Posts tonen met het label Vakantie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Vakantie. Alle posts tonen

7 juni 2010

Naar Pilion

De keuze van Pilion is vorig jaar al snel gemaakt.
Allereerst, Griekenland moest het weer worden en ook nog eens het vaste land. Na Epiros en de Peloponnesos – en in een veel eerder stadium Oost-Tracië – viel nu onze keuze op Pilion.
Al eerder heb ik geschreven dat zoiets gewoon opkomt en dat is eigenlijk ook nu zo. De folder van Ross Holidays heeft ons ook nu weer over de streep geholpen.
Verder verhaalden Ankie en Johan – hebben we vorig jaar ontmoet in Kardamili – ook zeer enthousiast over dit gebied. Dus Pilion moest het worden.
Daarnaast was er nog een keuze van Kalá Nerá of Afissos. Een moeilijke keuze. De twee dorpen liggen beide aan de westkant aan de Golf van Volos en een kleine tien kilometer bij elkaar vandaan. Het echte aanwijzen lijkt wel een beetje op het wegstrepen van mogelijkheden. Toen eenmaal de keuze op Kalá Nerá was gevallen, was het daarna niet moeilijk om ons te richten op Kamélia. Aan de rand van het dorp, maar ook weer niet al te ver weg. Lekker rustig zo gezegd.
Pilion is toeristisch gezien nog redelijk onderontwikkeld. Zo gaan er slechts twee Nederlandse touroperators heen. Maar ook buitenlandse touroperators komen nauwelijks naar dit gebied, waar enkele campings zijn gevestigd. Voor trekkers is dit een ideaal gebied, zodat er nog wel wat toeristen met een camper of caravan Pilion aandoen.
Pilion behoort tot de provincie Thessalië, met hoofdstad Larissa. Het ligt verder in het district Magnesia.
De belangrijkste stad in Magnesia is Volos, met een kleine tweehonderdduizend inwoners. Maar ook een deel van de Sporaden hoort bij dit district.
Talloze oude schrijvers, zoals Homerus, hebben al geschreven over Magnesia. Van de vele oude steden uit de geschriften is niet veel meer terug te vinden, teruggevonden. Oudheidkundige opgravingen vind je vooral ten westen van Volos.
Net zoals veel gebieden is ook Pilion door allerlei andere volken. De laatste bezetters waren de Duitsers en daarvoor waren de Turken – heel lang – de baas.
Over dit gebied is weinig geschreven, zodat we er bijna zonder kennis heen gaan. Er is een Nederlands boekje, dat ik op internet heb gevonden en dat ik aanschaf. En ons straks in Kalá Nerá (bij Kamèlia) zal worden aangereikt.
Wat onze plannen zijn. Een bezoek brengen aan de Meteora-kloosters. En verder? Vooral veel genieten. Wij zijn heel benieuwd.

8 juni 2009

Gewijzigd plan

Dit is het eerste verhaal uit een serie van 24. Ze gaan over onze voorjaarsvakantie 2009. Verder is het mijn verhaal. Natuurlijk heb ik gebruik gemaakt van lectuur en heb ik geluisterd naar gidsen en anderen. Welke boeken ik heb gebruikt? Dat zal ik in het laatste artikel vertellen. De foto's die ik plaats zijn door Tineke en mij gemaakt.

Deze serie vakantieverhalen hoort eigenlijk over onze voorjaarsvakantie in Israël te gaan. En niet over een reis door Griekenland. Maar het kan raar lopen in het leven. De reis naar Israël hebben wij vorig jaar al aangekondigd. De route zelfs al helemaal uitgestippeld en een offerte aangevraagd. Een rondreis van vijftien dagen. Eerst naar het noordwesten, dan naar de Golanhoogte, vervolgens afzakken naar het meer van Galilea en verder zuidwaarts naar de hoofdstad Jeruzalem. De rondreis is zo afgestemd, zodat we geen transfers hebben op de sabbat. Een vakantie waarbij rekening houden met de gevoelens van het volk. Vooraf veel rekenen en puzzelen. Echt leuk.
Geen goedkope vakantie dat weten we. We hebben de prijzen van vorig jaar en daar komt iets bovenop. Maar de som die ons wordt voorgeschoteld is te gortig. Dat is slikken. En dat moet de vlucht nog eens worden betaald. Even wachten met een vlucht boeken, raad het reisbureau ons aan. Want er komen goedkopere aanbiedingen. Ja, dat is leuk maar de reis door Israël dan. Komen daar ook aanbiedingen voor? Nee, daar moeten we het mee doen.
De goedkoperen vliegaanbieding rolt even later met de mail binnen. Ons besluit staat dan al vast. Geen Israël reis (dit jaar) voor ons. Deze prijzen voor vijftien dagen zijn te gortig. Dit doen we niet. Bovendien vijftien dagen worden al snel teruggebracht tot dertien. Want we reizen pas ver in de middag naar Israël en zijn dus pas ’s avond op onze eerste bestemming. En bij het vertrek hebben we een supervroege vlucht naar Schiphol. Hier doen we niet moeilijk over. We zetten dat plan uit ons hoofd.
Een ander reisdoel? Daar doen we ook niet moeilijk over. Dat wordt de Pelopónnesos. Even googelen naar de site van Ross Holidays en dan staat ook de rest al vast.We gaan voor het plaatsje Kardamíli, dat als pittoresk staat omschreven. En de accommodatie Várdia staat ons ook wel aan. Iets buiten het centrum, op een heuvel. Het voorstel van Tineke wordt door mij met algemene stemmen aangenomen. Wel breng ik nog ene amendement in. Geen studio, maar een appartement. We willen er namelijk drie weken doorbrengen en dan is een kamer extra wel zo fijn.
We krijgen van Ross een vroegboekkorting en een extraatje omdat we een redelijk vaste klant beginnen te worden. Uiteindelijk zijn we bijna de helft goedkoper uit dan bij ons eerste plan. Wat wil een mens nog meer. Nou mooi weer bijvoorbeeld. De reis staat gepland voor vertrek op 11 mei en terugkeer voor 1 juni (Tweede Pinksterdag). Dus dat kan alle kanten op. Het kan regenen, maar ook flink warm zijn.
De Pelopónnesos is het meest zuidelijke deel van het vaste land van Griekenland.Door het graven van het kanaal van Kórinthos wordt de Pelopónnesos ook wel eens oneerbiedig een eiland genoemd. Maar doordat het via een aantal bruggen aan de rest van het vaste land is verbonden, willen de Grieken daar zelf niets van horen. En gelijk hebben ze vind ik. De Pelopónnesos is verdeeld in diverse provincies. Met de klok mee, Achaï, Korinthia, Arkadia, Lakonia, Messinia en Ilia. In dit deel van Griekenland wonen ongeveer anderhalf miljoen mensen.En de namen Olympia (in Ilia) en Spárta (in Lakonia) spreken uiteraard voor zichzelf. Maar ook de allereerste hoofdstad van Griekenland is hier te vinden. Olympia en Sparta staan uiteraard meteen op ons verlanglijstje. En de rest? Dat zien we later wel.
Zoals plaatsen en gebieden heeft ook de Pelopónnesos nog een andere naam: Morea. De naam van het schiereiland is een samentrekking van het Griekse woord nisi (eiland) en Pelops. Pelops was in de mythologie de zoon van koning Tantalus. Deze Tantalus zette de goden een maaltijd voor, waarin delen van zijn zoon Pelops werden ontdekt. Dit werd ontdekt nadat Demeter een hap van het voedsel had genomen. Pelops werd weer tot leven gewekt, maar miste wel een stuk van de stuk van zijn schouder (de hap van Demeter) en daarvoor in de plaats werd een stukje ivoor geplaatst. Later kom ik nog wel een keer (bij het verhaal over Olympia) op deze Pelops terug.
Het plaatsje waar wij heen gaan, heeft enige tijd als havenplaats van het vroegere Sparta gefungeerd.Kardamíli ligt zelf in de provincie Messinia. De hoofdstad daarvan is Kalamata, het financiële bolwerk van de Pelopónnesos. Misschien niet het belangrijkste maar zeker het beruchtste deel van Messinia is de Máni, dat zelf weer in twee stukken is verdeeld (Buiten – Exo en Binnen – Mesa). Exo Máni begint iets ten zuidoosten van Kalamáta bij het plaatsje Kambos en loopt door naar de stad Areopoli. Daaronder ligt het nog ruige Mesa Máni met vaak piepkleine dorpen.
De fantasie van de Grieken neemt soms wel eens een loopje met hen. Het kan natuurlijk ook mijn fantasie zijn. Maar goed. Tijdens onze vorige vakantie heb ik geschreven over de toegang naar de onderwereld, die via de rivier de Acheron te bereiken is. Nee, ik neem die worden niet terug. Toch schrijf ik nu dat de ingang naar Hades, in de zuidpunt van de Máni ligt. Bij Kaap Tenaro. Maar niemand heeft de opening daadwerkelijk gevonden. Of beter: er is niemand die het heeft kunnen navertellen, waar de weg naar de onderwereld begint. Ik hoor het de mensen al zeggen: ‘Ga eens naar Peter R. de Vries. Die weet het vast wel.’ Ik bedoel echter een andere onderwereld. Het rijk der doden, het schimmenrijk.
Maar terug naar de Máni en zijn bewoners, de Mánioten. Mensen met een enorme vrijheidsdrang. Het zijn echte maniakken, grijpen heel snel naar de sabel en het woord bloedwraak, kan hier uitgevonden zijn. De vendetta’s gingen soms om een blik, maar ook zijn hele families uitgemoord om een stukje vruchtbare grond.
De Mánioten zijn vermoedelijk afstammelingen van de Spártanen. Mensen die hun vorige stad vrijwillig dan wel gedwongen hebben moeten verlaten. Met name de Mesa Máni is altijd vrij gebleven. De Turken zijn er bijvoorbeeld nooit in geslaagd, om dit stukje te onderwerpen.
De Máni heeft krachtige mensen voortgebracht. Sterke families heersten over de streek. De macht in het noorden is daarbij altijd van vader op zoon overgegaan. Het zuiden hanteert echter een andere regel. De leider van een stam wordt gekozen. Een vroege vorm van democratie. In het gebied staan talloze woontorens en forten.Van de verering van de Griekse goden is in deze streek nauwelijks iets terug te vinden. Er staan wel veel kerken en kapelletjes. En onbewoonbare (dichte) kloosters. De meeste religieuze gebouwen zijn sowieso op slot tegenwoordig. Uit angst voor diefstal. De sleutel ligt soms op een verborgen plek. Er zijn ook sleutelhouders.
De Máni staat niet echt bekend om zijn mooie stranden. Zeker niet aan de westkant, het gebied waarin wij vertoeven. Wel is er voldoende gelegenheid tot zwemmen. We zullen het wel zien, als we er zijn. Kardamíli is zoals gezegd onze uitvalsbasis. Het ligt aan het begin of einde van de Viróskloof. Een wandelgebied, een gebied om tot rust te komen.

5 augustus 2008

Zonsondergang
Na een snel ontbijt breken we de tent af. Nog een overnachting voor we weer thuis zijn. Dat is ons doel. Ergens in de buurt van Lelystad stoppen en daar nog een keer de tent opzetten. Een voordeel is dat de route redelijk in mijn hoofd zit, zodat we niet al te veel om zullen rijden. Nadeel is dat we veel lange rechte wegen voor ons hebben liggen.
Maar goed het eerste stuk is in ieder geval niet vervelend. Tussen de Friese meren steken we door. Overal zien we masten en zeiltjes. Het aantal fietsers in Friesland is niet zo groot. Bij Lemmer en het gemaal Buma rijden we Flevoland in. Terug in onze thuisprovincie, onder de zeespiegel. Het land waar de gemalen hun werk doen, zodat wij droge voeten houden.
Het weer zit mee. De wind laat zich niet zien en horen. De naam Bant kennen de kinderen alleen van het regionale nieuws. Nu rijden we er doorheen. Recht op Emmeloord aan. Ik moet denken aan De Zuiderzeeballade. Tineke begint prompt te zingen. Sylvain Poons is er niets bij. En aan de horizon ligt Emmeloord.
We stoppen in het centrum, even wat eten en drinken. De kinderen doen het prima. Tineke moet Raema wel veel duwen, maar ik probeer dat zoveel mogelijk met haar af te wisselen. Haar ‘loden arm’ kan ik echter toch niet voorkomen. We rijden door Nagele, het dorp met de platte daken. De Ketelbrug is het volgende obstakel. Daarna nemen we de IJsselmeerdijk, boven ons staan de windturbines te draaien. We rijden op het schuine talud, tussen de schapen door die aan de buitenkant van de dijk staan. De kar helt, maar het doet de spaken geen kwaad. Hulde aan de smid en de fietsenmaker in de Ijhorst. Vakmensen.
Bij de Flevocentrale buigen we landinwaarts. Bij Lelystad maken we uiteraard te veel kilometers. Hier willen we overnachten, maar kunnen de camping, die aan de rand van de provinciehoofdstad van Flevoland moet liggen, niet vinden. We eten in een restaurantje in Lelystad-Haven. In het voormalige pioniersdorp, waar ook Rijkswaterstaat lang zetelde. Hout is hier het toverwoord. ,,En hier heb ik de Wiener schnitzel leren eten’’, zal Raema vele jaren later nog eens zeggen.
Aan de zuidzijde van Lelystad moet volgens de kaart nog een camping zijn, bij ’t Bovenwater, iets ten noorden van de Knardijk. Het is daar echter uitgestorven en we besluiten maar om door te gaan. Eerst terug over de Knardijk naar de Oostvaardersdijk. Aan de linkerkant liggen de Oostvaardersplassen, rechts het Markermeer. De zon zakt langzaam in het water weg. Een prachtig gezicht. Die zonsondergang verzet voor even onze zinnen. Zeker voor de kinderen, want voor hen is het toch wel een flinke rit.
We nemen even voorbij het kassengebied in aanbouw de afslag naar industrieterrein De Vaart en komen vanzelf in Almere-Buiten terecht. Het is nu nog maar tien kilometer. Het eigen bed lonkt en daardoor houden de kinderen zich goed. Doortrappen, want de bewolking neemt toe. In de verte zien we het weerlichten. Gerommel. Bij het Oor nog een korte onderbreking. Fietsers vragen de weg naar een camping. Tegenwoordig is er een te vinden bij het Weerwater, bij Haddock. Maar in 1993 kun je of vrij kamperen aan de Hoge Vaart of terecht bij het Muiderzand. Tineke helpt de kampeerders op weg.
Ik rijd met mijn twee kleine meiden door naar huis.
Chapeau.
Petje af.

PS
Ze slapen als marmotten met hun Deense trol in de armen.

4 augustus 2008

Mijn meiden
Tineke blijft zo’n twee weken op Stortemelk, terwijl ik met Harry Homma in zijn auto naar Aalborg in Denemarken rijd, om voor de krant verslag te doen van de Jeugdspelen.
Ik gebruik daarvoor een oude laptop.
In Denemarken gebruiken ze andere stekers dan in Nederland, zodat er eerst een tussenstuk moet worden aangeschaft. Dat werkt niet en in een winkel wordt een noodoplossing gemaakt.
Zo, nu kunnen we via de telefoon ons eerste stukje doorsturen. Dat moet ik daarna dagelijks. Soms meerderde artikelen. Harry vertrekt na een paar dagen en dan sta ik er alleen voor. Het is een week hard werken, maar ook leuk. Echt veel vrije tijd heb ik niet. En het gezonde eten schiet er ook wel eens bij in. Wel start ik iedere dag met een stevig ‘gratis’ ontbijt. Nou ja gratis, dat zit wel bij de hotelprijs inbegrepen.
Voor de kinderen koop ik in Aalborg een Deense trol. Daar zullen ze ongetwijfeld veel plezier mee hebben.
Ik krijg van Joop Kuys, voorzitter van de Almeerse stichting, na afloop van het evenement op zaterdag een lift naar Almere. Op zondag snel enkele afsluitende artikelen tikken en op maandag nog even een paar uur naar de krant.
Die avond zie ik mijn meiden weer.
Tineke is ’s morgens naar het zuiden afgezakt en belandt in Heeg.
Ze zoeken een plekje op een hoekje uit. De mannen op de camping gaan er eens goed voor zitten. Hoe zo’n vrouw alleen met wat kinderen de tent gaan opzetten. ,,Goed luisteren en niet zeuren’’, zegt Tineke. ,,We zullen ze eens laten zien, hoe je dat doet.’’
Het gaat lekker snel en na afloop is Tineke best trots. ,,De tent heeft de hele vakantie nog niet zo goed gestaan.’’
Ik ben net thuis van mijn werk en heb een biefstukje op het vuur staan als Tineke belt om te zeggen dat ze in Heeg op de camping staan en dat ik mijn meiden in de buurt van de VVV kan vinden.
Ik prop het vlees met een boterham naar binnen, rijd terug naar Stad en koop in het centrum bij bakkerij Otto Schaap (tegenwoordig zit daar muziekhandel ’t Oor) nog snel een pakje krentenbollen voor onderweg. En dat gaat het in sneltreinvaart naar het noorden, naar mijn meiden.
Over de dijk gaat het naar Lelystad en dan door naar de Noord-Oostpolder, langs Nagele en door Emmeloord. De wegen zijn recht en gelukkig blaast er een zuidelijk windje in mijn rug.
Het is nog steeds licht als ik Lemmer achter me laat. Ik fiets tussen het Tjeukemeer en de Groote Brekken door. Bij het Prinses Margrietkanaal heb ik pech. Nou ja, wat heet pech; de brug gaat open. Even tijd om uit te blazen. En dan weer stoempen, druk geven op die trappers.
De brede banden zoeven. Wat maken die citybikes toch een prachtig geluid als ze eenmaal op snelheid zijn. Het gaat richting Sneek, tot Hommerts, daar sla ik af naar Heeg.
Het begint donker te worden. Waar is nou toch die VVV?
‘Henk, Henk.’
Ik moet door, want dit is de VVV nog niet.
‘Henk, we zitten hier.’
Ik draai me om en rijd terug. Mijn meiden zitten buiten op het terras van een restaurant en hebben hun toetje voor zich. Dat is ook wat ik krijg een ijscoupe, nadat ik het trio aan mijn brede borst heb gedrukt.
De camping ligt iets verder. We slapen als een roos. Ik ook, zo’n rit schud je toch echt niet zomaar even uit je mouw. En gaat in je benen zitten.

3 augustus 2008

Franse vriendin
Tijdens de voorlopig laatste etappe samen vliegen de grappen door de lucht. Zeker nu de wind weer aantrekt. Het is een manier om niet aan vermoeidheid te denken. Zeker voor de kinderen, die het eind van de reis in de verte zien gloren. De dolletjes hebben vooral te maken met de plaatsnamen in Friesland. In het Fries zijn ze soms mooier dan in het Nederlands, maar een Baard moet je natuurlijk afscheren. Tenzij je Henk heet, want m’n baard is heilig. Uitdunnen, en kortwieken zo nu en dan, prima. Maar afscheren? Wel moet ik het ontgelden.
Ach, een goede compensatie voor de extra kilometers die we ook op deze laatste trip maken, want ik blijf de grotere plaatsen mijden. En beland daardoor in een plaatsje met de naam Lollum.
We zien onderweg talloze windmolens en gemalen, die het lage land hier droog houden. Maar ook fraaie boerderijen – hier een state genoemd – trekken volop onze aandacht.
De Grauwe Kat moet eraan geloven, op weg naar Arum en Kinswerd, waar we bij Greate Pierwei een versnapering nemen.
Harlingen komt in zicht. De Waddenzee lonkt.Even stoppen, tegen de dijk op klimmen en naar het water turen. Achter ons jagen de auto’s, straks gaan ze op zoek naar een parkeerplaats, want de auto mogen ze niet meenemen naar Vlieland.
We rijden het laatste stukje en zetten onze tenten netjes op een grasveld van een camping. De kinderen helpen, moeten ook helpen. Want de volgende keer – op Vlieland - moeten ze de tent samen met Tineke opzetten. Want dan ben ik er niet. De tent staat best vlot en er is daarna nog volop tijd om te spelen.
Terwijl Naomi al lang en breed weer terug is, moeten we Raema roepen voor het eten. Ze is de tijd volledig vergeten. Speelt met ‘haar’ vriendinnetje.Op een glijbaan, op een klimrek. En na het eten is ze meteen weer weg. Naar een camper, waarin haar Franse vriendinnetje verblijft. Zij maken een rondreis door West-Europa, langs kusten.
Met handen en voeten praten die twee. Het is lachen, gieren en brullen. Ze wisselen ook adressen uit, voor vakantie- en kerstkaartjes.
De volgende ochtend nemen die twee uitgebreid afscheid van elkaar. Opschieten, want de boot moet worden gehaald.
De tenten zijn ingepakt. De kar hangt al achter Tinekes fiets. Oei, dat is zwaar, zegt ze. Inderdaad, het is geen makkie om met de kar te rijden. Ik help haar tegen de dijk op en dan gaat het verder wel. Op naar de haven, naar de boot.
We zijn keurig op tijd en nemen uitgebreid afscheid.Tineke gaat met de meiden naar Vlieland en ik rij met een tussenstop aan de haven van Lemmer terug naar huis.
Ontgroenen
De volgende dag moeten we knopen doorhakken. Waar gaan we heen. Ja, naar Harlingen. Dat weet ik nu wel. Maar hoe?
Via Leeuwarden? Gaan we bovenlangs bij Leeuwarden of onderlangs de Friese hoofdstad. Tineke kiest voor het laatste en laat zich daarbij leiden door het weer. Er komt een straffe wind uit het noordwesten. En er is nog steeds sprake van enkele regenbuien. In de loop van de dag zal het wel iets beter worden.
We laten de beschutting van de bossen snel achter ons en komen in een landschap met veel kanaaltjes en vaarten terecht. Met daartussen talloze liniaalrechte wegen waar geen einde aan lijkt te komen. Met een iets betere kaart kunnen we misschien kilometers kunnen afsnijden. Nu rijden we veel te veel. We maken haakse hoeken, waar een haas trots op kan zijn. Alleen gaat het bij ons niet zo snel. Toch durven we wel een wedstrijdje met een schildpad aan te gaan. Dat winnen we met glans. Tenzij het schildpad vals speelt.
We komen door plaatsjes met schilderachtige namen als Jubbega en Tijnje.
Wist je dat Friesland z’n eigen Poppenhuizen heeft. Nog nooit gezien die Friese Poppenhuizen?Foei toch, ga maar eens kijken. Je gelooft je eigen ogen niet.
Tineke helpt Raema vooruit en houdt er een lamme rechterarm aan over. Dus maar even stoppen bij een sluis. Een patatje eten.
En ondertussen talloze woordspelletjes spelen. Zeker als je langs Wellesloot komt. Nietesloot, wellesloot, nietesloot, wellesloot.
En dat kunnen m’n meiden kilometers volhouden.
Maar ik win; het is geen sloot, maar een kanaal.
Gelukkig wordt het weer steeds beter en in het bijzonder fraaie Akkrum genieten we niet alleen van het Friese schoon, maar ook van het doorgebroken zonnetje.
Ik stel voor om bij Atje Keulen-Deelstra op bezoek te gaan.We moeten daarvoor naar Jirnsum, waar we een plekje vinden op een camping langs het water.Een camping met onvervalst groen gras, zodat je het standplaatsje niet eerst hoeft schoon te vegen, te ontdoen van dennenappels en dennennaalden.
Met een wandelingetje door het dorp alleen, red je het niet om het huis van de fameuze voormalige hardrijdster op de schaats te vinden. Nee, kinders jullie waren er toen nog niet. Het is de tijd van Ard en Keessie en van Atje en Stien Baas-Kaiser. Dat is wat anders dan Sven Kramer en Ireen Wüst en Paulien van Deutekom. Toen droegen ze nog wollen mutsen en schaatsten buiten in de vrieskou of op smeltende banen, tegen de wind in of in sneeuwstormen. Geen overdekte banen in ieder geval, die waren er alleen voor de kunstrijders en de ijshockeyers.Maar ik dwaal af, zoals ik ook dwaal zonder de woonstee van deze beroemde vrouw te vinden.
Raema vermaakt zich aan het water met de eendjes, die haar achtervolgen nadat zij hen gedresseerd heeft.
Aan de wal liggen talloze bootjes die ook een plekje op deze camping hebben weten te vinden.
Voor de avonduren hebben we voor Raema nog een (onaangename) verrassing in petto.
We maken namelijk nog een fietstochtje; naar Grouw, aan het Pikmeer. Daar is ’s avonds een feest aan de gang.
Het betreft een ontgroeningfeest, waarbij jongeren ingesmeerd worden met groene zeep. Er komt water aan te pas en meel en veren. Nee, geen pek en veren. Meel en veren. En nog veel meer ongein. Wij vermaken ons prima.
De gezichten van Naomi en Raema worden beschilderd. Echte maanmeisjes.En het ijsje, dat hebben ze die dag meer dan verdiend.

1 augustus 2008

Onweer
We zijn door de fietspech iets langer in de IJhorst gebleven dan we aanvankelijk in deze omgeving willen blijven. Daarom is een flinke ruk noordwaarts wenselijk. En wat doe je dan? Dan zoek je allereerst bekend terrein op. Zover je daar van kunt spreken uiteraard.
We rijden door Ruinerwold, Ruinen en Ansen met zijn Anserdennen. De fietskar komt goed door dit terrein heen en stuwt mijn fiets op de glooiende paden bijna automatisch voorwaarts in de richting van Dwingeloo.
Het wordt hier ook meteen wat drukker. We pakken de weg naar Diever en steken bij Dieverbrug niet alleen de Drentse Hoofdvaart over maar ook de drukke Rijksweg. Dat was vroeger dé verbindingsweg naar Assen en nog noordelijker naar Groningen. Sinds de komst van de snelweg, die van Zwolle via Hoogeveen naar het noorden gaat, wordt de Rijksweg veelal door het sluipverkeer gebruikt, maar het vormt ook een toeristische slang naar het noorden. Gelukkig staan er verkeerslichten bij het kruispunt bij Dieverbrug, zodat we veilig de overkant bereiken.
Net buiten Diever ligt op landgoed Berkenheuvel in het Wapser Zand een Onderduikershol, het vormt een schuilplaats voor een forse regenbui. Het hol is gegraven door enkele jongens uit Diever, die zich hier verstopten voor de Duitsers. De ruimte is in de loop van de Tweede Wereldoorlog verder uitgebreid en tenslotte enige tijd permanent gebruikt. Ook voor het opvangen van geallieerden, zo zijn er wekenlang twee neergeschoten Amerikaanse piloten verstopt, tot ze via het verzet zijn weggevoerd. Het hol is ook nog gebruikt als uitvalsbasis door het verzet bij allerlei acties in de omgeving en er allerlei bruikbare goederen, zoals medicamenten, hebben hier opgeslagen gelegen.
De verrader slaapt echter nooit. Dat was toen en is nog steeds zo. De Duitsers zijn op het spoor van het goed verstopte hol gezet door collaborateurs. Het eind komt op 22 november 1944. Iedereen in de omgeving wordt opgepakt en uiteindelijk zijn er acht mensen gefusilleerd.
Voor onze veiligheid en van die van alle andere bezoekers van deze historische plaats is het Onderduikershol na de oorlog versterkt en de ingang is bovendien zichtbaar gemaakt. Vanaf het Onderduikershol loopt een mooie route noordwaarts langs het Wapser Veld door het Nationaal Park Drents Friese Wold. Het gebied gaat naadloos over in de Boswachterij Appelscha.
Ik stel voor om daar ons einddoel van te maken, voor die dag. Twee redenen voer ik hiervoor aan. Appelscha heeft een pretpark, dus leuk voor de kinderen. Bovendien nodigt het weer niet aan om veel verder te rijden.
Het weer wordt namelijk steeds onstuimiger. Weliswaar voorkomt het dekje op de kar dat onze spullen nat worden, maar morgenochtend een natte tent inpakken daar heb ik geen trek in. We gaan daarom op zoek naar een overdekte slaapplaats.
Bij die speurtocht worden we geconfronteerd met een asielzoekerscentrum, in het recreatiepark De Roggeberg. De asielzoekers staan sip buiten de hekken in de regen te wachten.
Te wachten op wie?
Te wachten op wat?
Wat hebben wij het dan eigenlijk goed met zijn allen.
We vinden een pension, waar we twee kamers kunnen boeken voor een nacht.
In de woonkamer kijken we met enkele volwassenen naar De Tour de France, die verreden wordt. Tot verdriet van Raema. Die heeft zelf al genoeg gefietst. En heeft er geen trek in om ook nog eens naar een stelletje bedriegers op de fiets te kijken.
Zij heeft haar oog laten vallen op het Klokhuis, maar in een zoetzure appel hebben de meeste volwassenen geen trek. Ja, en dan wint de leeftijd. Helaas.
We gaan buiten de deur eten, bij een Chinees. Ja, die hebben ze ook in Appelscha, zonder klokhuis.
’s Nachts trekt een hevig onweer over het Friese land en ons pension. Oh, wat zijn we blij dat we deze keuze van overnachten hebben gemaakt.

31 juli 2008

Pech
We vervolgen onze weg vanuit Vierhouten naar het noordoosten. Het mooie Drentse land lonkt. Maar eerst moeten we nog een stukje over de Veluwe, door een bosrijke omgeving. Met de fietskar achter me zoek ik een rustige route uit. Maar het blijkt ook een zware gang, met name in het begin. Dan rijden we vooral over onverharde wegen.
Dat betekent voor mij hard werken met de fietskar achter me. Maar het is ook een aanslag op de wielen van de kar, die regelmatig over omhooggewerkte boomwortels bonken. Ik stop daarom al snel en zoek op de kaart naar een alternatieve route. Dat valt echter nog niet mee. We moeten sowieso ergens de IJssel over. En er zijn niet al te veel oversteekplaatsen. Bruggen bij grote plaatsen als Deventer of Zwolle vallen af, want we willen niet door een stad heen jakkeren. En zeker niet met de kar. We willen bovendien onderweg ook nog wat zien en we hebben tevens geen zin om onnodig kilometers ver om te rijden. Want het moet wel leuk blijven voor onze kinderen.
Met dat omrijden suggereer ik dat we een einddoel voor ogen hebben. Dat is echter niet het geval. Ja, Harlingen. Maar dan praat ik wel over ongeveer anderhalve week, dan moeten we daar zijn. Maar eerst dus die IJssel nog over. Olst of Wijhe, bij een van die twee Hanzedorpen moet het lukken.
De bossen gaan over in landelijke tafereeltjes. Akkers en weilanden wisselen elkaar af. We rijden door Oene. Alleen de naam al. Hier is de maandag nog wasdag. De lakens zijn er nog wit. Nee, ze liggen niet meer op de bleek, maar hangen te wapperen aan de waslijn. Onder aan de dijkjes, waarover wij fietsen. We steken bij Olst met het pontje de rivier over. Aan de andere kant van de IJssel zien we nog veel meer weilanden. Het landschap oogt hier wijdser. Verbeelding? Wil ik iets geloven wat niet bestaat? Het verzet in ieder geval even mijn gedachten. Niet bezig zijn met de fietskar, of die het wel houdt.
We laten de blauwvingers van Zwolle links van ons liggen. We passeren bij Dalfsen de Overijsselse Vecht. We vorderen gestaag richting Tineke-land, de streek waar Tineke een deel van haar jeugd heeft doorgebracht. In die omgeving wil ik ergens kamperen.
Vlak voor IJhorst slaat het pechduiveltje toe. Bij het oversteken van een provinciale weg klapt een wiel van de kar om. De kar zakt scheef. Daar kom ik niet ver meer mee.
Snel improviseren, het is nog dag. In IJhorst is een camping: De Witte Bergen. Daar maar heen. Ik koppel de kar los van mijn fiets en laadt een tent op mijn fiets. Het is onverantwoord, maar Naomi moet even achterblijven bij de kar om op onze spullen te passen, terwijl wij naar de camping rijden. Daar laad ik snel de boel af en rijd terug.
De andere, kleine tent gaat achter op mijn fiets. De picknicktafel zet ik op het bagagerekje voor op mijn fiets en houd ik vast. Nog wat klein grut gaat in de fietstassen, waardoor de kar nu bijna leeg is. Het is een echte sleurbak geworden.
Op de camping heb ik de spullen achtergelaten onder een naaldboom. Tineke is al begonnen met het schoonvegen van ons plekje waar we zeker een paar dagen zullen blijven.
Het wiel van de kar repareren kan ik niet. Dus moet ik op zoek naar een fietsenzaak, de volgende dag. De fietsenmaker is in het dorp te vinden. Nee, dat wiel repareren lukt daar niet. En het is een afwijkende maat, bovendien niet dubbelassig, zodat een nieuw wiel ook niet voorradig is. Bestellen kost zeker een paar weekjes.
Oei, wat nu?
Iets verderop zit een smederij, misschien kunnen die het wiel recht krijgen, waarna het met wat sterkere, dikke spaken weer in balans kan worden gebracht.
De smederij weet ik te vinden, daar zijn we langs gereden op weg naar IJhorst. Daar kijkt men eerst wat meewarig, maar de smid is ook heel behulpzaam. Het is voor hem een uitdaging om ons weer op weg te helpen. Hij neemt alle tijd en laat zelfs werk, waarmee hij bezig was, even liggen. Met het nodige geduld weet hij het wiel eerst van de kar los te krijgen, iets wat mij niet was gelukt. Waar ik veel geweld zou hebben toegepast, gaat de smid met fluwelen hand te werk. Het lukt hem om het wiel te rechten en te richten, maar garantie voor een lang leven kan hij niet geven. Er wordt alleen wat materiaalkosten gerekend. Het uurloon laat hij zitten.
De volgende dag ga ik terug naar de fietsenmaker en laat het wiel verder uitrichten en verstevigen. Opnieuw krijg ik de raad mee om zo snel mogelijk een ander wiel aan te schaffen, want een garantie dat deze het lang volhoudt kan men niet geven. En onderweg nog even de spaken goed nakijken en spannen of losmaken. Al naar gelang het nodig is.
Tineke heeft de tijd, die ik bij fietsenmaker en smederij heb doorgebracht, samen met de kinderen goed besteed. Zij heeft onder andere de Havixhorst laten zien, daar heeft zij vroeger gewoond. Ze is bij familie in Koekange langs geweest en naar de ooievaars in De Wijk gereden.

30 juli 2008

De Paasheuvel
Er is nog plek zat op De Paasheuvel, als wij daar arriveren.
Maar toch zit men bijna vol, horen we bij de administratie. Hoe dat kan? Nou heel gewoon; op De Paasheuvel wordt niet ieder vrij plekje door een tent bezet. Er zijn speciaal plaatsen voor langkampeerders en speciale trekkersplaatsen, voor mensen zoals wij. Maar ook trekkershutten en er staan diverse groepsaccommodaties (groepsschuren).
Als je eenmaal op De Paasheuvel zit, dan hoef je eigenlijk niet meer weg. Misschien voor wat boodschappen, maar verder toch echt niet. Want er zijn uitgebreide toiletgebouwen, een wasserette, talloze speelweides voor de kinderen, sportvelden, tennisbanen. Er zijn diverse parkeerplaatsen, zodat de auto’s niet tussen of naast de tenten of huisjes blijven staan. De horeca is aanwezig, niet alleen om iets te drinken, maar je kunt er ook uit eten en je kan er eten halen. Nee er is geen pizzabezorger of wegbrengchinees op het terrein, maar ik vermoed dat er best een mogelijkheid zal zijn om fastfood te laten brengen. Alles in de omgeving riekt immers naar toerisme en als het om centen verdienen gaat, worden toch echt heel wat (christelijke) beginselen overboord gegooid. Ook op zondag.
Nadat we onze tenten bij een van de velden hebben neergezet, maken we een rondwandeling in de omgeving en over het terrein. En ontdekken dan veel van de hierboven al vermelde voor(oor)delen van een verblijf op De Paasheuvel.
Hier dansten vroeger de AJC’ers op de dag van de arbeid rond de meiboom.
Als wij er zijn, herken ik op deze plek weinig uit die tijd. In mijn herinneringen zag het recreatieoord er trouwens in de “Philips-tijd’ – ik ben er toen tweemaal geweest als kind van een Philips-arbeider – heel anders uit. Vooral veel minder vol.
We eten een hapje, niet te zwaar want we houden rekening met de conditie van Naomi. Raema heeft zich vandaag uitstekend gehouden. Zij heeft duidelijk geen fietsdijen.
De meiden gaan op tijd slapen en wij maken het ook niet te laat, want morgen is er weer een (fiets)dag.

29 juli 2008

Gimme shelter
Terug in de tijd. Naar het jaar 1991.

Na de vakantie naar Zuid-Limburg hebben we de smaak te pakken. De volgende (fiets)vakantie is een deels geplande trektocht. Vertrek- en eindpunt zijn Almere. En er wordt een tussenstop in Harlingen gemaakt. Daar scheiden tijdelijk onze wegen. Daarover later meer.
Eerst een stukje voorbereiding.
Fietsen? Ja!
Kamperen? Ja!
Maar hoe neem je met twee kleine kinderen voldoende kleding mee? Je moet immers met alle weersomstandigheden rekening houden. Zon, warm, regen, kou.
De kinderen moeten hun eigen kleding op de fiets meenemen, maar er gaan ook nog eens twee tenten en vier slaapzakken en luchtbedden mee. Verder potten, pannen, borden, mokken, bestek en een campinggasstel.
Het lijkt wel een kleine verhuizing.
De oplossing komt vanzelf voorbij. Nou ja, vanzelf.
De oplossing wordt aangedragen door de ligfietsfanaat Ton ten Brinke. De Almeerse politieagent bouwt zijn eigen ligfietsen en heeft allerlei ideeën uitgewerkt voor bouwsels. En overal haalt hij materiaal vandaan.
Soms heeft hij iets over. Zo heeft Ton een frame over, waar omdat hij andere plannen heeft.
Met een beetje poetsen en smeren moet dat frame geschikt gemaakt kunnen worden als trekkarretje.
Dat valt allemaal niet mee. Ja een staalborstel eroverheen, schuren, dat lukt allemaal nog wel. Een likje blauwe en witte verf, waar ken ik die kleuren toch van, gaat ook prima.
Maar alles los maken, smeren en oliën? Nou, in sommige delen is geen beweging te krijgen.
Ik timmer een kistje in elkaar, die ik via wat kleine latjes vastzet op het frame.
Ik ben toch handiger dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. En in dat kistje passen, tenten, slaapzakken, potten, pannen en een opvouwbare kunststof picknicktafel. Die dingen zijn in die tijd nog in de mode en zijn lekker makkelijk, compact zodat je geen tafel en vier stoelen hoeft mee te zeulen.
Maar wel iets aan de zware kant voor een fietsvakantie; eerlijk is eerlijk.
Voor we helemaal klaar zijn eerst een testritje maken. Daarbij ontdek ik dat de aansluiting sluiting met de fiets niet echt optimaal is. Met een beetje prutsen krijg ik dat voor elkaar.
En de fietskar heeft geen licht. Dat los ik niet op, want ik ben toch niet van plan om ’s avonds te rijden. Wel krijgt het geheel een rode reflectors mee.
Tenslotte dopen we – naar goed Hollands gebruik - de kist: Gimme Shelter.
We zijn er klaar voor. Het wachten is nu nog op Naomi. Want die is met sv Almere op voetbalkamp en komt op zaterdag terug.
Bek af natuurlijk, want vooral die laatste nacht is er weinig geslapen.
Geen punt want we zijn toch van plan om pas op zondag weg te rijden, richting Veluwe.
Op zondag heeft Naomi last van een kleine buikloop. Gelukkig hebben we wat beschuit in huis. Ze is slapjes maar toch in staat om mee te fietsen, zodat we besluiten – weliswaar een paar uurtjes later – om toch maar op pad te gaan.
Op het fietspad langs het Gooi- (en vervolgens) ook Eemmeer houdt de kar zich goed. Ondanks het zware gewicht springt de kar wel op de hobbels, die we hier en daar op onze weg tegenkomen. Het gaat allemaal voortvarend. Bij de Nijkerkerbrug rijden we de polder uit. Vlak voor de Eemhof hebben we onze eerste stop gemaakt. We hebben dan ongeveer zeventien kilometer gereden. In Nijkerk nemen we iets meer tijd en eten een hapje, uit het vuistje.
We vragen voor Naomi een droge toast. We worden een beetje meewarig aangekeken. Nee, we gaan het niet uitleggen. En Naomi? Ze houdt het binnen en knapt er zienderogen van op.
We komen door bijzondere dorpjes en bijzondere plekken zoals het Uddelermeer, dat rechts van ons half achter de bomen ligt verscholen.
De tijd lijkt al een halve eeuw stil gestaan te hebben in deze omgeving. De bevolking is op weg naar of van de kerk. De vrouwen met lange donkere jurken, die de enkels bedekken. Veel hoofddoekjes (toch echt geen moslima’s) en hoeden. De mannen in driedelig kostuum met hoed of in nette klederdracht met pet. De jongens gaan stijf in het pak, de meisjes in lange rokken met veel ruches. De kleuren zwart en grijs overheersen. Ach ja, het begrip zwartekousenkerk had hier uitgevonden kunnen zijn.
De kleurrijke kleding van onze meiden steekt fel af tegen de kledij van hun leeftijdsgenootjes. Het valt onze deerntjes ook op. En ze maken opmerkingen over de strooien hoedjes, met daaronder vooral veel blonde kopjes.
Wij vallen de kerkgangers niet lastig en zij ons niet. Dat de tijd hier helemaal heeft stilgestaan is overigens niet waar, want we zien toch wel veel kerkgangers op de fiets. Net buiten de dorpjes worden we gepasseerd door een grote groep wielrenners of zijn het toerfietsers? Is daar verschil tussen dan? Geen idee. Nog niet, maar dat leer ik later wel. Het verschil tussen die twee groepen. Het einddoel van de eerste dag is Vierhouten. We rijden naar De Paasheuvel een plek met historie, waar ik als kind heb gekampeerd, met veel andere Philips-kinderen.

1 november 2007

Ajax
Donderdag 4 oktober 2007


Zo aan alles komt een eind. Ook aan dit verhaal in zestien delen. Althans op mijn weblog, want daar moet ik eigenlijk nog vier hoofdstukken bij optellen. Een voorafje via mailtjes, twee mailtjes vanaf Skyros en een mailtoetje, nadat we al een paar dagen thuis waren. En dan dus ook nog eens dit laatste deel uit mijn dagboek.
De laatste wandeling naar de bakker. Nee, ik ga er geen tragedie van maken. Wel tragoudao: Summertime.
Een vertaling nodig? Tragoudao = ik zing. Summertimedus ; mijn lievelingssong, afkomstig uit Porgy and Bess. Een klassieker, die in duizenden uitvoeringen te horen valt. Jazzie, country, latin, hardrock, close harmony, in allerlei talen, instrumentaal.
Bij de bakker neem ik wat extra broodjes mee. Ook voor Tineke, die meestal geen hap door haar keel kan krijgen, vlak voor we de lucht in gaan.

Op de terugweg wip ik nog even bij Stélios langs. Ik zie hem scharrelen in zijn restaurant en vraag hoe het met zijn vrouw is. Niet zo best dus. Ze heeft nauwelijks een oog dicht gedaan en hij ook nauwelijks. Zijn vrouw heeft pijn in haar nek en tevens hoofdpijn. De arts heeft haar gisteren een paar injecties gegeven, daardoor heeft zij zich wel iets kunnen ontspannen, maar daar waren haar problemen niet mee opgelost. Ik wens hem nogmaals sterkte en zijn vrouw beterschap en neem afscheid.
Het ontbijt is met een zacht gekookt eitje. Dan zijn die ook op. En daarna ruimen we de boel op en pakken de laatste spullen in. Ruim voordat de bus arriveert, we zijn de laatsten in de rij die worden opgehaald, staan we bij de weg te wachten. De honden van de overkant wippen nog een keer aan.De rit naar het vliegveld gaat snel. Daar is het tas pakken en aansluiten in de rij. Voorlopig echter blijft het bij de tassen neerzetten. Want het scanapparaat voor onze bagage en de apparatuur voor het inchecken op het vliegveld hebben het begeven.
Wie meteen zenuwachtig gedoe verwacht, komt echt bedrogen uit. De Grieken zijn wel iets gewend. Ook op een militairvliegveld. Of misschien juist wel daar.
Het uitvallen van de apparatuur betekent dus wroeten tussen vuile onderbroeken, zegt een van de mensen voor me.
Maar ook dat gebeurt niet. De Grieken zijn gewoon niet voor een gat te vangen. Er is altijd nog zoiets als een handscanapparaat en daar passen ook koffers en tassen door. En het ach een labeltje om de tassen en de koffers plakken is niet zo moeilijk. Dat gaat wel zonder dat er melding gemaakt wordt van wie welke tas of koffer is. En het inchecken, dat gebeurt met de hand en op een geschreven lijst, zodat iedereen toch een plekje krijgt in het vliegtuig en er ook nog eens bekend is waar iedereen zit.
Er is nog een voordeel van deze oneffenheid. We hadden wat drinken meegenomen, omdat we waren gewaarschuwd dat we op het militaire vliegveld niets konden kopen. Dat was overigens wel het geval, maar goed veel keus was er niet. Ik had drinken in mijn handbagage gestopt en de blikjes fris en ice-tea en het flesje water hoefden er niet uit. Gingen ook zo mee het vliegtuig in.
Het afhandelen van de bagage ging eigenlijk best vlot en de tassen lagen razendsnel in het vliegtuig van Transavia, dat vlot weer opsteeg nadat het op Skyros was geland.
Het was bewolkt onderweg, even wat trillingen. Ach, daar kijk ik niet van op. De hele weg heb ik beelden van Skyros teruggezien. Op mijn netvlies. De cultuur. De gebouwen. De wandelingen. De rust. De zon. De baaien. De wind. De kastro, die ik ineens wel binnen kon komen.
Of heb ik het allemaal gedroomd?
Is de hele vakantie een grote droom geweest?
Boven Nederland viel er weinig te zien. Voor mij sowieso al nooit veel, want ik zit gewoonlijk op de tweede rang, terwijl Tineke uit het raam kan kijken. Ons huis kon zij echter ook niet ontdekken.
Landen op Schiphol, even een snelle stop bij het toilet, bagage afhalen en kaartjes kopen voor de trein. Het is allemaal zo gewoon. En het ging weer eens zo snel.
We hoefden ook slechts een paar minuten te wachten op de trein naar Almere.
En bij station Buiten stond de gewaarschuwde Raema al klaar om ons de laatste lift naar de Pythonstraat te geven. Toch eindelijk een slang, 10us. Maar voor deze hoef je niet bang te zijn.
Om kwart voor vijf stapten we ons huis binnen. Het eerste wat ik daar deed, was voor Tineke de oven aanzetten. We hadden in de vriezer namelijk pizza’s liggen. Nee, we gingen niet uit eten bij de Griek.
Om kwart over zes zat Tineke al weer in de trein.
Terug richting Amsterdam. Naar Ajax. Bij een 0-3-achterstand tegen Dinamo Zagreg keerde
zij samen met Naomi en een heleboel Ajax-fans de ArenA al weer de rug toe. Een verloren avond. Einde van internationaal voetbal.
Ach en thuis, daar maakte de wasmachine al overuren.

31 oktober 2007

Souvenirs
Woensdag 3 oktober 20078


De laatste volle dag op Skyros. En dus doen we het rustig aan, want waarom zouden we ons druk maken. Gewoon de Griekse gewoonte siega, siega aannemen.Maar we gaan onszelf niet helemaal als Grieken gedragen. We zijn uiteindelijk gewoon Hollanders en die willen ’s morgens ontbijten met vers brood.
Bij de bakker verschijnt een marineman, die een grote tas met brood ophaalt. Die tas is al voor hem klaargezet, zodat hij zo door kan naar de basis, of naar de boot?
Zelf doe ik het met een brood en laat zelfs de kaakjes die ik regelmatig meeneem – bestemd als tussendoortje – liggen.
Na het ontbijt gaan we nog een keer naar de Chora. Hoewel nog een keer?
Maar eerst wil Tineke nog een keer het stof van haar auto wassen. Nee, ik hoef niet te helpen. Ze doet het wel even alleen en niet zo grondig als de eerste keer, toen ik ook meteen wasbeurt meekreeg.
In Chora gaan we op souvenirjacht. En we willen nog een cadeau meenemen voor Naomi, die was immers jarig op de dag dat wij vertrokken. Ik heb al aangegeven dat er nauwelijks souvenirwinkels zijn op Skyros. In de winkels die er wel zijn kan ik nog steeds geen geschikte (wand)tegel voor onze pergola vinden. Dat is voor het eerst sinds wij naar Griekenland gaan. Wel heb ik al enige dagen een sleutelhanger voor de verzameling Griekse (eiland)sleutelhangers in mijn portemonnee zitten. Verder zie ik diverse Venetiaanse maskers, voor de verzameling van Tineke, maar die vindt ze of niet mooi genoeg of? We laten ze in ieder geval liggen en hangen. Wel wordt er nog T-shirtjes gekocht van Skyros. En dat cadeau? Dat vinden we ook.
Op een vrijwel verlaten plein genieten we van onze laatste frappé van dit jaar. Tot volgend jaar zullen we maar zeggen.
We rijden daarna door naar Kalamitsa, op zoek naar de weverij. Die moet vlak voor de baai liggen. Maar hoe we ook zoeken, we kunnen de weverij niet vinden. Wel zien we in de baai Kolpos Kalamitsas een oorlogsbodem liggen, op stoom en langzaam draaiend. Op de achterplecht staat een helikopter.Dichter bij de kust laveert een vissersbootje. Met daarop de taveerne-eigenaar annex excursieleider. Een echte magnaat, die een hele holding beheert.We rijden nog een stukje door, maar nog steeds geen weverij te zien. Dan maar terug en de weverij blijft voor ons onvindbaar.
Nee, we staan ook niet te springen. Dus rijden we rustig terug.Naar Linaria en de Agios Nikolaos, die opnieuw of misschien wel nog steeds is gesloten.
Wat dan? Zwemmen bij Acherounes? De zwemspullen liggen achterin.
Eigenlijk hebben we alletwee geen trek in een duik en besluiten dat de zwemspullen maar opgeborgen moeten worden tot volgend jaar. We hebben nog een bezichtiging voor de boeg, net even buiten Aspous, en moeten nog tanken.
Als we tussen Acherounes en Skyros rijden begin ik over de ontmoeting van gisteren, toen we op deze weg een Griek en een Française oppikten. ‘Het zal toch niet gebeuren, dat we die Griek weer zien lopen’, zeg ik.
De woorden zijn amper koud, of ja hoor, daar loopt de lifter. We stoppen, en met een grote grijns op het gelaat stapt de man in. Hij heeft een trachea en is daardoor nauwelijks verstaanbaar. Ik leg hem uit dat het de laatste keer is dat hij met ons meekan, omdat we donderdag teruggaan naar Nederland. Hij begrijpt het, zo slecht is m’n Grieks – na een half jaar lessen – dus toch niet. In Chora bedankt hij ons hartelijk en stapt met grote stappen het stadje in.
In Aspous nemen wij afscheid in de buurtsuper en krijgen een ansichtkaart van Atsitsa mee.Daarna stoppen we bij de windmolen van Hatzigeraki, tussen Aspous en Skyros-stad. De wieken zijn al enige tijd verdwenen, stroom zal deze blikvanger niet meer opwekken. Aan de voet ligt een opgraving en daar wil ik toch echt nog een serie foto’s van maken. We lopen over de kaap en besluiten dat het wel mooi is geweest.
In ons appartement worden nog wat plaatsjes geschoten en ik begin met het inpakken van mijn tas. Hè? Inderdaad, Henk die zijn tas heel vroeg gaat inpakken en niet tot het laatste moment wacht.
Daarna wacht ons bij Stélios nog een aparte avond. Er ontstaat weer veel opwinding. Nee, Stélios is ditmaal niet boos op een klant of kwaad omdat een gezelschap zonder tegenbericht wegblijft. De restauranthouder is nerveus, loopt regelmatig naar buiten. Belt.
Zijn vrouw zien we alleen aan het begin van de avond even, als ze bij een groepje Griekse gasten gaat zitten. Ik vermoedt dat er iets met haar is en dat Stélios op een dokter zit te wachten. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn, hoor ik van Manolis.
We bedanken hem voor de goede zorgen, wensen via hem zijn moeder beterschap en vader sterkte, en gaan daarna terug naar Pélagos. Voor onze laatste nachtrust.

30 oktober 2007

Anavalsa
Dinsdag 2 oktober 2007

Het einde van de vakantie nadert nu toch echt. In Gyrismata wordt het stiller en stiller. Ondanks dat er wat wind staat is de temperatuur behaaglijk. Net niet te warm om nog het een en ander te doen en niet te kil om je te verstoppen.
We houden ons vast aan ons ritme.Brood halen, ontbijten, vaat doen, vegen en langzaam op gang komen.
Dat betekent een ritje naar Chora. Om voor de tweede keer een mailtje naar de vakantiegangers te sturen vanuit het internetcafé. Dat gaat vlot, nog even naar antwoorden kijken. Jammer, dat zijn er niet zoveel. Vervolgens een nieuwssite openen. Want de kranten op het eiland zijn belegen.
Een broodje scoren en even bij het reisbureau informeren hoe we het beste bij de kastro kunnen komen. Ja, klimmen. Maar het fijne weet Ine er ook niet van. Nee, ik heb het zelf nog nooit gedaan. Nou maar eens kijken of we daar in de loop van de middag nog puf voor hebben.
Eerst een wandeling maken door de Anavalsa-vallei, uit de Ross-bibliotheek. Een tochtje van een uur of twee.Het beginpunt, het busstation, is niet zo moeilijk te vinden. Bij de sportaccommodatie van de scholen, in het verlengde van de hoofdstraat. We ontdekken dat het om een zeer uitgebreid scholencomplex gaat, of beter meerdere scholen. Niet alleen het basisonderwijs, maar ook middelbaar en voortgezet onderwijs is hier te vinden. En nog verder studeren? Ja, dan moet je van het eiland af.
Rustig wandelen we de stad uit.Regelmatig omkijken, zegt de beschrijving. Oppassen voor vrachtwagens, wordt er niet mee bedoeld. Die rijden hier wel. Af en aan. Naar kleine industrieën en bouwplaatsen. Waarom we dan wel moeten omkijken? Vanwege het uitzicht op de stad, het dorp. Een wandelaar komt ons in sneltrein vaart voorbij en verdwijnt na twee bochten definitief uit zicht.
Langs de weg staat nog steeds de volle vuilniswagen geparkeerd. Nog voller lijkt het wel. Maar dat kan eigenlijk niet. Hij is sowieso niet van zijn plaats geweest sinds wij hier met de auto langs zijn gereden. Als het asfalt overgaat in zand, slaan wij rechtsaf en dalen af in de vallei. Boerenbedrijfjes liggen ook hier verspreid. Sommige met hun eigen kapel.
In het dal moeten we naar links. Aan onze rechterhand hoort een riviertje te liggen, met daar langs aan de ene kant platanen en oleanderstruiken en aan de andere kant naaldbomen.
De familie Twijfelkont is weer op pad. Moeten we hier al rechts of nog iets verder. De aanwijzingen kloppen niet, dus nog maar een stukje.
Dat riviertje met platanen komen we niet meer tegen. De weg loopt weer omhoog. Ja, dat is niet goed. Terug. Een vrachtauto komt ons tegemoet. De chauffeur gaat links rijden en geeft aan dat wij moeten oversteken. Het waarom? Nou, heel gewoon. Zijn wagen werpt een waaier van stof op en de wind zorgt ervoor dat al het zand wordt van ons afwaait. Kom daar maar eens om in jachtig Nederland. Nog bedankt chauffeur.
Terug op ons twijfelpunt, toch maar naar links. Naar links? Het was toch naar rechts? Ja, maar we komen nu van de andere kant! Oh, dan is het goed. Kala, kala.Als we verder wandelen zien we talloze platanen plat liggen. Heeft hier de winter ook huis gehouden, of gewoon snoeidrift. Er wordt immers ook in dit gebied flink aan de wegen gewerkt en er komen er steeds meer bij. Van de naaldbomen links, is ook al weinig over en de zinken bakjes waarin de hars, die gebruikt wordt om retsina te maken, wordt opgevangen, zijn nergens te zien.
Op een viersprong staat de kapel Agios Ioannis, versierd met enkele fresco’s. Een mooi punt om even een pauze in te lassen, een slokje water nemen en een hapje te eten. Hier vandaan is de Olimbos te zien, de kapel Panagia Limbiani blijft buiten beeld.We vervolgens onze weg langs een smaller pad. Hagedissen schieten voortdurend voor onze voeten weg. De waterval is drooggevallen. Hier en daar valt nog wel wat water te ontdekken. Twee keer moeten we de rivierbedding oversteken. Slechts eenmaal zijn de keien in die natte bedding nodig. Bij de volgende oversteek is er geen spatje water meer te vinden.
Langzaam maar zeker komen we weer in de bewoonde wereld uit, Dat begin met een kudde geiten, die hoog in de heuvels langs een kam wandelt. We komen een fruitboomgaard tegen, die dit seizoen geen grote oogst zal geven.Een oude brug vormt de grens tussen overhard en verhard.
In het dal staan talloze olijfbomen, afgewisseld met kastanjebomen. Tineke heeft meer oog voor de kruiden, zoals rozemarijn, langs de kant van de weg, die eindigt bij de route onder de Chora door, vlakbij de brandweerkazerne.We slaan rechtsaf en hebben het rondje daarmee afgemaakt.
Het is nog te vroeg om al terug te gaan en Tineke stelt voor om nog even naar Linaria te rijden. Zo gezegd, zo gedaan. De weg ligt er verlaten bij.Ook in Linaria heeft de tijd stilgestaan. In Acherounes is meer drukte. Daar liggen tenminste nog enkele mensen te genieten van de middagzon op het strand.
Als we terugrijden naar het noordoosten passeren we een oude baas.
‘Wat moet-ie”, vraagt Tineke.
Dat is simpel, hij wil met ons mee. En natuurlijk draaien wij om en pikken hem op. De man kijkt hartstikke blij. Langs de kant van de weg zit een vrouw, onder een boom. Ik vraag of zij ook mee wil. Nou dat is niet aan dovemansoren gesteld. Ze vliegt overeind en nestelt zich naast het oude baasje achterin onze huurauto, het is een Française die we al een keer eerder hebben zien lopen.
Op de parkeerplaats van de Chora bedanken zij ons hartelijk. Wij kijken nog even of er toch nog een mogelijkheid is om bij de Kastro te komen zonder over allerlei hindernissen te klauteren. Die toegang moet er zijn. Maar waar? Wij kunnen hem niet vinden. Zoeken op de verkeerde plek. Jammer maar waar.
Dan maar terug en onze rust pakken.En ’s avond naar Stélios waar Manólis vertelt dat hij over twee dagen ook vertrekt, naar Athene. Daar werkt hij als elektricien. Alleen in het hoogseizoen helpt hij op Skyros zijn ouders in de zaak, die de hele winter ’s avonds open is.