voetballer en vervolgens buschauffeur, net als mijn opa van de bootjes’. Maar voor vandaag is dit al prachtig, zo ‘op de bok’, zoals Opa IJsbeer zegt.

We gaan daarna in de eerste klas zitten. De trein moet ruim een kwartier wachten, maar dan ziet Mamoe dat op het bord verschijnt dat we vijf minuten vertraging hebben. Hè? De trein is er toch? Waarom dan? Die vijf minuten worden tien minuten, een kwartier en zelfs een half uur. En dan wordt er gezegd dat deze trein niet meer zal rijden. Ik heb toch niets verkeerd gedaan? Nee hoor, de conducteur is er niet, die staat nog in Gouda, Misschien wel door een vertraging van een andere trein. Zonder conducteur mag de trein niet rijden. Voor de veiligheid. Want anders is er niemand die kan zien of de deuren wel veilig dicht zijn en is er ook niemand die in de trein een oogje in het zeil kan houden.

We moeten met zijn allen de trein weer uit en moeten naar een ander perron, naar een andere trein. Dat is een intercity, die langs een aantal stations dendert. ‘Is dat nu denderen’, zeg ik als we bij Weesp zijn. ‘Ik vind dit maar zachtjes rijden’.

In Almere Stad staat de bus te wachten. We mogen er niet in, omdat er iets aan de hand is met een jonge vrouw. Service en Veiligheid en de politie zijn erbij gehaald. Als zij uit de bus is kunnen wij naar huis. Nou ja, naar het huis van opa en oma, daar word ik later op de avond weer opgehaald. Mijn zusje ligt dan al te slapen. Moe van deze toch wel leuke dag.



7 september 2014

14 augustus 2014

Oppassen


Vandaag moet ik oppassen, oppassen op mijn Opa IJsbeer. Tot op heden waren de rollen omgedraaid. Mamoe heeft echter veel vertrouwen in me dat ik die belangrijke taak heb gekregen, terwijl ik toch pas zeven jaar ben.
Omdat papa en mama moeten werken en ik nog vakantie heb, ga ik samen met mijn zusje Fayén naar Opa IJsbeer en Mamoe. Ook Yari komt en voor opa is dat wel erg druk, die moet oppassen dat hij niet te veel prikkels in zijn hoofd krijgt. Wij zijn soms best druk en in een kleine ruimte is dat teveel. Opa stelt voor om samen weg te gaan, dan kan ik een beetje op hem letten. De twee jongsten blijven dan bij Mamoe. Ik mag kiezen tussen Amersfoort en Den Haag, het Dierenpark en Madurodam. Omdat ik in het weekend met Mamoe naar Artis ga, is die keuze niet moeilijk. Dat wordt dus met de trein naar de Hofstad, zoals de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland ook wel wordt genoemd. En zo begint even voor negenen een nieuw avontuur.
De bus richting het centrum van Stad komt eraan als we bijna bij de brug zijn. Rennen! Nee, dat kan opa niet meer dus lopen we rustig door. ‘Ach de volgende bus komt toch over acht minuten’, weet ik, dus waarom zullen we ons haasten. Eerst komt er nog een vijf de andere kant op en daarna komt ook onze buslijn vijf. Op het station probeert opa een railrunner te laden op een OV-chipkaart, maar dat lukt niet. Bij de informatiebalie kan hij wel een kaartje kopen bij een mijnheer die hij van vroeger kent, van het voetbal. Dat kaartje is de hele dag geldig. Wel moet ik het kaartje net als iedere andere OV-chipkaart bij de incheckpalen voor het schermpje houden. Samen met opa mag ik eerste klas reizen. Ben je alleen en gebruik je een railrunner dan moet je tweede klas reizen en mag je niet mee in de eerste klas.
De Intercity naar Den Haag komt al snel. Het is een dubbeldekstrein en ik wil het liefst beneden zitten, dan kan ik alles beter zien. En zo geschiede en snellen wij samen met vele anderen over door stalen wielen gepoetste roestige staven langs stationnetjes en maken een eerste stop in Duivendrecht. Na nog een halte gaan we ondergronds en als ik de blauwe lucht weer zie worden we enige tijd vergezeld door een vliegtuig, misschien wel op weg naar Engeland.

Een van de voordelen van reizen met de trein is dat je niet in een gordel hoeft te zitten. En soms ook nog mag opstaan. Om naar het toilet te gaan. ‘De plas valt zomaar bij het doortrekken op de rails.’ Ondanks dat ik in de trein al een keer naar het toilet ben geweest, ga ik op het station nogmaals. En ben snel klaar. Opa moet ook en twee moet keer vijftig eurocent betalen van een giftige toiletjuffrouw, die maar blijf zeuren over service, maar het vertikt om papieren handdoekjes in de lege automaat te doen.

Bij de informatiebalie op het treinstation hoort Opa IJsbeer dat we met tramlijn 9 naar Madurodam moeten. Tramlijn 9, ha, dat is toevallig. ‘In Amsterdam hebben we dezelfde tram naar Artis.’ Wij rijden langs het Malieveld, waar vaak wordt gedemonstreerd en we komen door een straat met allerlei ambassades en consulaten voor we uit moeten stappen. Toch duurt de rit niet lang en ook in Madurodam hoeven we niet lang te wachten voor we naar binnen kunnen.

Ik ben er al eens vaker geweest, onder andere met opa en oma van de bootjes. Het eerste dat we zien als we echt in het park zijn, zijn een aantal grote boten; een containerschip de geduwd wordt door een duwboot en een snelle veerboot. Een andere dan waarmee ik wel eens ben overgestoken naar Engeland. Het water staat heel erg laag en daardoor zie je dat de boten op schragen zijn gezet en niet kunnen varen. Dat komt omdat de mensen van Madurodam de haven aan het opknappen zijn. Geen minimensen, maar echte mensen doen dat.
In Madurodam staan allerlei gebouwen, kerken, boerderijen, de windmolens van Kinderdijk, maar ook het gemeentehuis van Hilversum. Opa vertelt dat hij in dat gebouw veertig jaar geleden is getrouwd. Daar geloof ik niks van, want daarvoor is het veel te klein. Misschien dat Pinkeltje daarin is getrouwd, maar opa en mamoe? Mooi niet! Dat geloof ik niet!

Er zijn meer gebouwen uit Hilversum, zoals Beeld en Geluid, dat op het Mediapark staat. Daar komt de radio en de televisie vandaan.

Zelf mag ik muziek maken. Voor een heel groot publiek, het lijkt wel Sunsation of iets wat erop lijkt. Misschien word ik dat wel als ik groot ben, of treinmachinist. Dat lijkt me ook gaaf. Die treinen vind ik sowieso bijzonder en iedere keer zoek ik de treinen op. Gek eigenlijk, de bus rijdt wel, maar de tram niet. De treinen vind ik echter toch wel het leukst van allemaal, leuker dan de talloze auto’s, vrachtwagens en bussen die er rijden. En veel leuker dan al die andere dingen, zoals de gaswinning bij Slochteren of de boortorens die op veel plaatsen in zee te vinden zijn. Zowel in de Noordzee als op de Wadden. Ik heb ze wel eens in de verte zien staan. Opa laat me zien dat er erg veel mensen op werken en die gaan er altijd naar toe met een helikopter. Jammer dat die nu niet vliegt.

Ook op Schiphol vliegen de vliegtuigen niet echt, wel taxiet er een vliegtuig over de baan. Maar zoals gezegd de treinen vind ik het leukst. In Nederland is het station van Utrecht het grootst en dat staat hier ook in Madurodam.
Tussen de middag eten we een broodje en daarna mag ik alleen op pad. En dan ga ik toch weer naar de treinen. Heel even ga ik naar de speeltuin. Ik kijk even rond, maar zin in de glijbaan of de klimbaan heb ik niet. Dat klimmen is meer iets voor papa, maar er hij zal hier ook wel niks aan vinden, want er is geen modder om door te rollen.

Toch vind ik het wel leuk om bezig te zijn, de doe-dingen. Zoals de bootjes, die door sluisjes geholpen moeten worden. In de havens kun je takelen en op de veiling kun je bloemen kopen. Maar dat moet ik alleen doen, want er zijn geen andere kinderen met wie ik dat kan doen. Misschien een volgende keer.

Opa IJsbeer heeft ondertussen oren uitgezet, want het wordt steeds drukker en dan krijgt hij last van zijn hoofd. We maken nog een klein rondje. Hij wijst mij op een kasteel. Of ik daar wel eens ben geweest. Het is het Muiderslot en ik denk het wel. Het ligt vlakbij Almere, maar ik kan het me niet goed meer herinneren. We zullen er best nog wel een keer heen gaan. Opa gaat ook nog op zoek naar een Almeerse inbreng, maar kan die niet vinden. Een aantal woningen uit Amersfoort lijken wel veel op huizen uit de Regenboogbuurt, maar het bordje geeft echt iets anders aan. ‘Jammer.’

De tram brengt ons snel weer terug naar het treinstation. Op de borden van het station staat de trein naar Almere niet aangegeven en omdat er niemand in de informatiebalie zit vraagt opa aan een conducteur of die weet waar de trein naar Almere komt. Nou dat treft. We staan erbij en hij gaat over zeven minuten. Naar Groningen, via Almere dus. Rechtstreeks.

We gaan nu bovenin zitten, maar dat is een stiltecoupé en ik wil toch wel graag praten. Dus gaan we naar beneden. Oeps, Opa IJsbeer is vergeten in te checken en gaat dat nog snel doen. Ik moet op de tassen passen, maar kijk wel stiekem of hij op tijd terug is. Hij stapt halverwege de trein in om mij te verrassen, maar dat lukt hem niet, want ik heb hem al gezien.

Onderweg vraagt een meisje aan opa of dat de eerste klas coupé is. Opa geeft in het Engels antwoord. Ik kan dat niet verstaan, maar opa is wel zo lief dat hij het voor mij vertaald. Heus, ik ben niet nieuwsgierig, maar wil net zoals Opa IJsbeer wel graag alles weten. Binnen een uur zijn we terug in Almere. Opa heeft met papa en mama gewhatsappt en die komen mij op het station in Almere Stad ophalen. Mama wacht samen met Fayén op het perron. In de hal nemen we afscheid. Opa zegt dat hij het laatste stukje wel alleen durft te rijden. ‘Opa bedankt hè voor het oppassen.’