8 september 2014

Op de bok


Papa heeft weer een Strongmanrace, ditmaal in Hellendoorn en daarom gaat mijn zusje Fayèn al vroeg naar Opa IJsbeer en Mamoe. Opa IJsbeer wil met haar naar Artis en vraagt Mamoe of ze ook zin heeft om mee te gaan. Dat vind ze hartstikke leuk en nog leuker vindt ze het als ik ook meega en daarom laat ze opa vragen of ik er ook zin in heb. Hij belt mijn mama en vraagt: ‘Wij willen morgen naar Artis, zou Gianny het ook leuk vinden om mee te gaan?’ Nou zoiets hoef je mij maar eenmaal te vragen. Gezellig met Opa IJsbeer en Mamoe mee, en dan ook nog in de trein en de tram. Dan gebeurt er altijd wel iets. Dus word ik zondagmorgen al vroeg samen met mijn zusje in Almere Buiten afgezet en een uurtje later gaan wij met zijn viertjes op pad.

De bedoeling is dat we het eerste stukje met de bus gaan, maar die rijdt zondagmorgen minder vaak. We zijn te laat en halen nooit meer de trein die Mamoe in gedachten heeft, daarom gaan we niet naar Stad maar lopen naar het station in Buiten. Opa draagt Fayèn het hele stuk op zijn nek. Eigenlijk wil ze dat niet. Ze wordt weliswaar Prinsesje genoemd, maar verwend? Niks daarvan! Lopen wil ze en niet gedragen worden. Toch houdt opa stug vol en pas bij het station mag zij weer wat wankele stappen zetten. Niet zo gek hoor, dat ze wankelt. Dat zou jij ook doen als je zo’n lang stuk op iemands nek moet gaan zitten.

Het duurt even voor onze trein komt en je zult het altijd zien, als ik vraag waarom er geen treinen voorbij komen denderen, komt er net een intercity met een razende snelheid voorbij ons station, richting Lelystad. Vast de trein uit Amsterdam. Maar goed onze trein komt ook en wij zitten Prinsesjeheerlijk in de eerste klas. Dat heeft Mamoe weer goed geregeld. Daar is het bijna altijd rustig en hebben we altijd wel een goede zitplaats.



Ondanks dat we vaak stoppen gaat de treinreis snel. In Amsterdam hebben we tramlijn negen. Bij het station hobbelt de tram ontzettend. Komt door alle werkzaamheden aan de straat, maar bij De Dam als we een stukje op pad zijn, is dat over. Bij Artis staat een hele rij voor het loket. Opa moet voor zichzelf nog een kaartje kopen. Wij hebben een abonnement en kunnen zo doorlopen. Mamoe gaat een karretje voor Fayèn halen en wij gaan vast naar de Californische zeeleeuwen. Die worden om half twaalf gevoerd door de verzorger en die maakt daar een heel feestje van. Opa komt pas als de show al is begonnen. Hij heeft dan al wel een aantal beeldenfoto’s gemaakt voor een project waarmee hij bezig is.

Hierna gaan we verder de dierentuin in. Mamoe wil vooral naar de kleine zoogdieren en naar de beesten die loslopen, maar die kunnen we niet meteen vinden. Twee jonge gorilla’s maken ruzie, waarbij de een de ander aan het been trekt. Mama gorilla moet er bijkomen om de ruzie te sussen en de ondeugendste van de twee weet precies wat hij gedaan heeft en zet het op een lopen, waarna Mama tevreden over het ontzag dat ze uitstraalt er parmantig bij gaat zitten, bij papa gorilla.

Natuurlijk brengen we ook een bezoekje aan de vlindertuin. Opa IJsbeer neemt met mijn zusje de lift. Wij wachten boven, maar wie er komt? Mooi geen Opa IJsbeer en ook geen Prinsesje. En als Mamoe opa belt neemt hij zijn telefoon niet op. Want moet je nou met zo’n man. Doof, en dan gaat hij ook nog eens echt zijn eigen gang. Toch zien we nog wel enkele vlinders. Gelukkig maar, want die tere Beestjes, zoals mijn zusje ze noemt, zijn wel heel mooi. Met verschillende kleuren en ook nog verschillende tekeningen. Samen met Mamoe zoek ik soms op wat voor vlinders er allemaal zijn.



Natuurlijk zijn er ook grote dieren, zoals de olifanten en de giraffen. Die mochten zowaar uit de boom eten. Meestal mogen ze dat niet. Maar nu konden ze voor een lekker hapje hun lange nek toch even extra ver uitsteken. En dat is best een leuk gezicht. Dat doet toch wel een beetje denken aan Dikkertje Dap.  Ook de zebra’s vind ik wel grappig met die strepen. Er is geen streep hetzelfde. Geen zebra met dezelfde strepen.

Nu ik het toch over strepen heb. Mijn spanwijdte is ook nog even gemeten. Via allemaal streepjes. Als ik mijn armen uitstrek ben ik bijna 1.20 meter lang. Ik leg uit aan opa, dat dat ook mijn lengte moet zijn, maar dat is dus niet waar. ‘Want ik ben langer. Denk ik.’

Mamoe heeft het uiteindelijk toch voor elkaar gekregen. Zij gaat bij de pinguïns op bezoek. Iets wat ik nooit wil als ik samen met oma naar de dierentuin ga. Volgens Opa IJsbeer beweert Mamoe dat die waggelaars wel wat op de oude vrouwen in Huizer klederdracht lijken. Nou dat weet ik niet, want ik heb die vrouwen nog nooit gezien. Dus moet ik hem maar op zijn woord geloven. De dierenarts staat bij de pinguïns in het hok, samen met een Jan van Gent. De vogel, volgens de dierenarts een vrouwtje, wordt goed verzorgd, zoals ieder dier hier in Artis. En als deze grote vogel, die op de Noordzee en de Atlantische Oceaan leeft, eindelijk zijn vrijheid terugkrijgt, dan klapwiekt-ie weg door het water.

Maar zoals gezegd zijn er ook de pinguïns, die zijn druk bezig met een nest bouwen. Bij het uitbroeden van de eieren lossen de mannetjes en de vrouwtjes elkaar af en de ander trekt dan naar zee om eten te verzorgen. Als de eieren, twee tot drie stuks, zijn uitgebroed, dan verzorgen beide ouders de pinguïnkuikens. Er zijn diverse pinguïnsoorten en het gaat er niet allemaal op dezelfde manier aan toe. Bij de keizerpinguïn zit alleen het mannetje op het ei, en bij deze grootste pinguïnsoort houdt dat mannetje het ei tussen de poten, terwijl het vrouwtje teruggaat naar zee. Het kan dan heel lang duren voor het vrouwtje terugkeert en al die tijd krijgt het mannetje geen eten. Dat vind ik wel zielig hoor. Gelukkig gebeurt dat bij ons niet en Mamoe heeft voor ons lekkere krentenbollen meegenomen en pakjes taksi, zodat wij geen honger en dorst hebben.



We zijn dan net langs de waterval gelopen. Mijn zusje kijkt haar ogen uit. Ze ziet zoveel nieuwe dingen en dat kletterende water maakt wel heel veel lawaai. De eerste keer dat ik dat zag vond ik dat ook best een beetje eng, Maar nu niet meer, want ik ben al groot en heb ook al drie zwemdiploma’s, dus hoef ik niet meer ban voor water te zijn.

Maar we moeten wel voor de dieren blijven oppassen. Want sommige dieren hebben heel scherpe tanden. Zoals de wolven, die we eerst niet zien in hun kooi, maar daarna wel in een andere kooi. Ze kunnen onder ons doorlopen, want onder het pad is een gang voor ze gemaakt, zodat ze vanuit de ene ruimte naar de andere kunnen wandelen.

In het hok met de kleine dieren zit ook een dwergzijdeaapje, dat is de kleinste aap die er bestaat. Leuk is dat er vorige maand, op 15 augustus, een kleintje is geboren. Nog kleiner dan de kleinste aap, want een apetaal hè. Dat jong zit heel dicht tegen de moeder, maar ik heb het toch gezien.

Weet je wat grappig was, de marmotten. Die zaten boven op elkaar. En er scharrelde een klein marmotje rond.

Naar het aquarium zijn we niet geweest. ’ Daar ziet mijn zusje niets van’, zegt Mamoe. Ach ze zal hier nog wel vaker komen. Net zoals ik en iedere keer zie ik toch weer wat anders, wat meer. Zo’n dagje dierentuin blijft leuk. Vooral omdat ik het karretje van Fayèn mag trekken en heel soms wil ik ook nog wel een kleine jongen zijn en in het karretje gaan zitten.

Het laatste stukje is bewaard voor het oude vogelhuis, ook omdat ik niet naar het reptielenhuis wil. Voor we naar huis gaan, koopt Opa IJsbeer ook nog een abonnement. Dan hoeft hij niet meer iedere keer te betalen als hij in Artis is, net zoals wij, Mamoe en ik dus. En we mogen wat uitzoeken in het winkeltje. Flauw hoor van oma dat ik geen knuffel meer mag. Ze vindt me daar te groot voor, maar gelukkig heeft mijn zusje er wel een gekregen. Pingie, de pinguïn. En daar kan ik dan weer mee knuffelen. Mamoe heeft wel voor mij een spel gekocht, maar dat blijft in de doos tot we thuis zijn.



Het wordt trouwens tijd dat we weer naar huis gaan, want Mamoe moet nog eten koken. Ook voor mij want ik blijf bij opa en oma eten. Nee, niet even onderweg bij McDonalds een hapje nemen. We gaan weer met de tram en we zitten lekker voorin. Ik doe net of ik er niet bij hoor en boos kijk, maar ik ben wel gek op mijn grootouders, net zoals mijn zusje dat is. Soms kan ze zo kattig doen en doet ze net alsof ze niets van je wil weten, maar het Prinsesje weet precies hoe ze Opa IJsbeer om haar vingertje moet winden. Het lijkt net of de tramreis op de terugweg korter is dan heen. Maar dat is natuurlijk niet zo.

Op het treinstation hoeven we niet zo heel lang te wachten op de trein. Ik mag van de machinist voor in de cabine kijken. Wat veel knopjes zitten er allemaal in. En met een handel kan de machinist de trein vooruit en achteruit laten rijden. Vet hoor. ‘Nou als ik groot ben, wil ik ook machinist worden, daarna voetballer en vervolgens buschauffeur, net als mijn opa van de bootjes’. Maar voor vandaag is dit al prachtig, zo ‘op de bok’, zoals Opa IJsbeer zegt.

We gaan daarna in de eerste klas zitten. De trein moet ruim een kwartier wachten, maar dan ziet Mamoe dat op het bord verschijnt dat we vijf minuten vertraging hebben. Hè? De trein is er toch? Waarom dan? Die vijf minuten worden tien minuten, een kwartier en zelfs een half uur. En dan wordt er gezegd dat deze trein niet meer zal rijden. Ik heb toch niets verkeerd gedaan? Nee hoor, de conducteur is er niet, die staat nog in Gouda, Misschien wel door een vertraging van een andere trein. Zonder conducteur mag de trein niet rijden. Voor de veiligheid. Want anders is er niemand die kan zien of de deuren wel veilig dicht zijn en is er ook niemand die in de trein een oogje in het zeil kan houden.

We moeten met zijn allen de trein weer uit en moeten naar een ander perron, naar een andere trein. Dat is een intercity, die langs een aantal stations dendert. ‘Is dat nu denderen’, zeg ik als we bij Weesp zijn. ‘Ik vind dit maar zachtjes rijden’.

In Almere Stad staat de bus te wachten. We mogen er niet in, omdat er iets aan de hand is met een jonge vrouw. Service en Veiligheid en de politie zijn erbij gehaald. Als zij uit de bus is kunnen wij naar huis. Nou ja, naar het huis van opa en oma, daar word ik later op de avond weer opgehaald. Mijn zusje ligt dan al te slapen. Moe van deze toch wel leuke dag.



7 september 2014

14 augustus 2014

Oppassen


Vandaag moet ik oppassen, oppassen op mijn Opa IJsbeer. Tot op heden waren de rollen omgedraaid. Mamoe heeft echter veel vertrouwen in me dat ik die belangrijke taak heb gekregen, terwijl ik toch pas zeven jaar ben.
Omdat papa en mama moeten werken en ik nog vakantie heb, ga ik samen met mijn zusje Fayén naar Opa IJsbeer en Mamoe. Ook Yari komt en voor opa is dat wel erg druk, die moet oppassen dat hij niet te veel prikkels in zijn hoofd krijgt. Wij zijn soms best druk en in een kleine ruimte is dat teveel. Opa stelt voor om samen weg te gaan, dan kan ik een beetje op hem letten. De twee jongsten blijven dan bij Mamoe. Ik mag kiezen tussen Amersfoort en Den Haag, het Dierenpark en Madurodam. Omdat ik in het weekend met Mamoe naar Artis ga, is die keuze niet moeilijk. Dat wordt dus met de trein naar de Hofstad, zoals de hoofdstad van de provincie Zuid-Holland ook wel wordt genoemd. En zo begint even voor negenen een nieuw avontuur.
De bus richting het centrum van Stad komt eraan als we bijna bij de brug zijn. Rennen! Nee, dat kan opa niet meer dus lopen we rustig door. ‘Ach de volgende bus komt toch over acht minuten’, weet ik, dus waarom zullen we ons haasten. Eerst komt er nog een vijf de andere kant op en daarna komt ook onze buslijn vijf. Op het station probeert opa een railrunner te laden op een OV-chipkaart, maar dat lukt niet. Bij de informatiebalie kan hij wel een kaartje kopen bij een mijnheer die hij van vroeger kent, van het voetbal. Dat kaartje is de hele dag geldig. Wel moet ik het kaartje net als iedere andere OV-chipkaart bij de incheckpalen voor het schermpje houden. Samen met opa mag ik eerste klas reizen. Ben je alleen en gebruik je een railrunner dan moet je tweede klas reizen en mag je niet mee in de eerste klas.
De Intercity naar Den Haag komt al snel. Het is een dubbeldekstrein en ik wil het liefst beneden zitten, dan kan ik alles beter zien. En zo geschiede en snellen wij samen met vele anderen over door stalen wielen gepoetste roestige staven langs stationnetjes en maken een eerste stop in Duivendrecht. Na nog een halte gaan we ondergronds en als ik de blauwe lucht weer zie worden we enige tijd vergezeld door een vliegtuig, misschien wel op weg naar Engeland.

Een van de voordelen van reizen met de trein is dat je niet in een gordel hoeft te zitten. En soms ook nog mag opstaan. Om naar het toilet te gaan. ‘De plas valt zomaar bij het doortrekken op de rails.’ Ondanks dat ik in de trein al een keer naar het toilet ben geweest, ga ik op het station nogmaals. En ben snel klaar. Opa moet ook en twee moet keer vijftig eurocent betalen van een giftige toiletjuffrouw, die maar blijf zeuren over service, maar het vertikt om papieren handdoekjes in de lege automaat te doen.

Bij de informatiebalie op het treinstation hoort Opa IJsbeer dat we met tramlijn 9 naar Madurodam moeten. Tramlijn 9, ha, dat is toevallig. ‘In Amsterdam hebben we dezelfde tram naar Artis.’ Wij rijden langs het Malieveld, waar vaak wordt gedemonstreerd en we komen door een straat met allerlei ambassades en consulaten voor we uit moeten stappen. Toch duurt de rit niet lang en ook in Madurodam hoeven we niet lang te wachten voor we naar binnen kunnen.

Ik ben er al eens vaker geweest, onder andere met opa en oma van de bootjes. Het eerste dat we zien als we echt in het park zijn, zijn een aantal grote boten; een containerschip de geduwd wordt door een duwboot en een snelle veerboot. Een andere dan waarmee ik wel eens ben overgestoken naar Engeland. Het water staat heel erg laag en daardoor zie je dat de boten op schragen zijn gezet en niet kunnen varen. Dat komt omdat de mensen van Madurodam de haven aan het opknappen zijn. Geen minimensen, maar echte mensen doen dat.
In Madurodam staan allerlei gebouwen, kerken, boerderijen, de windmolens van Kinderdijk, maar ook het gemeentehuis van Hilversum. Opa vertelt dat hij in dat gebouw veertig jaar geleden is getrouwd. Daar geloof ik niks van, want daarvoor is het veel te klein. Misschien dat Pinkeltje daarin is getrouwd, maar opa en mamoe? Mooi niet! Dat geloof ik niet!

Er zijn meer gebouwen uit Hilversum, zoals Beeld en Geluid, dat op het Mediapark staat. Daar komt de radio en de televisie vandaan.

Zelf mag ik muziek maken. Voor een heel groot publiek, het lijkt wel Sunsation of iets wat erop lijkt. Misschien word ik dat wel als ik groot ben, of treinmachinist. Dat lijkt me ook gaaf. Die treinen vind ik sowieso bijzonder en iedere keer zoek ik de treinen op. Gek eigenlijk, de bus rijdt wel, maar de tram niet. De treinen vind ik echter toch wel het leukst van allemaal, leuker dan de talloze auto’s, vrachtwagens en bussen die er rijden. En veel leuker dan al die andere dingen, zoals de gaswinning bij Slochteren of de boortorens die op veel plaatsen in zee te vinden zijn. Zowel in de Noordzee als op de Wadden. Ik heb ze wel eens in de verte zien staan. Opa laat me zien dat er erg veel mensen op werken en die gaan er altijd naar toe met een helikopter. Jammer dat die nu niet vliegt.

Ook op Schiphol vliegen de vliegtuigen niet echt, wel taxiet er een vliegtuig over de baan. Maar zoals gezegd de treinen vind ik het leukst. In Nederland is het station van Utrecht het grootst en dat staat hier ook in Madurodam.
Tussen de middag eten we een broodje en daarna mag ik alleen op pad. En dan ga ik toch weer naar de treinen. Heel even ga ik naar de speeltuin. Ik kijk even rond, maar zin in de glijbaan of de klimbaan heb ik niet. Dat klimmen is meer iets voor papa, maar er hij zal hier ook wel niks aan vinden, want er is geen modder om door te rollen.

Toch vind ik het wel leuk om bezig te zijn, de doe-dingen. Zoals de bootjes, die door sluisjes geholpen moeten worden. In de havens kun je takelen en op de veiling kun je bloemen kopen. Maar dat moet ik alleen doen, want er zijn geen andere kinderen met wie ik dat kan doen. Misschien een volgende keer.

Opa IJsbeer heeft ondertussen oren uitgezet, want het wordt steeds drukker en dan krijgt hij last van zijn hoofd. We maken nog een klein rondje. Hij wijst mij op een kasteel. Of ik daar wel eens ben geweest. Het is het Muiderslot en ik denk het wel. Het ligt vlakbij Almere, maar ik kan het me niet goed meer herinneren. We zullen er best nog wel een keer heen gaan. Opa gaat ook nog op zoek naar een Almeerse inbreng, maar kan die niet vinden. Een aantal woningen uit Amersfoort lijken wel veel op huizen uit de Regenboogbuurt, maar het bordje geeft echt iets anders aan. ‘Jammer.’

De tram brengt ons snel weer terug naar het treinstation. Op de borden van het station staat de trein naar Almere niet aangegeven en omdat er niemand in de informatiebalie zit vraagt opa aan een conducteur of die weet waar de trein naar Almere komt. Nou dat treft. We staan erbij en hij gaat over zeven minuten. Naar Groningen, via Almere dus. Rechtstreeks.

We gaan nu bovenin zitten, maar dat is een stiltecoupé en ik wil toch wel graag praten. Dus gaan we naar beneden. Oeps, Opa IJsbeer is vergeten in te checken en gaat dat nog snel doen. Ik moet op de tassen passen, maar kijk wel stiekem of hij op tijd terug is. Hij stapt halverwege de trein in om mij te verrassen, maar dat lukt hem niet, want ik heb hem al gezien.

Onderweg vraagt een meisje aan opa of dat de eerste klas coupé is. Opa geeft in het Engels antwoord. Ik kan dat niet verstaan, maar opa is wel zo lief dat hij het voor mij vertaald. Heus, ik ben niet nieuwsgierig, maar wil net zoals Opa IJsbeer wel graag alles weten. Binnen een uur zijn we terug in Almere. Opa heeft met papa en mama gewhatsappt en die komen mij op het station in Almere Stad ophalen. Mama wacht samen met Fayén op het perron. In de hal nemen we afscheid. Opa zegt dat hij het laatste stukje wel alleen durft te rijden. ‘Opa bedankt hè voor het oppassen.’

 



8 juli 2014

Bekaf

,,We zijn verhuisd.’’ Het welkom is overweldigend. Dit noemen ze in Grave Amsterdamse humor. Inderdaad in Brabant zijn ze weinig gewend en alles wat een beetje vreemd is of doet, komt volgens hen uit Amsterdam. En wen er maar vast aan. Dit heeft niets met Amsterdam te maken, maar is puur Gooi. Zoals wij (bijna) allemaal. Uitzonderingen zijn er nu eenmaal altijd.

De deur gaat open, op een kier. Eentje glipt er naar binnen en daarna… volgt al snel de rest. ,,Als jullie iedere keer een cadeau meenemen, dan kom je er de volgende keer niet meer in’’, krijgen we te horen. Neef Eddy, voor mij van de koude kant, grijnst. Van oor tot oor. We zijn er weer. Speciaal voor hem, want hij heeft zo graag mensen (lees familie) om zich heen.

Zo die is ook weer tevreden. Niet verder vertellen hoor Christien, laat hem dit stukje maar niet lezen. Want eigenlijk komen we voor jou. We laten hem gewoon even naast zijn schoenen lopen van trots, dat wij helemaal uit dat verre Flevoland tot onder de rivieren zijn gezakt om hem een plezier te doen. Maar we komen gewoon op de lekkere balletjes gehakt af, die jij voor ons hebt gebraden en waar hij vanmorgen bij de bakker verse broodjes voor heeft gekocht, zodat we die ballen in een wit of bruin, naar believen, kadetje kunnen stoppen.

De kop is eraf. Het is de eerste zondag van juli en dat betekent dat het stadje beneden de sluis weer vol loopt met mensen die graag een traantje laten stromen over de wangen van anderen. Traonentrekkers noemen ze die wel. Niet mijn genre muziek en zeker niet als ze ook nog eens gaan vliegeren en daarmee denken een brief naar boven te kunnen sturen. Dan zijn ze bij mij aan het verkeerde adres. Dat ik daarmee, hier en vandaag, een eenling ben, besef ik terdege. Toch hoor ik liever een sad blues en laat dan mijn tranen rollen.

Maar wees gerust ik wil geen Spelbreker zijn, want ik omarm de liefde en warmte van alle mensen om mij heen, slurp alle details in mij op. En geniet vooral van mensen, ook van hem die op zijn balkon compleet uit het dak durft te gaan.

En zo slenteren wij met zijn allen tussen tienduizenden bezoekers door dit stadje. Onder poortjes door, langs diverse punten waar koren hun best doen om de mensen te vermaken. Een aantal koren heb ik al vaker horen en zien optreden. Maar misschien wel omdat dit niet mijn stijl is, blijft het mij verrassen, blijven ze mij verrassen. Terwijl de kleding toch weinig verrassends meer heeft. Veel kant, rood, zwart, een bloem in het haar of een hitsig hoedje op het gitzwarte haar. Want de leeftijd verklappen we niet, dus vlak voor een festival wordt nog even de portemonnee van de kapper gespekt.

En zo geeft Grave ieder jaar dat ik hier kom weer iets van zijn geheimen aan mij prijs. Dit jaar zijn de krochten van de stad aan de beurt. Niet dus… Ik reken dat maar onder het hoofdstuk minder geslaagde grappen van neef Ed, die beweert dat er onder Grave een oud Grave is gegraven, of gebouwd. Het verschil? Zal wel komen doordat hij langzaam maar zeker toch wat van dat Brabantse leven heeft meegekregen.

Daar word je ook wel een beetje Ège Wies van. Het bewijs daarvan wordt geleverd door jonge Ed, die zijn gezicht niet durft te laten zien in het stadje. Hij woont immers in de buitenwijken en niet in de vesting, dus heeft hij niks met gezelligheid. Onder het mom, van ‘wie moet de hond uitlaten’ laat hij verstek gaan. Nee, dan wij veralmeerste Gooiers, wij zingen bijna allemaal uit volle borst mee met al die mooie liedjes. Uiteraard kan ik niet zingen, want ik moet opletten en fotograferen en zie zoals gezegd de details.

Een van die details is Tineke, niet die van mij, maar die andere uit Limburg, waar ook over wordt gezongen. Wie schoan os Limburg is begrip toch nemens. Bijna veertig jaar niet gezien, maar geen spat veranderd. Op een vol plein pik ik haar er zomaar uit, begin te zwaaien. ‘Naar wie zwaai je’, wordt mij gevraagd. ‘Naar wie denk je. Als ik naar haar toe loop, en haar op een paar meter genaderd ben, ziet zij mij ook. Die andere Tineke, die van mij dus, is achterom gelopen, tikt haar op de schouder op en minuten lang hangen zij als een stel Dolle Diva’s in elkaars armen. Vroeger was dat niet anders, hoewel toen waren het geen Diva’s maar Mina’s.
Vraag maar aan Thea, nee Ed niet die van jou er zijn meer hondjes die Sam heten en zo heb je ook meer vrouwen met die naam.

Ik dwaal ondertussen knap af door Grave en dat was toch niet de bedoeling. Nee het streven was om Het Kaf gescheiden van de Koren te laten optreden onder het motto: Zing maar Lekker Mee. Want in Brabant zijn we lekker sociaal bezig dus Huûr ôs en je hebt een gezellige dag. Nee, niet dat we te huur zijn, maar je moet ons eens goed horen. Zeker als wij volledig uit ons dak gaan in de tent, die vlak bij de oude haven, of is het de jachthaven, staat opgesteld.

Uiteraard draagt neef Ed Tulpen uit Amsterdam aan. Maar er kan geen Smartlappenfestival worden gehouden zonder dat Het Kaf gescheiden van de Koren het wereldberoemde En we hebben een woonboot, het ligt in de Amstel ten gehore brengt. De leadzangeres van de Koren was ditmaal gescheiden van Het Kaf en zong in Mokum het duet Poesje mauw. Maar werd via de smartphone gewoon de Amstel ingetrokken. Zo gaat dat tegenwoordig.

Ondertussen staat Warempel klaar met het Vischwijvenkoor en denkt Ontroerend Goed dat de thuishaven de havenkom van Grave is. Maar die is al bezet door het paar uit Haven, dat met liefde niet uit de klei maar uit de mud is getrokken. Nee, dit is geen marathon, zelfs niet voor koren. Ik zou het liever onder het hoofdstuk Goei Volluk willen scharen, maar ja die komen uit buurgemeente Cuijk.

Terwijl het feest zijn einde nadert, begint mijn hoofd begint over te lopen. Daarom zonder ik mij even af en krijg meteen de verwachte regendruppels op me. Daar blijft het bij. Buiten wordt gedanst, binnen de polonaise gelopen. Van een afstand hoor ik de liedjes nagalmen, zie de eerste koren vertrekken. De Zangkoorts is dan al voorbij, ’t Mag geen naam hebben. Nee, dan Suuk-7 of Het Koor van Tante Door, die vrolijk kwebbelend voorbijkomt.

Als dessert hebben neef Ed en zijn Christien het Steakhouse Don Kiesjot afgehuurd. Ik neem de molentjes vandaag wel voor mijn rekening, want met zoveel indrukken ben ik Bekaf.









2 juli 2014

Een drukke dag




Kalo Mina zegt Opa IJsbeer altijd als hij mij ziet op de eerste dag van een maand. Nee, hij scheldt mij echt niet uit voor een kale, want ik heb wel haar, maar hij wenst mij daarmee een maand vol voorspoed toe, een maand met gezondheid, een goede maand.

Deze dinsdag ,1 juli, begint als bijna alle andere dinsdagen. Gisteren ben ik bij Mamoe geweest .en vandaag ga ik weer naar de kinderopvang Oliver. Dat denk ik althans, maar dat gebeurt niet want mijn papa en mama brengen mij bij Opa IJsbeer. Mamoe is al met de trein naar haar werk in Amsterdam en wij (opa en ik) gaan samen ook naar Amsterdam. Een verrassing, opa gaat met mij naar Artis, dieren kijken.

Dat is wel een heleboel geregel hoor, zo’n dagje uit, want dat moet wel met de Oliver doorgesproken worden en opa neemt heel veel mee. Mijn tasje met kleren voor als er een ongelukje gebeurt, luiers, schoonmaakdoekjes, een washandje, crunchy’s, krentenbollen, pakjes drinken, zijn fototoestel en het belangrijkste van alles; hij vergeet mij niet mee te nemen. En zo gaan we eerst met de bus naar het station van Almere Buiten en daar nemen we de trein, richting Schiphol. Die trein heeft twintig minuten vertraging, dan zal de rest ook wel niet op tijd rijden, dus stapt opa samen met mij in Weesp over. Aan de andere kant van het perron staat al een trein te wachten. Die gaat echter ook naar Schiphol merkt opa als we onderweg zijn. Daar schieten we weinig mee op.

Opa IJsbeer besluit ijskoud dat we dan in Duivendrecht maar met de Metro moeten gaan. Dat is een idee, en dan bij het Waterlooplein uitstappen en wachten op de tram 9. Die komt maar niet en opa weet niet dat lijn 14 ook bij Artis stopt, dus gaan we wandelen. Ik op de nek van opa. Dat zit best hoog, dan kan ik mooi over alle hoofden heen kijken en hoef ik niet tegen damesbenen aan te koekeloeren. Moeilijk woord hè, heb ik van opa geleerd.

Artis is gelukkig niet ver, zodat Opa niet moe wordt en wij lekker gezellig samen nog heel veel dieren kunnen bekijken. De eerste beesten zijn de kamelen. Dat zijn rare dieren, ze schommelen heel erg, en ze hebben twee bulten op hun rug. Daar kun je lekker tussen zitten, zegt opa. Nou dan zit ik toch liever in de auto bij papa of mama, of op de fiets bij opa. Maar op zo’n kamelenrug door het zand lopen, dat vind ik helemaal niets. Stoffig ook door dat zand en dan krijg ik vast vieze handen.

Opa heeft mij beloofd dat ik in de dierentuin wat te drinken krijg en die krijg ik ook samen met mijn eerste crunchy van de dag, lekker hoor. We gaan daarom eerst even zitten. Achter ons zwemmen de eenden nieuwsgierig langs. Zij hopen ook dat ik wat voor hen in water laat vallen. Maar dat mag niet van Opa IJsbeer. Voor ons liggen de leeuwen lui in de zon. Zelfs een keer brullen, helemaal voor mij, doet vader leeuw niet. Hij zwaait een keer met zijn staart, nog een keer om een vlieg weg te jagen en meer is hij niet van plan. Zijn vrouw doet haar hoofd een keer omhoog. En dat is het.

We lopen langs de tijgers, opa zegt dat het een panters zijn, maar ik vind het tijgers, dus… En we zien vogels. Hele grote vogels. Met een scherpe kromme snavel en grote klauwen van poten. Gieren zegt de oppasser. Ja oppassen moet je wel voor ze. Hoewel ze alleen maar dode beesten en soms ook dode mensen eten. Maar ik weet mooi niet of ze dat zelf wel weten. Nee, dan ga ik toch liever naar de giraffe, die steekt alleen maar zijn nek uit. En de kleine giraffe zit nieuwsgierig naar mij te kijken. Alsof hij nog nooit een mensenkind heeft gezien.

We hebben dan al wel slangen gezien en een krokodil. Die bijt in je bil, zegt opa. Nou dat vind ik toch wel een beetje eng, dus loop ik liever maar snel door. De vlinders vind ik wel leuk, die fladderen zo mooi. Sommige vlinders eten van fruit dat overal is neergelegd. Hele grote vlinders heb ik gezien. Mijn neefje Gianny is al heel vaak in Artis geweest en weet misschien wel hoe ze heten, daar ben ik nog te klein voor. Maar over een paar jaar, zal ik er vast wel een paar kunnen herkennen.

In de vlindertuin lopen een paar jongens hard rond en daar wil ik wel mee spelen. Ik loop met ze mee. Opa kan niet zo hard lopen en de jongens nemen mij mee naar buiten. Opa zoekt mij en ziet mij en de jongens bij een mijnheer van Artis staan. Die mijnheer vraagt aan opa hoe ik heet, nou dat weet opa wel. Opa kent die mijnheer ook, van vroeger, van het zaalvoetbal in Älmere. Wat is de wereld toch klein. Die mijnheer zegt dat er iedere dag wel zes jongetjes, nee geen meisjes, weglopen en zoek zijn. Nou ik ben mooi niet zoek. Maar ben gewoon met die jongens aan het spelen.

De zeehonden, die ik geen zeehonden mag noemen maar wel robben, kregen visjes. Ik kan er niet veel van zien, want er zijn erg veel kinderen in de dierentuin en de meesten staan voor mijn neus. Als de visgooier klaar is, gaan de kinderen weg en kan ik de Californische zeeleeuwen of hoe ze ook moeten worden genoemd, pas goed zien zwemmen. Snel dat ze zijn. En ze hebben van die guitige kopjes met snorharen. Die zijn veel langer dan de snor van Opa IJsbeer.

Weten jullie wat ik ook nog heb gezien? Een gorilla, die haalt met een stokje eten uit een boom. Ik denk dat-ie honing aan het snoepen is. En in dezelfde kooi staan ook stokstaartjes. Dat zijn grappige beestjes joh, die gaan recht overeind staan als ze om zich heen willen kijken. En ze hebben allemaal holletjes waarin ze zich kunnen verstoppen.

Opa heeft me ook meegenomen naar de vissen. De haai is heel boos. Denk je van niet. Mooi wel. Hij zwemt iedere keer weer naar mij toe en kijkt heel erg boos naar me. Ik vind dat helemaal niet eng, want er zit dik glas tussen, zodat hij mij helemaal niets kan gebeuren. Er zijn heel veel vissen daar. Zo heb ik een girafmeerval onder zijn buik gekieteld. Leuk is dat, hè opa. Dat mag ik van jou doen en ik ben nog steeds niet bang. Die grote kreeften vind ik wel een beetje eng en de zeepaardjes die maken speciaal voor mij een dansje.

De kleinere aapjes zijn met elkaar aan het spelen. Twee van die apen hebben ruzie en een grote aap geeft ze straf. Als je niet wil luisteren, dan krijg je straf. Ook als je Opa IJsbeer heet, die is gisteren over de bank geklommen. En dat mag niet hè Mamoe. En toen ging hij ook nog met de voetbal in de gang spelen. Opa wil niet luisteren, zo ondeugend.

Maar vandaag is hij niet ondeugend. Ik mag van hem spelen met andere kindjes bij een hele grote glijbaan. Roetsj zo van de nek van de giraffe af. Opa zegt dat daar een liedje van is. Niet van Dikkie Dik, maar van Dikkertje Dap,

Hij heeft me ook nog meegenomen naar de ijsbeer. Geen echte, want die hebben ze niet meer in Artis. Ik krijg ook een boekje van Dikkie Dik in de dierentuin van hem. Dat vind ik zo lief.

Daarna zijn we met de tram naar het station gegaan. Het is heel druk in de tram. Gelukkig kan opa nog een stoel vinden en ik mag op zijn schoot zitten. Naast een moeder met een baby. Veel weet ik daar niet meer van, want ik ben in slaap gevallen, vlak voor het station maakt opa mij weer wakker. Toen we bij het station waren doet het pasje van opa het niet meer en hebben we nog een nieuwe kaart moeten kopen. Daardoor missen we wel de trein. Vind ik niet erg hoor, want nu komt er een lieve mevrouw naast me zitten in de trein en daar heb ik lekker mee zitten praten. En met opa heb ik gelachen, ondeugend gedaan, rare gezichten trekken. Het laatste stukje is met de bus en toen nog een stukje op opa’s nek.

Mamoe is nog niet thuis en als ze thuiskomt met de boodschappen, maakt ze snel het eten. Lekker met appelmoes en gele vla toe. Na het eten mag ik bij Opa IJsbeer achterop op de fiets. Hij heeft mij thuis gebracht en ondergestopt. Nee, ik ben niet meer aan het donderjagen, want ik ben flink moe. Wat wil je ook van zo’n dag.



30 december 2013

Opa leert zijn kleinzoon schaken

Tineke leert onze kleinzoon in een kwartiertje de namen van de schaakstukken en welke zetten ze mogen doen. Het leren schaken laat ze daarna aan mij over. Maar hoe doe je dat eigenlijk? Ik heb werkelijk geen flauw  idee. Zelf heb ik het schaken geleerd uit een boekje. Geschreven door Hans Bouwmeester. Het waren meerdere boekjes, verschenen in de Prismareeks. Pockets in een handig formaat, die zetten, openingen en trucjes bevatten. Alsmede tekeningen van stellingen en dat speelde ik dan na. Ik was toen een jaar of tien, elf misschien.
Thuis kon niemand schaken, dus aan hen had ik niets. Mijn vader heeft het daarna van mij geleerd en een buurjongen kon het. Verder kende ik niemand. Daarom bleef het spelen vooral beperkt tot het naspelen van partijen uit boekjes, en uit kranten, want op zaterdag stond er altijd een schaakrubriek in de krant met oude en nieuwe partijen.
Pas veel later, toen ik werkte, heb ik wat meer geleerd. Door te kijken en te spelen tegen verenigingsschakers. Ook heb ik toen een keer aan een teamwedstrijd meegedaan van mijn werk en we werden toen onverwachts derde. Van mijn drie partijen haalde ik een halfje, en dat gaf net de doorslag. Was ik dus best trots op. In Duitsland won ik in mijn diensttijd de schaakkampioenschappen van onze batterij, maar een vervolg tijdens de kazernekampioenschappen zat er voor mij helaas niet in, vanwege andere verplichte werkzaamheden.


En nu mag Opa IJsbeer zijn kleinzoon leren schaken. Maar, zoals al gezegd, hoe doe je dat? Gianny zet de stukken op en mag de openingszet doen. Uiteraard mist hij nog het overzicht. Wat wil je ook? Het jochie is pas zes. Dat kun je dus ook niet van hem verwachten. Vooral het dekken van stukken, maar ook wat er allemaal op zo’n bord gebeurd, gaat aan hem voorbij. Zeker als ik mijn paarden in stelling breng is het eerste spel al snel afgelopen. Dat moet dus anders.

Ik haal al mijn stukken, op de koning na, van het bord en laat hem alleen twee torens en een koning houden. Daarmee moet hij mij mat zetten. Hij moet mij steeds een rij naar achteren dwingen. Soms geeft hij met de verkeerde toren schaak en kan ik weer een rij naar voren. Ook geeft hij mij soms de kans zijn toren te slaan. Zo leert hij dat hij zijn torens niet altijd ongedekt kan laten staan. Het is veel voor zo’n mannetje, maar in twee dagen maakt hij snel vorderingen. Steeds vaker en sneller weet hij mij mat te zetten. En als hij dan op zondag aan zijn moeder demonstreert wat hij heeft geleerd, staat die met grote verbaasde ogen te kijken. Bovendien kent zij het verschil tussen een koning en een koningin niet. Maar trots is zij wel op haar schaakprins.

7 april 2013


Zo tussen brug en brug

 

Yari’s dagboek

6-7 april 2013

Terwijl mama Raema werkt en papa Daniël kinderen laat vliegen, word ik gestald bij Mamoe en vooral Opa IJsbeer. En als die zijn dag heeft, nou dan…

Nou zaterdag heeft hij zijn dag niet. Hij wil per se naar Almere Stad. Op zoek naar boekjes over de Cycladen en nog  liever over Andros en Tinos, waar hij binnenkort met Mamoe naar toe wil. Dat lukt dus mooi niet, dat boek. Dat had ik hem eigenlijk vooraf ook wel willen vertellen. Maar zoals zo vaak, luistert hij niet. Of zou hij mij toch nog niet begrijpen?
 
Opa IJsbeer wil ook nog even op zoek naar een goede tuitbeker voor mij, omdat die andere zo lekt. En dus gaan we samen met de bus. Lijn 5. Hij moet betalen, omdat hij zo graag naar Stad wil en ik ga gratis mee. Wel in de wandelwagen, want mijn kleine beentjes worden anders te moe.

Ik zal het kort houden, want anders worden jullie moe. We vinden Almere Stad. Of beter gezegd, de chauffeur weet de weg bijna blindelings te vinden. We stappen bij het ziekenhuis uit. Dat is de plek, dat ziekenhuis dus, waar ik zo’n veertien maanden geleden ben geboren. Daarna gaan we naar de boekhandel. De reisboeken hebben een andere plek gekregen in de winkel en wat Opa IJsbeer zoekt, is er niet.
 
Toch gaat hij niet met lege handen weg. Eigenlijk ook wel, want hij gebruikt mijn wandelwagen als mandje. Daarna naar de Hema, waar volgens mama een goede tuitbeker te koop is. We gaan met de lift en nog een keer met de lift. Er zijn wel tuitbekers, maar Opa IJsbeer is daar niet tevreden over. Dan maar naar V&D, daar vind hij wel wat en voor mij een lappen IJsbeertje. Gelukkig`, nu mogen we naar huis, naar de IJsberenstate waar ze bij de deur de tong naar je uitsteken.

Voor het eten brengt Opa IJsbeer nog even een bundeltje naar Meester Meindert en tante Lia, geen echte tante, maar toch…

Na het eten ga ik slapen en dan komt zondag. De dag dat ik weer naar huis mag. Maar eerst nog ontbijten en drinken en wandelen en nog eens eten en nog een keer eten. Daar word je toch moe van. Zeker als Opa IJsbeer besluit om van de eerste mooie aprildag te genieten. Nou vannacht was het wel mooi tien graden onder nul, in Brabant. Maar goed ik heb niks te vertellen en moet mee.

Het zonnetje schijnt wel lekker, dus misschien heeft die oude brombeer ook wel een beetje gelijk om er samen met mij op uit te trekken. Maar daar weet ik niet zo veel meer van, want voor we onder de brug van de Buitenhoutsedreef door zijn dommel ik weg en als we er overheen zijn slaap ik. Als een roosje.

En dus eindigt het verhaal hier. Of hoort het te eindigen. Gelukkig fluistert Opa IJsbeer mij een stukje van het verhaal in. We lopen langs de dreef en gaan via het paardentunneltje naar de Lage Vaart. Daar blijven we even staan en na nog wat zonnegroetjes gaan we langs het water nu onder het viaduct van de Buitenhoutsedreef door. En als we daarna weer terug zijn over het water word ik weer wakker. Nou jou wakker, ik doe mijn ogen open.

Als we terug zijn heeft Mamoe al buiten gegeten, struiken geplant en gaat daarna weg naar wzawzdb. Daar gaat papa ook heen. Opa IJsbeer maakt nog een boterham voor me en geeft me heel veel drinken. Via de tuitbeker, die toch niet lek blijkt te zijn. Zijn we gisteren toch voor niks naar Stad geweest.

O ja, ik heb ook nog een cadeautje voor Mamoe gemaakt, van haar bijlage van het Parool. Ik heb die iets kleiner gemaakt, zodat ze die makkelijker kan lezen.