Zonsondergang
Na een snel ontbijt breken we de tent af. Nog een overnachting voor we weer thuis zijn. Dat is ons doel. Ergens in de buurt van Lelystad stoppen en daar nog een keer de tent opzetten. Een voordeel is dat de route redelijk in mijn hoofd zit, zodat we niet al te veel om zullen rijden. Nadeel is dat we veel lange rechte wegen voor ons hebben liggen.
Maar goed het eerste stuk is in ieder geval niet vervelend. Tussen de Friese meren steken we door. Overal zien we masten en zeiltjes. Het aantal fietsers in Friesland is niet zo groot. Bij Lemmer en het gemaal Buma rijden we Flevoland in. Terug in onze thuisprovincie, onder de zeespiegel. Het land waar de gemalen hun werk doen, zodat wij droge voeten houden.
Het weer zit mee. De wind laat zich niet zien en horen. De naam Bant kennen de kinderen alleen van het regionale nieuws. Nu rijden we er doorheen. Recht op Emmeloord aan. Ik moet denken aan De Zuiderzeeballade. Tineke begint prompt te zingen. Sylvain Poons is er niets bij. En aan de horizon ligt Emmeloord.
We stoppen in het centrum, even wat eten en drinken. De kinderen doen het prima. Tineke moet Raema wel veel duwen, maar ik probeer dat zoveel mogelijk met haar af te wisselen. Haar ‘loden arm’ kan ik echter toch niet voorkomen. We rijden door Nagele, het dorp met de platte daken. De Ketelbrug is het volgende obstakel. Daarna nemen we de IJsselmeerdijk, boven ons staan de windturbines te draaien. We rijden op het schuine talud, tussen de schapen door die aan de buitenkant van de dijk staan. De kar helt, maar het doet de spaken geen kwaad. Hulde aan de smid en de fietsenmaker in de Ijhorst. Vakmensen.
Bij de Flevocentrale buigen we landinwaarts. Bij Lelystad maken we uiteraard te veel kilometers. Hier willen we overnachten, maar kunnen de camping, die aan de rand van de provinciehoofdstad van Flevoland moet liggen, niet vinden. We eten in een restaurantje in Lelystad-Haven. In het voormalige pioniersdorp, waar ook Rijkswaterstaat lang zetelde. Hout is hier het toverwoord. ,,En hier heb ik de Wiener schnitzel leren eten’’, zal Raema vele jaren later nog eens zeggen.
Aan de zuidzijde van Lelystad moet volgens de kaart nog een camping zijn, bij ’t Bovenwater, iets ten noorden van de Knardijk. Het is daar echter uitgestorven en we besluiten maar om door te gaan. Eerst terug over de Knardijk naar de Oostvaardersdijk. Aan de linkerkant liggen de Oostvaardersplassen, rechts het Markermeer. De zon zakt langzaam in het water weg. Een prachtig gezicht. Die zonsondergang verzet voor even onze zinnen. Zeker voor de kinderen, want voor hen is het toch wel een flinke rit.
We nemen even voorbij het kassengebied in aanbouw de afslag naar industrieterrein De Vaart en komen vanzelf in Almere-Buiten terecht. Het is nu nog maar tien kilometer. Het eigen bed lonkt en daardoor houden de kinderen zich goed. Doortrappen, want de bewolking neemt toe. In de verte zien we het weerlichten. Gerommel. Bij het Oor nog een korte onderbreking. Fietsers vragen de weg naar een camping. Tegenwoordig is er een te vinden bij het Weerwater, bij Haddock. Maar in 1993 kun je of vrij kamperen aan de Hoge Vaart of terecht bij het Muiderzand. Tineke helpt de kampeerders op weg.
Ik rijd met mijn twee kleine meiden door naar huis.
Chapeau.
Petje af.
PS
Ze slapen als marmotten met hun Deense trol in de armen.
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Nederland. Alle posts tonen
5 augustus 2008
4 augustus 2008
Mijn meiden
Tineke blijft zo’n twee weken op Stortemelk, terwijl ik met Harry Homma in zijn auto naar Aalborg in Denemarken rijd, om voor de krant verslag te doen van de Jeugdspelen.
Ik gebruik daarvoor een oude laptop.
In Denemarken gebruiken ze andere stekers dan in Nederland, zodat er eerst een tussenstuk moet worden aangeschaft. Dat werkt niet en in een winkel wordt een noodoplossing gemaakt.
Zo, nu kunnen we via de telefoon ons eerste stukje doorsturen. Dat moet ik daarna dagelijks. Soms meerderde artikelen. Harry vertrekt na een paar dagen en dan sta ik er alleen voor. Het is een week hard werken, maar ook leuk. Echt veel vrije tijd heb ik niet. En het gezonde eten schiet er ook wel eens bij in. Wel start ik iedere dag met een stevig ‘gratis’ ontbijt. Nou ja gratis, dat zit wel bij de hotelprijs inbegrepen.
Voor de kinderen koop ik in Aalborg een Deense trol. Daar zullen ze ongetwijfeld veel plezier mee hebben.
Ik krijg van Joop Kuys, voorzitter van de Almeerse stichting, na afloop van het evenement op zaterdag een lift naar Almere. Op zondag snel enkele afsluitende artikelen tikken en op maandag nog even een paar uur naar de krant.
Die avond zie ik mijn meiden weer.
Tineke is ’s morgens naar het zuiden afgezakt en belandt in Heeg.
Ze zoeken een plekje op een hoekje uit. De mannen op de camping gaan er eens goed voor zitten. Hoe zo’n vrouw alleen met wat kinderen de tent gaan opzetten. ,,Goed luisteren en niet zeuren’’, zegt Tineke. ,,We zullen ze eens laten zien, hoe je dat doet.’’
Het gaat lekker snel en na afloop is Tineke best trots. ,,De tent heeft de hele vakantie nog niet zo goed gestaan.’’
Ik ben net thuis van mijn werk en heb een biefstukje op het vuur staan als Tineke belt om te zeggen dat ze in Heeg op de camping staan en dat ik mijn meiden in de buurt van de VVV kan vinden.
Ik prop het vlees met een boterham naar binnen, rijd terug naar Stad en koop in het centrum bij bakkerij Otto Schaap (tegenwoordig zit daar muziekhandel ’t Oor) nog snel een pakje krentenbollen voor onderweg. En dat gaat het in sneltreinvaart naar het noorden, naar mijn meiden.
Over de dijk gaat het naar Lelystad en dan door naar de Noord-Oostpolder, langs Nagele en door Emmeloord. De wegen zijn recht en gelukkig blaast er een zuidelijk windje in mijn rug.
Het is nog steeds licht als ik Lemmer achter me laat. Ik fiets tussen het Tjeukemeer en de Groote Brekken door. Bij het Prinses Margrietkanaal heb ik pech. Nou ja, wat heet pech; de brug gaat open. Even tijd om uit te blazen. En dan weer stoempen, druk geven op die trappers.
De brede banden zoeven. Wat maken die citybikes toch een prachtig geluid als ze eenmaal op snelheid zijn. Het gaat richting Sneek, tot Hommerts, daar sla ik af naar Heeg.
Het begint donker te worden. Waar is nou toch die VVV?
‘Henk, Henk.’
Ik moet door, want dit is de VVV nog niet.
‘Henk, we zitten hier.’
Ik draai me om en rijd terug. Mijn meiden zitten buiten op het terras van een restaurant en hebben hun toetje voor zich. Dat is ook wat ik krijg een ijscoupe, nadat ik het trio aan mijn brede borst heb gedrukt.
De camping ligt iets verder. We slapen als een roos. Ik ook, zo’n rit schud je toch echt niet zomaar even uit je mouw. En gaat in je benen zitten.
Tineke blijft zo’n twee weken op Stortemelk, terwijl ik met Harry Homma in zijn auto naar Aalborg in Denemarken rijd, om voor de krant verslag te doen van de Jeugdspelen.
Ik gebruik daarvoor een oude laptop.
In Denemarken gebruiken ze andere stekers dan in Nederland, zodat er eerst een tussenstuk moet worden aangeschaft. Dat werkt niet en in een winkel wordt een noodoplossing gemaakt.
Zo, nu kunnen we via de telefoon ons eerste stukje doorsturen. Dat moet ik daarna dagelijks. Soms meerderde artikelen. Harry vertrekt na een paar dagen en dan sta ik er alleen voor. Het is een week hard werken, maar ook leuk. Echt veel vrije tijd heb ik niet. En het gezonde eten schiet er ook wel eens bij in. Wel start ik iedere dag met een stevig ‘gratis’ ontbijt. Nou ja gratis, dat zit wel bij de hotelprijs inbegrepen.
Voor de kinderen koop ik in Aalborg een Deense trol. Daar zullen ze ongetwijfeld veel plezier mee hebben.
Ik krijg van Joop Kuys, voorzitter van de Almeerse stichting, na afloop van het evenement op zaterdag een lift naar Almere. Op zondag snel enkele afsluitende artikelen tikken en op maandag nog even een paar uur naar de krant.
Die avond zie ik mijn meiden weer.
Tineke is ’s morgens naar het zuiden afgezakt en belandt in Heeg.
Ze zoeken een plekje op een hoekje uit. De mannen op de camping gaan er eens goed voor zitten. Hoe zo’n vrouw alleen met wat kinderen de tent gaan opzetten. ,,Goed luisteren en niet zeuren’’, zegt Tineke. ,,We zullen ze eens laten zien, hoe je dat doet.’’
Het gaat lekker snel en na afloop is Tineke best trots. ,,De tent heeft de hele vakantie nog niet zo goed gestaan.’’
Ik ben net thuis van mijn werk en heb een biefstukje op het vuur staan als Tineke belt om te zeggen dat ze in Heeg op de camping staan en dat ik mijn meiden in de buurt van de VVV kan vinden.
Ik prop het vlees met een boterham naar binnen, rijd terug naar Stad en koop in het centrum bij bakkerij Otto Schaap (tegenwoordig zit daar muziekhandel ’t Oor) nog snel een pakje krentenbollen voor onderweg. En dat gaat het in sneltreinvaart naar het noorden, naar mijn meiden.
Over de dijk gaat het naar Lelystad en dan door naar de Noord-Oostpolder, langs Nagele en door Emmeloord. De wegen zijn recht en gelukkig blaast er een zuidelijk windje in mijn rug.
Het is nog steeds licht als ik Lemmer achter me laat. Ik fiets tussen het Tjeukemeer en de Groote Brekken door. Bij het Prinses Margrietkanaal heb ik pech. Nou ja, wat heet pech; de brug gaat open. Even tijd om uit te blazen. En dan weer stoempen, druk geven op die trappers.
De brede banden zoeven. Wat maken die citybikes toch een prachtig geluid als ze eenmaal op snelheid zijn. Het gaat richting Sneek, tot Hommerts, daar sla ik af naar Heeg.
Het begint donker te worden. Waar is nou toch die VVV?
‘Henk, Henk.’
Ik moet door, want dit is de VVV nog niet.
‘Henk, we zitten hier.’
Ik draai me om en rijd terug. Mijn meiden zitten buiten op het terras van een restaurant en hebben hun toetje voor zich. Dat is ook wat ik krijg een ijscoupe, nadat ik het trio aan mijn brede borst heb gedrukt.
De camping ligt iets verder. We slapen als een roos. Ik ook, zo’n rit schud je toch echt niet zomaar even uit je mouw. En gaat in je benen zitten.
3 augustus 2008
Franse vriendin
Tijdens de voorlopig laatste etappe samen vliegen de grappen door de lucht. Zeker nu de wind weer aantrekt. Het is een manier om niet aan vermoeidheid te denken. Zeker voor de kinderen, die het eind van de reis in de verte zien gloren. De dolletjes hebben vooral te maken met de plaatsnamen in Friesland. In het Fries zijn ze soms mooier dan in het Nederlands, maar een Baard moet je natuurlijk afscheren. Tenzij je Henk heet, want m’n baard is heilig. Uitdunnen, en kortwieken zo nu en dan, prima. Maar afscheren? Wel moet ik het ontgelden.
Ach, een goede compensatie voor de extra kilometers die we ook op deze laatste trip maken, want ik blijf de grotere plaatsen mijden. En beland daardoor in een plaatsje met de naam Lollum.
We zien onderweg talloze windmolens en gemalen, die het lage land hier droog houden. Maar ook fraaie boerderijen – hier een state genoemd – trekken volop onze aandacht.
De Grauwe Kat moet eraan geloven, op weg naar Arum en Kinswerd, waar we bij Greate Pierwei een versnapering nemen.
Harlingen komt in zicht. De Waddenzee lonkt.
Even stoppen, tegen de dijk op klimmen en naar het water turen. Achter ons jagen de auto’s, straks gaan ze op zoek naar een parkeerplaats, want de auto mogen ze niet meenemen naar Vlieland.
We rijden het laatste stukje en zetten onze tenten netjes op een grasveld van een camping. De kinderen helpen, moeten ook helpen. Want de volgende keer – op Vlieland - moeten ze de tent samen met Tineke opzetten. Want dan ben ik er niet. De tent staat best vlot en er is daarna nog volop tijd om te spelen.
Terwijl Naomi al lang en breed weer terug is, moeten we Raema roepen voor het eten. Ze is de tijd volledig vergeten. Speelt met ‘haar’ vriendinnetje.
Op een glijbaan, op een klimrek. En na het eten is ze meteen weer weg. Naar een camper, waarin haar Franse vriendinnetje verblijft. Zij maken een rondreis door West-Europa, langs kusten.
Met handen en voeten praten die twee. Het is lachen, gieren en brullen. Ze wisselen ook adressen uit, voor vakantie- en kerstkaartjes.
De volgende ochtend nemen die twee uitgebreid afscheid van elkaar. Opschieten, want de boot moet worden gehaald.
De tenten zijn ingepakt. De kar hangt al achter Tinekes fiets. Oei, dat is zwaar, zegt ze. Inderdaad, het is geen makkie om met de kar te rijden. Ik help haar tegen de dijk op en dan gaat het verder wel. Op naar de haven, naar de boot.
We zijn keurig op tijd en nemen uitgebreid afscheid.
Tineke gaat met de meiden naar Vlieland en ik rij met een tussenstop aan de haven van Lemmer terug naar huis.
Tijdens de voorlopig laatste etappe samen vliegen de grappen door de lucht. Zeker nu de wind weer aantrekt. Het is een manier om niet aan vermoeidheid te denken. Zeker voor de kinderen, die het eind van de reis in de verte zien gloren. De dolletjes hebben vooral te maken met de plaatsnamen in Friesland. In het Fries zijn ze soms mooier dan in het Nederlands, maar een Baard moet je natuurlijk afscheren. Tenzij je Henk heet, want m’n baard is heilig. Uitdunnen, en kortwieken zo nu en dan, prima. Maar afscheren? Wel moet ik het ontgelden.Ach, een goede compensatie voor de extra kilometers die we ook op deze laatste trip maken, want ik blijf de grotere plaatsen mijden. En beland daardoor in een plaatsje met de naam Lollum.
We zien onderweg talloze windmolens en gemalen, die het lage land hier droog houden. Maar ook fraaie boerderijen – hier een state genoemd – trekken volop onze aandacht.
De Grauwe Kat moet eraan geloven, op weg naar Arum en Kinswerd, waar we bij Greate Pierwei een versnapering nemen.
Harlingen komt in zicht. De Waddenzee lonkt.
Even stoppen, tegen de dijk op klimmen en naar het water turen. Achter ons jagen de auto’s, straks gaan ze op zoek naar een parkeerplaats, want de auto mogen ze niet meenemen naar Vlieland.We rijden het laatste stukje en zetten onze tenten netjes op een grasveld van een camping. De kinderen helpen, moeten ook helpen. Want de volgende keer – op Vlieland - moeten ze de tent samen met Tineke opzetten. Want dan ben ik er niet. De tent staat best vlot en er is daarna nog volop tijd om te spelen.
Terwijl Naomi al lang en breed weer terug is, moeten we Raema roepen voor het eten. Ze is de tijd volledig vergeten. Speelt met ‘haar’ vriendinnetje.
Op een glijbaan, op een klimrek. En na het eten is ze meteen weer weg. Naar een camper, waarin haar Franse vriendinnetje verblijft. Zij maken een rondreis door West-Europa, langs kusten.Met handen en voeten praten die twee. Het is lachen, gieren en brullen. Ze wisselen ook adressen uit, voor vakantie- en kerstkaartjes.
De volgende ochtend nemen die twee uitgebreid afscheid van elkaar. Opschieten, want de boot moet worden gehaald.
De tenten zijn ingepakt. De kar hangt al achter Tinekes fiets. Oei, dat is zwaar, zegt ze. Inderdaad, het is geen makkie om met de kar te rijden. Ik help haar tegen de dijk op en dan gaat het verder wel. Op naar de haven, naar de boot.
We zijn keurig op tijd en nemen uitgebreid afscheid.
Tineke gaat met de meiden naar Vlieland en ik rij met een tussenstop aan de haven van Lemmer terug naar huis.
Ontgroenen
De volgende dag moeten we knopen doorhakken. Waar gaan we heen. Ja, naar Harlingen. Dat weet ik nu wel. Maar hoe?
Via Leeuwarden? Gaan we bovenlangs bij Leeuwarden of onderlangs de Friese hoofdstad. Tineke kiest voor het laatste en laat zich daarbij leiden door het weer. Er komt een straffe wind uit het noordwesten. En er is nog steeds sprake van enkele regenbuien. In de loop van de dag zal het wel iets beter worden.
We laten de beschutting van de bossen snel achter ons en komen in een landschap met veel kanaaltjes en vaarten terecht. Met daartussen talloze liniaalrechte wegen waar geen einde aan lijkt te komen. Met een iets betere kaart kunnen we misschien kilometers kunnen afsnijden. Nu rijden we veel te veel. We maken haakse hoeken, waar een haas trots op kan zijn. Alleen gaat het bij ons niet zo snel. Toch durven we wel een wedstrijdje met een schildpad aan te gaan. Dat winnen we met glans. Tenzij het schildpad vals speelt.
We komen door plaatsjes met schilderachtige namen als Jubbega en Tijnje.
Wist je dat Friesland z’n eigen Poppenhuizen heeft. Nog nooit gezien die Friese Poppenhuizen?Foei toch, ga maar eens kijken. Je gelooft je eigen ogen niet.
Tineke helpt Raema vooruit en houdt er een lamme rechterarm aan over. Dus maar even stoppen bij een sluis. Een patatje eten.
De volgende dag moeten we knopen doorhakken. Waar gaan we heen. Ja, naar Harlingen. Dat weet ik nu wel. Maar hoe?
Via Leeuwarden? Gaan we bovenlangs bij Leeuwarden of onderlangs de Friese hoofdstad. Tineke kiest voor het laatste en laat zich daarbij leiden door het weer. Er komt een straffe wind uit het noordwesten. En er is nog steeds sprake van enkele regenbuien. In de loop van de dag zal het wel iets beter worden.
We laten de beschutting van de bossen snel achter ons en komen in een landschap met veel kanaaltjes en vaarten terecht. Met daartussen talloze liniaalrechte wegen waar geen einde aan lijkt te komen. Met een iets betere kaart kunnen we misschien kilometers kunnen afsnijden. Nu rijden we veel te veel. We maken haakse hoeken, waar een haas trots op kan zijn. Alleen gaat het bij ons niet zo snel. Toch durven we wel een wedstrijdje met een schildpad aan te gaan. Dat winnen we met glans. Tenzij het schildpad vals speelt.
We komen door plaatsjes met schilderachtige namen als Jubbega en Tijnje.
Wist je dat Friesland z’n eigen Poppenhuizen heeft. Nog nooit gezien die Friese Poppenhuizen?Foei toch, ga maar eens kijken. Je gelooft je eigen ogen niet.
Tineke helpt Raema vooruit en houdt er een lamme rechterarm aan over. Dus maar even stoppen bij een sluis. Een patatje eten.
En ondertussen talloze woordspelletjes spelen. Zeker als je langs Wellesloot komt. Nietesloot, wellesloot, nietesloot, wellesloot.En dat kunnen m’n meiden kilometers volhouden.
Maar ik win; het is geen sloot, maar een kanaal.
Gelukkig wordt het weer steeds beter en in het bijzonder fraaie Akkrum genieten we niet alleen van het Friese schoon, maar ook van het doorgebroken zonnetje.
Ik stel voor om bij Atje Keulen-Deelstra op bezoek te gaan.
We moeten daarvoor naar Jirnsum, waar we een plekje vinden op een camping langs het water.
Een camping met onvervalst groen gras, zodat je het standplaatsje niet eerst hoeft schoon te vegen, te ontdoen van dennenappels en dennennaalden.Met een wandelingetje door het dorp alleen, red je het niet om het huis van de fameuze voormalige hardrijdster op de schaats te vinden. Nee, kinders jullie waren er toen nog niet. Het is de tijd van Ard en Keessie en van Atje en Stien Baas-Kaiser. Dat is wat anders dan Sven Kramer en Ireen Wüst en Paulien van Deutekom. Toen droegen ze nog wollen mutsen en schaatsten buiten in de vrieskou of op smeltende banen, tegen de wind in of in sneeuwstormen. Geen overdekte banen in ieder geval, die waren er alleen voor de kunstrijders en de ijshockeyers.
Maar ik dwaal af, zoals ik ook dwaal zonder de woonstee van deze beroemde vrouw te vinden.Raema vermaakt zich aan het water met de eendjes, die haar achtervolgen nadat zij hen gedresseerd heeft.
Aan de wal liggen talloze bootjes die ook een plekje op deze camping hebben weten te vinden.Voor de avonduren hebben we voor Raema nog een (onaangename) verrassing in petto.
We maken namelijk nog een fietstochtje; naar Grouw, aan het Pikmeer. Daar is ’s avonds een feest aan de gang.
Het betreft een ontgroeningfeest, waarbij jongeren ingesmeerd worden met groene zeep. Er komt water aan te pas en meel en veren. Nee, geen pek en veren. Meel en veren. En nog veel meer ongein. Wij vermaken ons prima.
De gezichten van Naomi en Raema worden beschilderd. Echte maanmeisjes.
En het ijsje, dat hebben ze die dag meer dan verdiend.1 augustus 2008
Onweer
We zijn door de fietspech iets langer in de IJhorst gebleven dan we aanvankelijk in deze omgeving willen blijven. Daarom is een flinke ruk noordwaarts wenselijk. En wat doe je dan? Dan zoek je allereerst bekend terrein op. Zover je daar van kunt spreken uiteraard.
We rijden door Ruinerwold, Ruinen en Ansen met zijn Anserdennen. De fietskar komt goed door dit terrein heen en stuwt mijn fiets op de glooiende paden bijna automatisch voorwaarts in de richting van Dwingeloo.
Het wordt hier ook meteen wat drukker. We pakken de weg naar Diever en steken bij Dieverbrug niet alleen de Drentse Hoofdvaart over maar ook de drukke Rijksweg. Dat was vroeger dé verbindingsweg naar Assen en nog noordelijker naar Groningen. Sinds de komst van de snelweg, die van Zwolle via Hoogeveen naar het noorden gaat, wordt de Rijksweg veelal door het sluipverkeer gebruikt, maar het vormt ook een toeristische slang naar het noorden. Gelukkig staan er verkeerslichten bij het kruispunt bij Dieverbrug, zodat we veilig de overkant bereiken.
Net buiten Diever ligt op landgoed Berkenheuvel in het Wapser Zand een Onderduikershol, het vormt een schuilplaats voor een forse regenbui. Het hol is gegraven door enkele jongens uit Diever, die zich hier verstopten voor de Duitsers. De ruimte is in de loop van de Tweede Wereldoorlog verder uitgebreid en tenslotte enige tijd permanent gebruikt. Ook voor het opvangen van geallieerden, zo zijn er wekenlang twee neergeschoten Amerikaanse piloten verstopt, tot ze via het verzet zijn weggevoerd. Het hol is ook nog gebruikt als uitvalsbasis door het verzet bij allerlei acties in de omgeving en er allerlei bruikbare goederen, zoals medicamenten, hebben hier opgeslagen gelegen.
De verrader slaapt echter nooit. Dat was toen en is nog steeds zo. De Duitsers zijn op het spoor van het goed verstopte hol gezet door collaborateurs. Het eind komt op 22 november 1944. Iedereen in de omgeving wordt opgepakt en uiteindelijk zijn er acht mensen gefusilleerd.
Voor onze veiligheid en van die van alle andere bezoekers van deze historische plaats is het Onderduikershol na de oorlog versterkt en de ingang is bovendien zichtbaar gemaakt. Vanaf het Onderduikershol loopt een mooie route noordwaarts langs het Wapser Veld door het Nationaal Park Drents Friese Wold. Het gebied gaat naadloos over in de Boswachterij Appelscha.
Ik stel voor om daar ons einddoel van te maken, voor die dag. Twee redenen voer ik hiervoor aan. Appelscha heeft een pretpark, dus leuk voor de kinderen. Bovendien nodigt het weer niet aan om veel verder te rijden.
Het weer wordt namelijk steeds onstuimiger. Weliswaar voorkomt het dekje op de kar dat onze spullen nat worden, maar morgenochtend een natte tent inpakken daar heb ik geen trek in. We gaan daarom op zoek naar een overdekte slaapplaats.
Bij die speurtocht worden we geconfronteerd met een asielzoekerscentrum, in het recreatiepark De Roggeberg. De asielzoekers staan sip buiten de hekken in de regen te wachten.
Te wachten op wie?
Te wachten op wat?
Wat hebben wij het dan eigenlijk goed met zijn allen.
We vinden een pension, waar we twee kamers kunnen boeken voor een nacht.
In de woonkamer kijken we met enkele volwassenen naar De Tour de France, die verreden wordt. Tot verdriet van Raema. Die heeft zelf al genoeg gefietst. En heeft er geen trek in om ook nog eens naar een stelletje bedriegers op de fiets te kijken.
Zij heeft haar oog laten vallen op het Klokhuis, maar in een zoetzure appel hebben de meeste volwassenen geen trek. Ja, en dan wint de leeftijd. Helaas.
We gaan buiten de deur eten, bij een Chinees. Ja, die hebben ze ook in Appelscha, zonder klokhuis.
’s Nachts trekt een hevig onweer over het Friese land en ons pension. Oh, wat zijn we blij dat we deze keuze van overnachten hebben gemaakt.
We zijn door de fietspech iets langer in de IJhorst gebleven dan we aanvankelijk in deze omgeving willen blijven. Daarom is een flinke ruk noordwaarts wenselijk. En wat doe je dan? Dan zoek je allereerst bekend terrein op. Zover je daar van kunt spreken uiteraard.
We rijden door Ruinerwold, Ruinen en Ansen met zijn Anserdennen. De fietskar komt goed door dit terrein heen en stuwt mijn fiets op de glooiende paden bijna automatisch voorwaarts in de richting van Dwingeloo.
Het wordt hier ook meteen wat drukker. We pakken de weg naar Diever en steken bij Dieverbrug niet alleen de Drentse Hoofdvaart over maar ook de drukke Rijksweg. Dat was vroeger dé verbindingsweg naar Assen en nog noordelijker naar Groningen. Sinds de komst van de snelweg, die van Zwolle via Hoogeveen naar het noorden gaat, wordt de Rijksweg veelal door het sluipverkeer gebruikt, maar het vormt ook een toeristische slang naar het noorden. Gelukkig staan er verkeerslichten bij het kruispunt bij Dieverbrug, zodat we veilig de overkant bereiken.
Net buiten Diever ligt op landgoed Berkenheuvel in het Wapser Zand een Onderduikershol, het vormt een schuilplaats voor een forse regenbui. Het hol is gegraven door enkele jongens uit Diever, die zich hier verstopten voor de Duitsers. De ruimte is in de loop van de Tweede Wereldoorlog verder uitgebreid en tenslotte enige tijd permanent gebruikt. Ook voor het opvangen van geallieerden, zo zijn er wekenlang twee neergeschoten Amerikaanse piloten verstopt, tot ze via het verzet zijn weggevoerd. Het hol is ook nog gebruikt als uitvalsbasis door het verzet bij allerlei acties in de omgeving en er allerlei bruikbare goederen, zoals medicamenten, hebben hier opgeslagen gelegen.
De verrader slaapt echter nooit. Dat was toen en is nog steeds zo. De Duitsers zijn op het spoor van het goed verstopte hol gezet door collaborateurs. Het eind komt op 22 november 1944. Iedereen in de omgeving wordt opgepakt en uiteindelijk zijn er acht mensen gefusilleerd.
Voor onze veiligheid en van die van alle andere bezoekers van deze historische plaats is het Onderduikershol na de oorlog versterkt en de ingang is bovendien zichtbaar gemaakt. Vanaf het Onderduikershol loopt een mooie route noordwaarts langs het Wapser Veld door het Nationaal Park Drents Friese Wold. Het gebied gaat naadloos over in de Boswachterij Appelscha.
Ik stel voor om daar ons einddoel van te maken, voor die dag. Twee redenen voer ik hiervoor aan. Appelscha heeft een pretpark, dus leuk voor de kinderen. Bovendien nodigt het weer niet aan om veel verder te rijden.
Het weer wordt namelijk steeds onstuimiger. Weliswaar voorkomt het dekje op de kar dat onze spullen nat worden, maar morgenochtend een natte tent inpakken daar heb ik geen trek in. We gaan daarom op zoek naar een overdekte slaapplaats.
Bij die speurtocht worden we geconfronteerd met een asielzoekerscentrum, in het recreatiepark De Roggeberg. De asielzoekers staan sip buiten de hekken in de regen te wachten.
Te wachten op wie?
Te wachten op wat?
Wat hebben wij het dan eigenlijk goed met zijn allen.
We vinden een pension, waar we twee kamers kunnen boeken voor een nacht.
In de woonkamer kijken we met enkele volwassenen naar De Tour de France, die verreden wordt. Tot verdriet van Raema. Die heeft zelf al genoeg gefietst. En heeft er geen trek in om ook nog eens naar een stelletje bedriegers op de fiets te kijken.
Zij heeft haar oog laten vallen op het Klokhuis, maar in een zoetzure appel hebben de meeste volwassenen geen trek. Ja, en dan wint de leeftijd. Helaas.
We gaan buiten de deur eten, bij een Chinees. Ja, die hebben ze ook in Appelscha, zonder klokhuis.
’s Nachts trekt een hevig onweer over het Friese land en ons pension. Oh, wat zijn we blij dat we deze keuze van overnachten hebben gemaakt.
31 juli 2008
Pech
We vervolgen onze weg vanuit Vierhouten naar het noordoosten. Het mooie Drentse land lonkt. Maar eerst moeten we nog een stukje over de Veluwe, door een bosrijke omgeving. Met de fietskar achter me zoek ik een rustige route uit. Maar het blijkt ook een zware gang, met name in het begin. Dan rijden we vooral over onverharde wegen.
Dat betekent voor mij hard werken met de fietskar achter me. Maar het is ook een aanslag op de wielen van de kar, die regelmatig over omhooggewerkte boomwortels bonken. Ik stop daarom al snel en zoek op de kaart naar een alternatieve route. Dat valt echter nog niet mee. We moeten sowieso ergens de IJssel over. En er zijn niet al te veel oversteekplaatsen. Bruggen bij grote plaatsen als Deventer of Zwolle vallen af, want we willen niet door een stad heen jakkeren. En zeker niet met de kar. We willen bovendien onderweg ook nog wat zien en we hebben tevens geen zin om onnodig kilometers ver om te rijden. Want het moet wel leuk blijven voor onze kinderen.
Met dat omrijden suggereer ik dat we een einddoel voor ogen hebben. Dat is echter niet het geval. Ja, Harlingen. Maar dan praat ik wel over ongeveer anderhalve week, dan moeten we daar zijn. Maar eerst dus die IJssel nog over. Olst of Wijhe, bij een van die twee Hanzedorpen moet het lukken.
De bossen gaan over in landelijke tafereeltjes. Akkers en weilanden wisselen elkaar af. We rijden door Oene. Alleen de naam al. Hier is de maandag nog wasdag. De lakens zijn er nog wit. Nee, ze liggen niet meer op de bleek, maar hangen te wapperen aan de waslijn. Onder aan de dijkjes, waarover wij fietsen. We steken bij Olst met het pontje de rivier over. Aan de andere kant van de IJssel zien we nog veel meer weilanden. Het landschap oogt hier wijdser. Verbeelding? Wil ik iets geloven wat niet bestaat? Het verzet in ieder geval even mijn gedachten. Niet bezig zijn met de fietskar, of die het wel houdt.
We laten de blauwvingers van Zwolle links van ons liggen. We passeren bij Dalfsen de Overijsselse Vecht. We vorderen gestaag richting Tineke-land, de streek waar Tineke een deel van haar jeugd heeft doorgebracht. In die omgeving wil ik ergens kamperen.
Vlak voor IJhorst slaat het pechduiveltje toe. Bij het oversteken van een provinciale weg klapt een wiel van de kar om. De kar zakt scheef. Daar kom ik niet ver meer mee.
Snel improviseren, het is nog dag. In IJhorst is een camping: De Witte Bergen. Daar maar heen. Ik koppel de kar los van mijn fiets en laadt een tent op mijn fiets. Het is onverantwoord, maar Naomi moet even achterblijven bij de kar om op onze spullen te passen, terwijl wij naar de camping rijden. Daar laad ik snel de boel af en rijd terug.
De andere, kleine tent gaat achter op mijn fiets. De picknicktafel zet ik op het bagagerekje voor op mijn fiets en houd ik vast. Nog wat klein grut gaat in de fietstassen, waardoor de kar nu bijna leeg is. Het is een echte sleurbak geworden.
Op de camping heb ik de spullen achtergelaten onder een naaldboom. Tineke is al begonnen met het schoonvegen van ons plekje waar we zeker een paar dagen zullen blijven.
Het wiel van de kar repareren kan ik niet. Dus moet ik op zoek naar een fietsenzaak, de volgende dag. De fietsenmaker is in het dorp te vinden. Nee, dat wiel repareren lukt daar niet. En het is een afwijkende maat, bovendien niet dubbelassig, zodat een nieuw wiel ook niet voorradig is. Bestellen kost zeker een paar weekjes.
Oei, wat nu?
Iets verderop zit een smederij, misschien kunnen die het wiel recht krijgen, waarna het met wat sterkere, dikke spaken weer in balans kan worden gebracht.
De smederij weet ik te vinden, daar zijn we langs gereden op weg naar IJhorst. Daar kijkt men eerst wat meewarig, maar de smid is ook heel behulpzaam. Het is voor hem een uitdaging om ons weer op weg te helpen. Hij neemt alle tijd en laat zelfs werk, waarmee hij bezig was, even liggen. Met het nodige geduld weet hij het wiel eerst van de kar los te krijgen, iets wat mij niet was gelukt. Waar ik veel geweld zou hebben toegepast, gaat de smid met fluwelen hand te werk. Het lukt hem om het wiel te rechten en te richten, maar garantie voor een lang leven kan hij niet geven. Er wordt alleen wat materiaalkosten gerekend. Het uurloon laat hij zitten.
De volgende dag ga ik terug naar de fietsenmaker en laat het wiel verder uitrichten en verstevigen. Opnieuw krijg ik de raad mee om zo snel mogelijk een ander wiel aan te schaffen, want een garantie dat deze het lang volhoudt kan men niet geven. En onderweg nog even de spaken goed nakijken en spannen of losmaken. Al naar gelang het nodig is.
Tineke heeft de tijd, die ik bij fietsenmaker en smederij heb doorgebracht, samen met de kinderen goed besteed. Zij heeft onder andere de Havixhorst laten zien, daar heeft zij vroeger gewoond. Ze is bij familie in Koekange langs geweest en naar de ooievaars in De Wijk gereden.
We vervolgen onze weg vanuit Vierhouten naar het noordoosten. Het mooie Drentse land lonkt. Maar eerst moeten we nog een stukje over de Veluwe, door een bosrijke omgeving. Met de fietskar achter me zoek ik een rustige route uit. Maar het blijkt ook een zware gang, met name in het begin. Dan rijden we vooral over onverharde wegen.
Dat betekent voor mij hard werken met de fietskar achter me. Maar het is ook een aanslag op de wielen van de kar, die regelmatig over omhooggewerkte boomwortels bonken. Ik stop daarom al snel en zoek op de kaart naar een alternatieve route. Dat valt echter nog niet mee. We moeten sowieso ergens de IJssel over. En er zijn niet al te veel oversteekplaatsen. Bruggen bij grote plaatsen als Deventer of Zwolle vallen af, want we willen niet door een stad heen jakkeren. En zeker niet met de kar. We willen bovendien onderweg ook nog wat zien en we hebben tevens geen zin om onnodig kilometers ver om te rijden. Want het moet wel leuk blijven voor onze kinderen.
Met dat omrijden suggereer ik dat we een einddoel voor ogen hebben. Dat is echter niet het geval. Ja, Harlingen. Maar dan praat ik wel over ongeveer anderhalve week, dan moeten we daar zijn. Maar eerst dus die IJssel nog over. Olst of Wijhe, bij een van die twee Hanzedorpen moet het lukken.
De bossen gaan over in landelijke tafereeltjes. Akkers en weilanden wisselen elkaar af. We rijden door Oene. Alleen de naam al. Hier is de maandag nog wasdag. De lakens zijn er nog wit. Nee, ze liggen niet meer op de bleek, maar hangen te wapperen aan de waslijn. Onder aan de dijkjes, waarover wij fietsen. We steken bij Olst met het pontje de rivier over. Aan de andere kant van de IJssel zien we nog veel meer weilanden. Het landschap oogt hier wijdser. Verbeelding? Wil ik iets geloven wat niet bestaat? Het verzet in ieder geval even mijn gedachten. Niet bezig zijn met de fietskar, of die het wel houdt.
We laten de blauwvingers van Zwolle links van ons liggen. We passeren bij Dalfsen de Overijsselse Vecht. We vorderen gestaag richting Tineke-land, de streek waar Tineke een deel van haar jeugd heeft doorgebracht. In die omgeving wil ik ergens kamperen.
Vlak voor IJhorst slaat het pechduiveltje toe. Bij het oversteken van een provinciale weg klapt een wiel van de kar om. De kar zakt scheef. Daar kom ik niet ver meer mee.
Snel improviseren, het is nog dag. In IJhorst is een camping: De Witte Bergen. Daar maar heen. Ik koppel de kar los van mijn fiets en laadt een tent op mijn fiets. Het is onverantwoord, maar Naomi moet even achterblijven bij de kar om op onze spullen te passen, terwijl wij naar de camping rijden. Daar laad ik snel de boel af en rijd terug.
De andere, kleine tent gaat achter op mijn fiets. De picknicktafel zet ik op het bagagerekje voor op mijn fiets en houd ik vast. Nog wat klein grut gaat in de fietstassen, waardoor de kar nu bijna leeg is. Het is een echte sleurbak geworden.
Op de camping heb ik de spullen achtergelaten onder een naaldboom. Tineke is al begonnen met het schoonvegen van ons plekje waar we zeker een paar dagen zullen blijven.
Het wiel van de kar repareren kan ik niet. Dus moet ik op zoek naar een fietsenzaak, de volgende dag. De fietsenmaker is in het dorp te vinden. Nee, dat wiel repareren lukt daar niet. En het is een afwijkende maat, bovendien niet dubbelassig, zodat een nieuw wiel ook niet voorradig is. Bestellen kost zeker een paar weekjes.
Oei, wat nu?
Iets verderop zit een smederij, misschien kunnen die het wiel recht krijgen, waarna het met wat sterkere, dikke spaken weer in balans kan worden gebracht.
De smederij weet ik te vinden, daar zijn we langs gereden op weg naar IJhorst. Daar kijkt men eerst wat meewarig, maar de smid is ook heel behulpzaam. Het is voor hem een uitdaging om ons weer op weg te helpen. Hij neemt alle tijd en laat zelfs werk, waarmee hij bezig was, even liggen. Met het nodige geduld weet hij het wiel eerst van de kar los te krijgen, iets wat mij niet was gelukt. Waar ik veel geweld zou hebben toegepast, gaat de smid met fluwelen hand te werk. Het lukt hem om het wiel te rechten en te richten, maar garantie voor een lang leven kan hij niet geven. Er wordt alleen wat materiaalkosten gerekend. Het uurloon laat hij zitten.De volgende dag ga ik terug naar de fietsenmaker en laat het wiel verder uitrichten en verstevigen. Opnieuw krijg ik de raad mee om zo snel mogelijk een ander wiel aan te schaffen, want een garantie dat deze het lang volhoudt kan men niet geven. En onderweg nog even de spaken goed nakijken en spannen of losmaken. Al naar gelang het nodig is.
Tineke heeft de tijd, die ik bij fietsenmaker en smederij heb doorgebracht, samen met de kinderen goed besteed. Zij heeft onder andere de Havixhorst laten zien, daar heeft zij vroeger gewoond. Ze is bij familie in Koekange langs geweest en naar de ooievaars in De Wijk gereden.
30 juli 2008
De Paasheuvel
Er is nog plek zat op De Paasheuvel, als wij daar arriveren.
Maar toch zit men bijna vol, horen we bij de administratie. Hoe dat kan? Nou heel gewoon; op De Paasheuvel wordt niet ieder vrij plekje door een tent bezet. Er zijn speciaal plaatsen voor langkampeerders en speciale trekkersplaatsen, voor mensen zoals wij. Maar ook trekkershutten en er staan diverse groepsaccommodaties (groepsschuren).
Als je eenmaal op De Paasheuvel zit, dan hoef je eigenlijk niet meer weg. Misschien voor wat boodschappen, maar verder toch echt niet. Want er zijn uitgebreide toiletgebouwen, een wasserette, talloze speelweides voor de kinderen, sportvelden, tennisbanen. Er zijn diverse parkeerplaatsen, zodat de auto’s niet tussen of naast de tenten of huisjes blijven staan. De horeca is aanwezig, niet alleen om iets te drinken, maar je kunt er ook uit eten en je kan er eten halen. Nee er is geen pizzabezorger of wegbrengchinees op het terrein, maar ik vermoed dat er best een mogelijkheid zal zijn om fastfood te laten brengen. Alles in de omgeving riekt immers naar toerisme en als het om centen verdienen gaat, worden toch echt heel wat (christelijke) beginselen overboord gegooid. Ook op zondag.
Nadat we onze tenten bij een van de velden hebben neergezet, maken we een rondwandeling in de omgeving en over het terrein. En ontdekken dan veel van de hierboven al vermelde voor(oor)delen van een verblijf op De Paasheuvel.
Hier dansten vroeger de AJC’ers op de dag van de arbeid rond de meiboom.
Als wij er zijn, herken ik op deze plek weinig uit die tijd. In mijn herinneringen zag het recreatieoord er trouwens in de “Philips-tijd’ – ik ben er toen tweemaal geweest als kind van een Philips-arbeider – heel anders uit. Vooral veel minder vol.
We eten een hapje, niet te zwaar want we houden rekening met de conditie van Naomi. Raema heeft zich vandaag uitstekend gehouden. Zij heeft duidelijk geen fietsdijen.
De meiden gaan op tijd slapen en wij maken het ook niet te laat, want morgen is er weer een (fiets)dag.
Er is nog plek zat op De Paasheuvel, als wij daar arriveren.
Maar toch zit men bijna vol, horen we bij de administratie. Hoe dat kan? Nou heel gewoon; op De Paasheuvel wordt niet ieder vrij plekje door een tent bezet. Er zijn speciaal plaatsen voor langkampeerders en speciale trekkersplaatsen, voor mensen zoals wij. Maar ook trekkershutten en er staan diverse groepsaccommodaties (groepsschuren).
Als je eenmaal op De Paasheuvel zit, dan hoef je eigenlijk niet meer weg. Misschien voor wat boodschappen, maar verder toch echt niet. Want er zijn uitgebreide toiletgebouwen, een wasserette, talloze speelweides voor de kinderen, sportvelden, tennisbanen. Er zijn diverse parkeerplaatsen, zodat de auto’s niet tussen of naast de tenten of huisjes blijven staan. De horeca is aanwezig, niet alleen om iets te drinken, maar je kunt er ook uit eten en je kan er eten halen. Nee er is geen pizzabezorger of wegbrengchinees op het terrein, maar ik vermoed dat er best een mogelijkheid zal zijn om fastfood te laten brengen. Alles in de omgeving riekt immers naar toerisme en als het om centen verdienen gaat, worden toch echt heel wat (christelijke) beginselen overboord gegooid. Ook op zondag.
Nadat we onze tenten bij een van de velden hebben neergezet, maken we een rondwandeling in de omgeving en over het terrein. En ontdekken dan veel van de hierboven al vermelde voor(oor)delen van een verblijf op De Paasheuvel.
Hier dansten vroeger de AJC’ers op de dag van de arbeid rond de meiboom.
Als wij er zijn, herken ik op deze plek weinig uit die tijd. In mijn herinneringen zag het recreatieoord er trouwens in de “Philips-tijd’ – ik ben er toen tweemaal geweest als kind van een Philips-arbeider – heel anders uit. Vooral veel minder vol.
We eten een hapje, niet te zwaar want we houden rekening met de conditie van Naomi. Raema heeft zich vandaag uitstekend gehouden. Zij heeft duidelijk geen fietsdijen.
De meiden gaan op tijd slapen en wij maken het ook niet te laat, want morgen is er weer een (fiets)dag.
29 juli 2008
Gimme shelter
Terug in de tijd. Naar het jaar 1991.
Na de vakantie naar Zuid-Limburg hebben we de smaak te pakken. De volgende (fiets)vakantie is een deels geplande trektocht. Vertrek- en eindpunt zijn Almere. En er wordt een tussenstop in Harlingen gemaakt. Daar scheiden tijdelijk onze wegen. Daarover later meer.
Eerst een stukje voorbereiding.
Fietsen? Ja!
Kamperen? Ja!
Maar hoe neem je met twee kleine kinderen voldoende kleding mee? Je moet immers met alle weersomstandigheden rekening houden. Zon, warm, regen, kou.
De kinderen moeten hun eigen kleding op de fiets meenemen, maar er gaan ook nog eens twee tenten en vier slaapzakken en luchtbedden mee. Verder potten, pannen, borden, mokken, bestek en een campinggasstel.
Het lijkt wel een kleine verhuizing.
De oplossing komt vanzelf voorbij. Nou ja, vanzelf.
De oplossing wordt aangedragen door de ligfietsfanaat Ton ten Brinke. De Almeerse politieagent bouwt zijn eigen ligfietsen en heeft allerlei ideeën uitgewerkt voor bouwsels. En overal haalt hij materiaal vandaan.
Soms heeft hij iets over. Zo heeft Ton een frame over, waar omdat hij andere plannen heeft.
Met een beetje poetsen en smeren moet dat frame geschikt gemaakt kunnen worden als trekkarretje.
Dat valt allemaal niet mee. Ja een staalborstel eroverheen, schuren, dat lukt allemaal nog wel. Een likje blauwe en witte verf, waar ken ik die kleuren toch van, gaat ook prima.
Maar alles los maken, smeren en oliën? Nou, in sommige delen is geen beweging te krijgen.
Ik timmer een kistje in elkaar, die ik via wat kleine latjes vastzet op het frame.
Ik ben toch handiger dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. En in dat kistje passen, tenten, slaapzakken, potten, pannen en een opvouwbare kunststof picknicktafel. Die dingen zijn in die tijd nog in de mode en zijn lekker makkelijk, compact zodat je geen tafel en vier stoelen hoeft mee te zeulen.
Maar wel iets aan de zware kant voor een fietsvakantie; eerlijk is eerlijk.
Voor we helemaal klaar zijn eerst een testritje maken. Daarbij ontdek ik dat de aansluiting sluiting met de fiets niet echt optimaal is. Met een beetje prutsen krijg ik dat voor elkaar.
En de fietskar heeft geen licht. Dat los ik niet op, want ik ben toch niet van plan om ’s avonds te rijden. Wel krijgt het geheel een rode reflectors mee.
Tenslotte dopen we – naar goed Hollands gebruik - de kist: Gimme Shelter.
We zijn er klaar voor. Het wachten is nu nog op Naomi. Want die is met sv Almere op voetbalkamp en komt op zaterdag terug.
Bek af natuurlijk, want vooral die laatste nacht is er weinig geslapen.
Geen punt want we zijn toch van plan om pas op zondag weg te rijden, richting Veluwe.
Op zondag heeft Naomi last van een kleine buikloop. Gelukkig hebben we wat beschuit in huis. Ze is slapjes maar toch in staat om mee te fietsen, zodat we besluiten – weliswaar een paar uurtjes later – om toch maar op pad te gaan.
Op het fietspad langs het Gooi- (en vervolgens) ook Eemmeer houdt de kar zich goed. Ondanks het zware gewicht springt de kar wel op de hobbels, die we hier en daar op onze weg tegenkomen. Het gaat allemaal voortvarend. Bij de Nijkerkerbrug rijden we de polder uit. Vlak voor de Eemhof hebben we onze eerste stop gemaakt. We hebben dan ongeveer zeventien kilometer gereden. In Nijkerk nemen we iets meer tijd en eten een hapje, uit het vuistje.
We vragen voor Naomi een droge toast. We worden een beetje meewarig aangekeken. Nee, we gaan het niet uitleggen. En Naomi? Ze houdt het binnen en knapt er zienderogen van op.
We komen door bijzondere dorpjes en bijzondere plekken zoals het Uddelermeer, dat rechts van ons half achter de bomen ligt verscholen.
De tijd lijkt al een halve eeuw stil gestaan te hebben in deze omgeving. De bevolking is op weg naar of van de kerk. De vrouwen met lange donkere jurken, die de enkels bedekken. Veel hoofddoekjes (toch echt geen moslima’s) en hoeden. De mannen in driedelig kostuum met hoed of in nette klederdracht met pet. De jongens gaan stijf in het pak, de meisjes in lange rokken met veel ruches. De kleuren zwart en grijs overheersen. Ach ja, het begrip zwartekousenkerk had hier uitgevonden kunnen zijn.
De kleurrijke kleding van onze meiden steekt fel af tegen de kledij van hun leeftijdsgenootjes. Het valt onze deerntjes ook op. En ze maken opmerkingen over de strooien hoedjes, met daaronder vooral veel blonde kopjes.
Wij vallen de kerkgangers niet lastig en zij ons niet. Dat de tijd hier helemaal heeft stilgestaan is overigens niet waar, want we zien toch wel veel kerkgangers op de fiets. Net buiten de dorpjes worden we gepasseerd door een grote groep wielrenners of zijn het toerfietsers? Is daar verschil tussen dan? Geen idee. Nog niet, maar dat leer ik later wel. Het verschil tussen die twee groepen.
Het einddoel van de eerste dag is Vierhouten. We rijden naar De Paasheuvel een plek met historie, waar ik als kind heb gekampeerd, met veel andere Philips-kinderen.
Terug in de tijd. Naar het jaar 1991.
Na de vakantie naar Zuid-Limburg hebben we de smaak te pakken. De volgende (fiets)vakantie is een deels geplande trektocht. Vertrek- en eindpunt zijn Almere. En er wordt een tussenstop in Harlingen gemaakt. Daar scheiden tijdelijk onze wegen. Daarover later meer.
Eerst een stukje voorbereiding.
Fietsen? Ja!
Kamperen? Ja!
Maar hoe neem je met twee kleine kinderen voldoende kleding mee? Je moet immers met alle weersomstandigheden rekening houden. Zon, warm, regen, kou.
De kinderen moeten hun eigen kleding op de fiets meenemen, maar er gaan ook nog eens twee tenten en vier slaapzakken en luchtbedden mee. Verder potten, pannen, borden, mokken, bestek en een campinggasstel.
Het lijkt wel een kleine verhuizing.
De oplossing komt vanzelf voorbij. Nou ja, vanzelf.
De oplossing wordt aangedragen door de ligfietsfanaat Ton ten Brinke. De Almeerse politieagent bouwt zijn eigen ligfietsen en heeft allerlei ideeën uitgewerkt voor bouwsels. En overal haalt hij materiaal vandaan.
Soms heeft hij iets over. Zo heeft Ton een frame over, waar omdat hij andere plannen heeft.
Met een beetje poetsen en smeren moet dat frame geschikt gemaakt kunnen worden als trekkarretje.
Dat valt allemaal niet mee. Ja een staalborstel eroverheen, schuren, dat lukt allemaal nog wel. Een likje blauwe en witte verf, waar ken ik die kleuren toch van, gaat ook prima.
Maar alles los maken, smeren en oliën? Nou, in sommige delen is geen beweging te krijgen.
Ik timmer een kistje in elkaar, die ik via wat kleine latjes vastzet op het frame.
Ik ben toch handiger dan ik ooit voor mogelijk heb gehouden. En in dat kistje passen, tenten, slaapzakken, potten, pannen en een opvouwbare kunststof picknicktafel. Die dingen zijn in die tijd nog in de mode en zijn lekker makkelijk, compact zodat je geen tafel en vier stoelen hoeft mee te zeulen.
Maar wel iets aan de zware kant voor een fietsvakantie; eerlijk is eerlijk.
Voor we helemaal klaar zijn eerst een testritje maken. Daarbij ontdek ik dat de aansluiting sluiting met de fiets niet echt optimaal is. Met een beetje prutsen krijg ik dat voor elkaar.
En de fietskar heeft geen licht. Dat los ik niet op, want ik ben toch niet van plan om ’s avonds te rijden. Wel krijgt het geheel een rode reflectors mee.
Tenslotte dopen we – naar goed Hollands gebruik - de kist: Gimme Shelter.
We zijn er klaar voor. Het wachten is nu nog op Naomi. Want die is met sv Almere op voetbalkamp en komt op zaterdag terug.Bek af natuurlijk, want vooral die laatste nacht is er weinig geslapen.
Geen punt want we zijn toch van plan om pas op zondag weg te rijden, richting Veluwe.
Op zondag heeft Naomi last van een kleine buikloop. Gelukkig hebben we wat beschuit in huis. Ze is slapjes maar toch in staat om mee te fietsen, zodat we besluiten – weliswaar een paar uurtjes later – om toch maar op pad te gaan.
Op het fietspad langs het Gooi- (en vervolgens) ook Eemmeer houdt de kar zich goed. Ondanks het zware gewicht springt de kar wel op de hobbels, die we hier en daar op onze weg tegenkomen. Het gaat allemaal voortvarend. Bij de Nijkerkerbrug rijden we de polder uit. Vlak voor de Eemhof hebben we onze eerste stop gemaakt. We hebben dan ongeveer zeventien kilometer gereden. In Nijkerk nemen we iets meer tijd en eten een hapje, uit het vuistje.
We vragen voor Naomi een droge toast. We worden een beetje meewarig aangekeken. Nee, we gaan het niet uitleggen. En Naomi? Ze houdt het binnen en knapt er zienderogen van op.
We komen door bijzondere dorpjes en bijzondere plekken zoals het Uddelermeer, dat rechts van ons half achter de bomen ligt verscholen.
De tijd lijkt al een halve eeuw stil gestaan te hebben in deze omgeving. De bevolking is op weg naar of van de kerk. De vrouwen met lange donkere jurken, die de enkels bedekken. Veel hoofddoekjes (toch echt geen moslima’s) en hoeden. De mannen in driedelig kostuum met hoed of in nette klederdracht met pet. De jongens gaan stijf in het pak, de meisjes in lange rokken met veel ruches. De kleuren zwart en grijs overheersen. Ach ja, het begrip zwartekousenkerk had hier uitgevonden kunnen zijn.
De kleurrijke kleding van onze meiden steekt fel af tegen de kledij van hun leeftijdsgenootjes. Het valt onze deerntjes ook op. En ze maken opmerkingen over de strooien hoedjes, met daaronder vooral veel blonde kopjes.
Wij vallen de kerkgangers niet lastig en zij ons niet. Dat de tijd hier helemaal heeft stilgestaan is overigens niet waar, want we zien toch wel veel kerkgangers op de fiets. Net buiten de dorpjes worden we gepasseerd door een grote groep wielrenners of zijn het toerfietsers? Is daar verschil tussen dan? Geen idee. Nog niet, maar dat leer ik later wel. Het verschil tussen die twee groepen.
Het einddoel van de eerste dag is Vierhouten. We rijden naar De Paasheuvel een plek met historie, waar ik als kind heb gekampeerd, met veel andere Philips-kinderen.
Abonneren op:
Posts (Atom)