Kamikaze
Donderdag 14 mei 2009
Weer rond zeven uur wakker. Tegen achten naar de bakker voor een klein wit en een rond bruin. Het is de dagelijkse gang over de weg, langs het gemeentehuis waar de mensen al weer vroeg naar binnen schieten en dan door de hoofdstraat. Na de bakker loop ik naar het plaatselijk herdenkingsmonument en via een smal straatje richting het oude Kardamíli.
Naar de trappen en omhoog naar Várdia. Eenmaal boven, ga ik het ontbijt maken en Tineke wekken. Ze is op dat moment meestal al wel wakker en houdt zich slapende. Een enkele keer verras ik haar echter.
Na het ontbijt ga ik naar onze hostess voor het bespreken van de excursies. We moeten op die dagen vroeg op en dus wat regelen voor het ontbijt. Tineke besluit behalve de al door ons aangegeven excursies ook nog mee te willen doen aan een groepswandeling, zaterdag door de Viróskloof. Eind van de middag lezen we dat die tocht, bij gebrek aan belangstelling, niet doorgaat. Het geld dat ze heeft betaald, komt wel een keer terug. Tenzij ze nog aan een andere verzorgde wandeling meedoet. Natuurlijk.
Na het bezoek aan Marjolein ga ik de vaat doen. De autoverhuurder belt ondertussen en vraagt waar wij blijven. Haast, haast, haast. Dat ben ik niet gewend ik Griekenland. Meestal is het siegá, siegá. Ja toegegeven, Grieken achter het stuur hebben altijd haast.
Zelf vergeet ik mijn zwemschoentjes te pakken. De strandmatjes heb ik evenmin bij me en aan water pakken kom ik niet toe. In de haast. En dan de trap af. De ruim honderdvijftig treden, die ik al een keer omhoog ben gelopen.
Bij het verhuurbedrijf My Car stelt Tineke voor om de hele periode van tien dagen voor ons de Astra te reserveren. Dat is prima, kost wel vijftig euro meer. De auto heeft al wel enkele kleine deukjes, maar die worden keurig op een formulier vermeld en zullen ons bij inleveren niet worden aangerekend.
De grijsmetalic auto is vol getankt en wij moeten hem dus straks ook weer vol afleveren. De wagen rijdt prima. Nee, er is echt niets mis met Kamikaze driemaal Raema (KMK 5427).
De eerste dag staat in het teken van uitproberen. Naar Stoúpa, een kleine rit. Langs de boulevard waar vrachtwagens de boel hebben vastgezet. Achter ons ontstaat een kleine file. Maar niemand heeft haast. Geen ongeduldig getoeter.
We parkeren zelf net voorbij de boulevard en lopen terug naar een pinautomaat. En ook hier gaat niet alles naar wens. Het volledige bedrag wil de automaat niet uitkeren. ‘Is er soms iets misgegaan met de interne overboeking?’
We maken ons niet echt druk en wandelen over een fietspad naar het zuiden langs de baai van Selínitas naar Agios Nikolaos. Als je dit pad eenmaal hebt gevonden, dan kan er echt niets mis meer gaan. Dan kom je vanzelf op je eindbestemming.
O ja, niet schrikken van de verkeersborden. Aan beide zijden van het pad staan wilde bloemen. Een hagedis blijft loom zitten.
Een fietser heeft pech. Op tweederde van de afstand is Maniatiko een rustpunt. Bijzonder handig voor onervaren mensen die geen water hebben meegenomen. Want de zon kan aardig branden en dan is een slokje water onontbeerlijk. Wij nemen daar voor het eerst een glas frappé. Het wordt ook tijd. Pas op de vierde vakantiedag een glas ijskoffie, dat is not done. Het is een schande.
Als we bij Maniatiko onder de luifel zitten duikt er ineens een straaljager op. Niets bijzonders eigenlijk, want die dingen vliegen hier af en aan. In formaties van twee of drie. De jager scheert over het water. Hoe hoog/laag zit-ie? Twintig, dertig meter? Hij is nog niet weg of nummer twee laat zich zien en horen. Een ietsepietsie hoger. Je hebt nu eenmaal baas boven baas. In dit geval baas onder baas.
Het keerpunt van onze wandeltocht is een schattig vissersdorpje. Uiteraard heeft ieder dorpje aan de kust wel een vissersbootje liggen, maar hier wordt (’s morgens) ook in vis gehandeld. Rond het haventje wemelt het van taveernes. De weg langs de haven is ’s zomers voor autoverkeer gesloten. Maar nu kan en mag iedereen er vrolijk rijden.
De naam Agios Nikolaos bestaat nog niet zo gek lang. Heel lang heette het hier Selínitsa, een Slavische naam.
Voor de terugweg kopen we water, twee appels en nog wat frisdrank. Mijn lemonFanta klok ik in een keer weg. Tineke neemt op de terugweg alle tijd voor het maken van foto’s.
De zon staat gunstig. ‘Dat heb ik op de heenweg al gezien.’ Ik kuier rustig door. Niet erg. Zij loopt toch sneller en haalt me wel weer in. In Stoúpa vind ik de auto bijna blindelings terug.
In Kardamíli doen we grote inkopen en trekken ons daarna terug in Room 23.
Lezen, schrijven. Het zijn vaste waarden tijdens vakantie.
En ’s avonds weer naar Kíki voor een maaltijd. Tineke kiest voor de spaghetti bolognese. Ik neem de lamb in olijfolie en met oregano en groene bonen. Als toetje bestellen we sameli, een stuk cake op een dun laagje honing en afgedekt met een wit bolletje ijs. Van de dochter van de eigenaar, die als serveerster optreedt, horen dat er op de bergspits die Tineke heeft gefotografeerd inderdaad sneeuw en ijs ligt. Het is de één-na-hoogste berg van Griekenland. Ruim 2400 meter, in het Taýgetosgebergte, de Prof. Ilias.
Sneeuw in Griekenland. Het komt voor. Terwijl de middagtemperaturen aan de kust tot boven de dertig graden stijgen, is het in de bergen nog flink koud. Toch zal het niet zo heel lang meer duren, voor de sneeuw helemaal weg is.
Donderdag 14 mei 2009
Weer rond zeven uur wakker. Tegen achten naar de bakker voor een klein wit en een rond bruin. Het is de dagelijkse gang over de weg, langs het gemeentehuis waar de mensen al weer vroeg naar binnen schieten en dan door de hoofdstraat. Na de bakker loop ik naar het plaatselijk herdenkingsmonument en via een smal straatje richting het oude Kardamíli.
Naar de trappen en omhoog naar Várdia. Eenmaal boven, ga ik het ontbijt maken en Tineke wekken. Ze is op dat moment meestal al wel wakker en houdt zich slapende. Een enkele keer verras ik haar echter.Na het ontbijt ga ik naar onze hostess voor het bespreken van de excursies. We moeten op die dagen vroeg op en dus wat regelen voor het ontbijt. Tineke besluit behalve de al door ons aangegeven excursies ook nog mee te willen doen aan een groepswandeling, zaterdag door de Viróskloof. Eind van de middag lezen we dat die tocht, bij gebrek aan belangstelling, niet doorgaat. Het geld dat ze heeft betaald, komt wel een keer terug. Tenzij ze nog aan een andere verzorgde wandeling meedoet. Natuurlijk.
Na het bezoek aan Marjolein ga ik de vaat doen. De autoverhuurder belt ondertussen en vraagt waar wij blijven. Haast, haast, haast. Dat ben ik niet gewend ik Griekenland. Meestal is het siegá, siegá. Ja toegegeven, Grieken achter het stuur hebben altijd haast.
Zelf vergeet ik mijn zwemschoentjes te pakken. De strandmatjes heb ik evenmin bij me en aan water pakken kom ik niet toe. In de haast. En dan de trap af. De ruim honderdvijftig treden, die ik al een keer omhoog ben gelopen.
Bij het verhuurbedrijf My Car stelt Tineke voor om de hele periode van tien dagen voor ons de Astra te reserveren. Dat is prima, kost wel vijftig euro meer. De auto heeft al wel enkele kleine deukjes, maar die worden keurig op een formulier vermeld en zullen ons bij inleveren niet worden aangerekend.
De grijsmetalic auto is vol getankt en wij moeten hem dus straks ook weer vol afleveren. De wagen rijdt prima. Nee, er is echt niets mis met Kamikaze driemaal Raema (KMK 5427).De eerste dag staat in het teken van uitproberen. Naar Stoúpa, een kleine rit. Langs de boulevard waar vrachtwagens de boel hebben vastgezet. Achter ons ontstaat een kleine file. Maar niemand heeft haast. Geen ongeduldig getoeter.
We parkeren zelf net voorbij de boulevard en lopen terug naar een pinautomaat. En ook hier gaat niet alles naar wens. Het volledige bedrag wil de automaat niet uitkeren. ‘Is er soms iets misgegaan met de interne overboeking?’We maken ons niet echt druk en wandelen over een fietspad naar het zuiden langs de baai van Selínitas naar Agios Nikolaos. Als je dit pad eenmaal hebt gevonden, dan kan er echt niets mis meer gaan. Dan kom je vanzelf op je eindbestemming.
O ja, niet schrikken van de verkeersborden. Aan beide zijden van het pad staan wilde bloemen. Een hagedis blijft loom zitten.
Een fietser heeft pech. Op tweederde van de afstand is Maniatiko een rustpunt. Bijzonder handig voor onervaren mensen die geen water hebben meegenomen. Want de zon kan aardig branden en dan is een slokje water onontbeerlijk. Wij nemen daar voor het eerst een glas frappé. Het wordt ook tijd. Pas op de vierde vakantiedag een glas ijskoffie, dat is not done. Het is een schande.
Als we bij Maniatiko onder de luifel zitten duikt er ineens een straaljager op. Niets bijzonders eigenlijk, want die dingen vliegen hier af en aan. In formaties van twee of drie. De jager scheert over het water. Hoe hoog/laag zit-ie? Twintig, dertig meter? Hij is nog niet weg of nummer twee laat zich zien en horen. Een ietsepietsie hoger. Je hebt nu eenmaal baas boven baas. In dit geval baas onder baas.
Het keerpunt van onze wandeltocht is een schattig vissersdorpje. Uiteraard heeft ieder dorpje aan de kust wel een vissersbootje liggen, maar hier wordt (’s morgens) ook in vis gehandeld. Rond het haventje wemelt het van taveernes. De weg langs de haven is ’s zomers voor autoverkeer gesloten. Maar nu kan en mag iedereen er vrolijk rijden.
De naam Agios Nikolaos bestaat nog niet zo gek lang. Heel lang heette het hier Selínitsa, een Slavische naam.Voor de terugweg kopen we water, twee appels en nog wat frisdrank. Mijn lemonFanta klok ik in een keer weg. Tineke neemt op de terugweg alle tijd voor het maken van foto’s.
De zon staat gunstig. ‘Dat heb ik op de heenweg al gezien.’ Ik kuier rustig door. Niet erg. Zij loopt toch sneller en haalt me wel weer in. In Stoúpa vind ik de auto bijna blindelings terug.In Kardamíli doen we grote inkopen en trekken ons daarna terug in Room 23.
Lezen, schrijven. Het zijn vaste waarden tijdens vakantie.
En ’s avonds weer naar Kíki voor een maaltijd. Tineke kiest voor de spaghetti bolognese. Ik neem de lamb in olijfolie en met oregano en groene bonen. Als toetje bestellen we sameli, een stuk cake op een dun laagje honing en afgedekt met een wit bolletje ijs. Van de dochter van de eigenaar, die als serveerster optreedt, horen dat er op de bergspits die Tineke heeft gefotografeerd inderdaad sneeuw en ijs ligt. Het is de één-na-hoogste berg van Griekenland. Ruim 2400 meter, in het Taýgetosgebergte, de Prof. Ilias.
Sneeuw in Griekenland. Het komt voor. Terwijl de middagtemperaturen aan de kust tot boven de dertig graden stijgen, is het in de bergen nog flink koud. Toch zal het niet zo heel lang meer duren, voor de sneeuw helemaal weg is.
Haar training voor de Dam-tot-Damloop en de halve marathon van Amsterdam, beide lopen worden later dit jaar gehouden. Ik doe in de tussentijd de vaat, lees en schrijf.
Het uitzicht naar achteren is wonderschoon. Uitzicht over Kardamíli met zijn toren. We slingeren rustig omhoog. Deze route moet je niet nemen met regen, want dan ga je echt onderuit. Dat besef ik meteen.
Een aantal vaten voor wijn, een andere drank of misschien wel voor olijfolie. Maar dat laatste geloof ik niet. Ik laat mijn camera klikken. Ik kan het gewoon niet laten. We doen het dorpje hierna in sneltreinvaart. Geen tijd voor kerkjes, die gesloten zijn. Geen tijd voor het kerkje dat hoort bij het klooster van Koimesis Theotokou.
Waar we gisteren naar op zoek zijn geweest. Maar die route nemen we niet. Tineke loopt de weg in naar Prasteío. Een route die deels door de velden, maar ook dwars door een olijfboomgaard loopt.
Luid gelach klinkt achter ons. Twee Noorse meiden naderen in sneltreinvaart, passeren ons en verdwijnen in het niet. Terwijl ik het eerste (kleine) opslagkaartje voor mijn fototoestel wissel. Ik verbaas me over het tempo waarmee deze jonge vrouwen lopen. Zo vlak is de bodem toch ook weer niet. Ik moet echt opletten waar ik mijn voeten neerzet. Daar hebben zij kennelijk geen last van. Of is het gewoon overmoed en gaat het bij toeval allemaal goed?
De route staat redelijk aangegeven. Eén dwaalpunt is er. En uiteraard lopen we daar verkeerd. Verkeerd? Het pad dat wij nemen komt ook in Prasteío. En geloof het of niet, we zijn er eerder dan de Noorsen, die ons zijn gepasseerd.
De Myceense tombe en een aantal andere bezienswaardigheden laten we voor wat ze zijn. De kafeinions in het dorp zijn gesloten. Nog steeds geen frappé dus. Een bronblok nodigt ook niet echt uit tot drinken, dan wel het vullen van de flessen. Het Griekse woordje den (niet) in combinatie met to nero en een vervoeging van het woordje drinken, voorspelt weinig goeds. De drinktroggen voor de dieren staan bovendien al een tijdje leeg.
Een Engelse vertaling voor toeristen zoals wij zou hier misschien op zijn plaats zijn.
Ik ben moe en ben blij als we eindelijk in Kardamíli arriveren. In het dorp kopen we water en nog wat andere spulletjes.
De autoverhuurder in het dorp is gesloten. Van zes tot acht open. Straks nog maar eens langs. Voor we gaan eten. Tineke spoelt weer kleding uit en gaat daarna slapen. Ik schrijf en blijf wakker. Wek Tineke om kwart voor zeven en na een verfrissing gaan we het dorp in. Nee, de jeeps zijn verhuurd. De laatste zondag is hij er nog. Twee dagen kunnen we over een Jimmy beschikken. Dat doen we niet. Dan maar een andere auto. Een Opel Corsa. In twee blokken. Eerst voor zes dagen, daarna drie dagen rust en nog een blokje van vier. Oeps, morgen is de Corsa niet beschikbaar. We krijgen daarvoor de iets duurdere Astra. Morgenochtend kan Tineke de auto ophalen en ’s avonds weer omruilen. Voor driehonderd euro. Een goede deal. Geld pinnen in Kardamíli lukt daarna niet. De automaat is leeg. Dat is al voorspeld. Daarvoor moet je meestal in Stoúpa zijn. Daar zijn op meerdere plekken pinautomaten. We hebben nog geld genoeg dus het is niet echt een probleem.
Onder de bomen is het prima toeven en het eten vissoep en mosselen voor Tineke en Melitsanessaganaki (gebakken aubergine met kaas) en een porksouvlaki voor mij smaken ook goed. Appel met honing van het huis toe. En veertig euro lichter verlaten we Evtychia. Voor de derde keer vandaag klim ik omhoog, 126 treden en om bij ons appartement te komen is er nog een toetje. 153 Treden totaal. ‘Benny zal trots op je zijn’, zegt Tineke. Met die woorden in mijn oren val ik in slaap.
We zijn ruim op tijd voor het welkomgesprek van onze hostess. Een bezoekje voor verkooppraatjes en andere zaken. Tineke heeft Kalamáta bekeken bij het doorrijden vanaf het vliegveld en heeft geen zin om met een auto door deze stad (ongeveer 55.000 inwoners) te crossen. Daarom wil ze het liefst een aantal excursies doen. Excursies naar plaatsen waarbij je bijna verplicht bent om door Kalamáta te rijden. Excursies naar in ieder geval Olympia, dat al op ons verlanglijstje staat vanaf het moment dat we deze reis hebben geboekt. Voor mij een wensdroom die straks uitkomt. Verder excursies naar Monemvásia en Mýstras/Spárta. Wel houden we nog even een slag om de arm. Vanwege de al in Nederland geboekte tweedaagse excursie naar Athene. In onze slotweek. Er zijn nog onvoldoende mensen voor die trip. Daarom probeer ik die naar deze week te halen. Marjolein zal kijken of die excursie om is te boeken naar deze week. Wij nemen dat als maat voor het huren van een auto.
De omgeving leent zich voor het maken van wandelingen. We hebben al een wandelkaart en koop nog een Engels- en een Duitstalig boekje. Dat moet voldoende zijn. En dan gaan we op pad. Met voldoende drinken. Eerst langs het oude Kardamíli en vervolgens langs de Viróskloof omhoog. Over een pad dat ook voor mij redelijk begaanbaar is. Het hijgen neemt toe. Een ding is snel duidelijk. Geen groepswandeling voor mij. Geen wandelexcursie dus. Dit is genoeg. Wandelen in eigen tempo. Niemand ophouden. Ja, Tineke.
Die mijn fratsen dapper verdraagt. Zo nu en dan even stoppen. Voor een slokje water en een fotoshoot, zoals van de kloof die links met ons meeloopt. Landinwaarts. Onderweg springen de hagedissen voor onze voeten weg. Het pad slingert omhoog. We overbruggen een hoogteverschil van ongeveer tweehonderd meter. Niet zo gek veel misschien? Maar met slechte achillespezen en een knikkende knie vind ik het een hele prestatie.
Voor een bezoek aan de kerk moeten we bij de priester in Kardamíli zijn. In dit gehucht is er geen sleutelhouder meer. Jammer, want de muren van dit kerkje moeten heel indrukwekkend zijn. Met fraaie fresco’s.
Wij willen achter een frappé zitten. Het wordt een fles water. Eigenlijk overbodig want we hebben zelf nog twee flesjes van een halve liter en één grote fles met water in onze rugtas zitten. Drinken genoeg dus. Maar ja, gastvrijheid sla je niet af. En na onze dorstige kelen gesmeerd te hebben, vervolgen wij ons pad.
Heelhuids kom ik naar beneden. Voor Tineke is dat vanzelfsprekend. Op sommige stukken loop ik voor haar uit, dat vindt zij prettiger. Toch laat ik haar op andere delen voorgaan. Wil mijn eigen tempo bepalen. Botsingen voorkomen. Sta namelijk regelmatig onverwacht stil om te kunnen inschatten waar ik mijn voeten het beste kan neerzetten. Heel berekenend allemaal. Inderdaad. Het gaat sneller dan gedacht. Maar dat is met dalen meestal het geval.
Bij Gialos - aan de kust – aan de kust eten we meatballs en gemista (gevulde tomaat en paprika). Met verse sinaasappelsap en een Fanta citroen. Op ons gemak keren we terug naar Várdia. Tineke spoelt daar onze shirts uit. Ik lees, schrijf en dut in.
Tineke mijmert weg op het balkon. Ik duik om half elf onder de wol.
Maar laat ik het maar gewoon weer proberen. Het tijdpad volgen. Daarvoor moet ik terugkeren naar de zondagavond. Want voor ik op vakantie ga, moet ik wel eerst mijn belastingaangifte ingevuld hebben. En verzonden hebben. Rijkelijk laat ben ik daarmee. Ja, dat weet ik. Dat hoeft niemand mij onder de neus te wrijven. Het is een jaarlijks terugkerend iets. Dat invullen en dat te laat zijn.
Met nieuwe kleding, eerder deze week aangeschaft. Lekker gemakkelijk bij het inpakken. En er gaan uiteraard weer boeken mee.
Toch blijft er nog voldoende ruimte over voor onze toiletartikelen, die keurig afzonderlijk verpakt in plastic zakjes, klaar staan op het keukenaanrecht.
Een kopje thee/koffie en een broodje. Ondanks dat ik thuis al heb gegeten. Dat broodje snijd ik doormidden, zodat Tineke toch nog iets naar binnen krijgt, voor we de lucht in gaan.
Het wachten is op mijn tas. Als die eindelijk in de bagagehal verschijnt, volgt luid gepiep. De band wordt stilgezet. Nee, er is niets aan de hand. Het is allemaal heel normaal. Alle bagage ligt nu op de band, dus waarom laat je die nu nog verder draaien.
Lekker handig voor de chauffeur en voor het wegbrengen van onze bagage in Kardamíli. De tassen gaan in een bestelbus en worden naar boven gereden. De bezoekers van Anníska? Gaan met hostess Marjolein Bruijn naar dit complex. Wij worden met een auto naar boven gebracht. Deze eerste keer. In Várdia worden we ontvangen door Fotini Dimitréas en krijgen kamer 23 toegewezen. Beter hadden we het niet kunnen treffen. ’s Middags kunnen we in de zon uitkijken over de zee en de heuvels en ’s morgens kunnen we in de zon ontbijten op ons balkon aan de andere kant.
Ontbijten in Várdia zelf kan ook, voor de somma van tien euro per persoon. Zuinig als wij zijn laten we dat aan ons voorbijgaan. Voor dat geld loop ik gemakkelijk vijf keer op en neer naar het dorp. Bovendien is het veel leuker om zelf het ontbijt te maken en de gang iedere morgen naar de bakker hoort er voor mij gewoon bij. Van dat aanbod maken we dus geen gebruik.
Dat is het snelst. Bij het pleintje nemen we de eerste afslag naar twee taveernes. Kíki is echter nog gesloten en ook de keuken van Skardamoúla is dicht. Langs de hoofdstraat zitten bij Maístros mensen te eten. Daar moet het lukken.
Het eerste restaurant dat we aan de kust bekijken zit nog dicht. Het is nog vroeg in het seizoen, dus zo gek is dat allemaal niet. De tweede is wel open: Kíki dus. We nemen een gezonde choriatiki en spoelen dat weg met ouzo en Amstel. Verder een stifado voor Tineke en een geitenpootje in tomatensaus voor mij. Voor 26 euro, uit en thuis. Want we moeten opnieuw lopend naar Várdia. Via de trap ditmaal en eerst nog even bij de supermarkt langs voor water en een wandelkaart van de omgeving.
Geen goedkope vakantie dat weten we. We hebben de prijzen van vorig jaar en daar komt iets bovenop. Maar de som die ons wordt voorgeschoteld is te gortig. Dat is slikken. En dat moet de vlucht nog eens worden betaald. Even wachten met een vlucht boeken, raad het reisbureau ons aan. Want er komen goedkopere aanbiedingen. Ja, dat is leuk maar de reis door Israël dan. Komen daar ook aanbiedingen voor? Nee, daar moeten we het mee doen.
Een ander reisdoel? Daar doen we ook niet moeilijk over. Dat wordt de Pelopónnesos. Even googelen naar de site van Ross Holidays en dan staat ook de rest al vast.
We gaan voor het plaatsje Kardamíli, dat als pittoresk staat omschreven. En de accommodatie Várdia staat ons ook wel aan. Iets buiten het centrum, op een heuvel. Het voorstel van Tineke wordt door mij met algemene stemmen aangenomen. Wel breng ik nog ene amendement in. Geen studio, maar een appartement. We willen er namelijk drie weken doorbrengen en dan is een kamer extra wel zo fijn.
We krijgen van Ross een vroegboekkorting en een extraatje omdat we een redelijk vaste klant beginnen te worden. Uiteindelijk zijn we bijna de helft goedkoper uit dan bij ons eerste plan. Wat wil een mens nog meer. Nou mooi weer bijvoorbeeld. De reis staat gepland voor vertrek op 11 mei en terugkeer voor 1 juni (Tweede Pinksterdag). Dus dat kan alle kanten op. Het kan regenen, maar ook flink warm zijn.
Door het graven van het kanaal van Kórinthos wordt de Pelopónnesos ook wel eens oneerbiedig een eiland genoemd. Maar doordat het via een aantal bruggen aan de rest van het vaste land is verbonden, willen de Grieken daar zelf niets van horen. En gelijk hebben ze vind ik. De Pelopónnesos is verdeeld in diverse provincies. Met de klok mee, Achaï, Korinthia, Arkadia, Lakonia, Messinia en Ilia. In dit deel van Griekenland wonen ongeveer anderhalf miljoen mensen.
En de namen Olympia (in Ilia) en Spárta (in Lakonia) spreken uiteraard voor zichzelf. Maar ook de allereerste hoofdstad van Griekenland is hier te vinden. Olympia en Sparta staan uiteraard meteen op ons verlanglijstje. En de rest? Dat zien we later wel.
Kardamíli ligt zelf in de provincie Messinia. De hoofdstad daarvan is Kalamata, het financiële bolwerk van de Pelopónnesos. Misschien niet het belangrijkste maar zeker het beruchtste deel van Messinia is de Máni, dat zelf weer in twee stukken is verdeeld (Buiten – Exo en Binnen – Mesa). Exo Máni begint iets ten zuidoosten van Kalamáta bij het plaatsje Kambos en loopt door naar de stad Areopoli. Daaronder ligt het nog ruige Mesa Máni met vaak piepkleine dorpen.
De Mánioten zijn vermoedelijk afstammelingen van de Spártanen. Mensen die hun vorige stad vrijwillig dan wel gedwongen hebben moeten verlaten. Met name de Mesa Máni is altijd vrij gebleven. De Turken zijn er bijvoorbeeld nooit in geslaagd, om dit stukje te onderwerpen.
Van de verering van de Griekse goden is in deze streek nauwelijks iets terug te vinden. Er staan wel veel kerken en kapelletjes. En onbewoonbare (dichte) kloosters. De meeste religieuze gebouwen zijn sowieso op slot tegenwoordig. Uit angst voor diefstal. De sleutel ligt soms op een verborgen plek. Er zijn ook sleutelhouders.
De Máni staat niet echt bekend om zijn mooie stranden. Zeker niet aan de westkant, het gebied waarin wij vertoeven. Wel is er voldoende gelegenheid tot zwemmen. We zullen het wel zien, als we er zijn. Kardamíli is zoals gezegd onze uitvalsbasis. Het ligt aan het begin of einde van de Viróskloof. Een wandelgebied, een gebied om tot rust te komen.
Met mij en water is het nooit meer goed gekomen. De zwemlessen werden een krijspartij. Steeds erger, tot mijn ouders me van zwemles hebben gehaald. Zwemmen heb ik daarna zelf geleerd. Nee niet echt goed, maar ik kan me redden. Maar wel met een gebruiksaanwijzing. Die heb ik mezelf opgeplakt. Met koeienletters, zodat mijn naaste omgeving er rekening mee kan houden.
Als ik niet stevig met twee benen op het beton ben verankerd, met twee voeten in het zand sta ingegraven.
Ook mijn kleinzoon heb ik meegenomen onder de natte druppels uit de douchekop, maar voorlopig heeft hij nog steeds veel ontzag voor dat water. En een vrolijke douchepartij, daar moeten we nog even op wachten. De angst om met het badwater weggegooid te worden, is gelukkig verdwenen.