23 juli 2008

Fietsen

Vrijdag 11 juli 2008
Na al de voorgaande schermutselingen wordt het tijd zelf kennis te maken met het eiland. De totale groep gaat uit elf personen bestaan. De kwartiermakers gaan al op vrijdagmorgen; zeven personen sterk. Tineke maakt zondagochtend een waddentocht en gaat daarvoor ’s morgens vroeg terug naar Holwerd en komt dan met de overige vier lopers terug. Die hebben hun karige bagage aan ons meegegeven.
Van internet plukken we de route naar Holwerd af. We vertrekken extra vroeg omdat woensdag een aantal ontevreden vrachtrijders heeft aangekondigd dat er weer acties tegen accijnzen en dieselprijzen komen. Die drie kwartier extra moet voldoende zijn om door een eventuele fuik te komen. Het helpt ook trouwens als je afwijkt van de route. En dat doen deze wereldreizigers uiteraard. Hoe krijgen we het iedere keer weer voor elkaar. Vlak voor Leeuwarden slaan we braaf af richting Harlingen. We hebben het gemelde aantal kilometers ook braaf afgelegd. De eerste rotonde is geen probleem, maar waar ligt die tweede? Die komt niet. Aan het eind van de weg hebben we de keuze links- of rechtsaf. Rechtsaf, richting St.Annaparochie zover gaat mijn geografische kennis gelukkig nog wel. En dan Stiens aanhouden. Dat herken ik weer van de routebeschrijving. We rijden ongeveer twintig kilometer om, maar zijn toch op tijd.
Tineke zet mij bij het begin van het parkeerterrein af. Dat voorkomt gesleep met de vier extra tassen.
In de terminal is een deel van het gezelschap al gearriveerd. Het eerste stel is zelfs zo vroeg dat het een boot eerder kan nemen.Maar afspraak is afspraak. En half elf is half elf.

Dat haalt de rest ook en gezamenlijk stappen we op de veerboot die ons overzet. Het is een rustige tocht door de geulen langs het wad. Niet iets om je druk over te maken. Een tocht met een drankje en een hapje. Het blijft allemaal binnen. Dat geldt niet voor het gezelschap. Een deel gaat even naar dek. Zeehonden spotten.Halverwege komen we het tweelingbroertje tegen. Na ongeveer drie kwartier draaien en keren legt de boot aan. Het ontschepen gaat razendsnel. Bij de boot staan taxibusjes klaar en voor 2,50 euro per persoon worden we naar hotel Hofker, ons logeeradres gebracht.
Even is er verwarring over het aantal kamers, vanwege een paar afzeggingen. Maar alles wordt soepel geregeld in dit familiehotel. We installeren ons vlot, tas uitpakken en dan eropuit. Eerst Nes ontdekken of een fiets huren. De verhuurder houdt er een siësta op na en is tot één uur gesloten. De keuze wordt daarmee een stuk gemakkelijker. Een appartementencomplex van drie hoog trekt de aandacht. Een jaar eerder is de (ver)bouw nog volop bezig. Nu staat het te koop, inclusief garage. Het gehele pand moet zo’n 1,5 miljoen opbrengen. Een hoop geld.
In een plantsoentje staart Jan de Jong sinds 1982 in de verte. Jan de Bakker, zoals hij in zijn geboortedorp Nes ook wel wordt genoemd, is een van de bekendste eilanders.Hij is van 1936 tot zijn overlijden aartsbisschop van Utrecht. Een man van het volk, die liever dorpspastoor was geworden. Als het even kan, gaat hij terug naar zijn Ameland, dat hij nimmer verloochent. Tijdens de Tweede Oorlog leidt hij het kerkelijk verzet tegen de Duitse bezetter. Openlijk neemt hij afstand van het nationaal socialisme en werkt mee aan een protestmanifestatie tegen de jacht op studenten door de Gestapo. Vanwege zijn dapperheid wordt hij na de oorlog door de paus tot kardinaal verheven. Beeldhouwer Jan Ram vereeuwigde hem, als de burger, met hoge hoed en stok. Een beeld dat best vaker mag worden opgepoetst.
Bij Kiewiet huren wij onze fietsen en besluiten om naar de westkust te fietsen. Over de hoofdweg naar de vuurtoren. Tegen de wind in. Niet iedereen is even fietsvast. Het gezelschap ligt al snel uit elkaar.Ik rijd vooruit om wat plaatjes te schieten. De eerste twee mislukken. Ik ben niet snel genoeg met mijn camera. Als iedereen is gepasseerd stap ik op en race naar voren. Vanaf de fiets fotografeer ik verder, zodat iedereen is vereeuwigd.
Onderweg passeren we het hellinkje van de onnodige landdijk van Hollum en Ballum en ook het laatste stukje gaat licht omhoog.Vlak voor de vuurtoren is het (pannenkoeken)restaurant Onder de Vuurtoren gevestigd en daar strijken we neer om onze dorst te lessen. En om te voorkomen dat we op de terugweg geconfronteerd worden met de bij fietsers gevreesde hongerklop wordt er ook wat vast voedsel ingenomen.
De terugweg gaat door de duinen over een schelpenpaadje. Verscholen in duinpannen staan talloze vakantiehuisjes, maar complete landhuizen. De toppen steken net boven het helmgras uit. Het gaat omhoog en omlaag. Soms even afstappen. Een kijkje nemen bij een duinovergang. Genieten van het spel op het strand. En dan volgt voor mij de beloning in de vorm van een koud glas bier, een Kriekje.Anderen drinken liever een witje met citroen, een sapje of een kruidenbittertje, speciaal gestookt voor Ameland in Rotterdam.
Het avondeten nuttigen we bij het moderne ingerichte Rixt. Hier worden duidelijk geen Griekse tijden gehanteerd. De patat is niet gaar en gaat terug. En zo mankeert er nog wel het een en ander. De bediening maakt excuses. Ach ja, zij kan er nu eenmaal ook niets aan doen dat er in de keuken zo wordt geklungeld.

22 juli 2008

Heersers

De adellijke familie Jelmera vestigt zich in 1424 op het eiland. De familie laat in Ballum een slot bouwen, Jelmerstate. De bevolking accepteert de vermogende familie al snel als heerser en Ritske Jelmera wordt de eerste Heer van Ameland. Zijn achterkleinzoon Hayo huwt met de weduwe van Sicko Pieters van Cammingha en neemt haar naam aan. Zo begint op Ameland de tijd van het geslacht Cammingha.
Dat regeert niet zachtzinnig. Lijfstraffen komen veelvuldig voor. Een man die ontrouw is, moet met zijn linkerhand bijvoorbeeld zijn rechterhand afhouwen. Een stelende vrouw wordt gedwongen haar oor af te snijden. Het zijn de zwarte schaduwzijden van de welvaart. Want de ‘Heren’ brengen ook voorspoed. Zij zijn de voorloper van Zwitserse onafhankelijkheid dat hoog in hun vaandel staat. Zij schipperen tijdens de (zee)oorlog tussen Nederland en Engeland en ook tijdens de Tachtigjarige Oorlog worden de koopvaardijschepen met Amelander vlag niet aangevallen door de strijdende partijen. Die (handels)geest brengt het eiland tot grote welvaart.
Op jonge leeftijd sterft de ziekelijke Frans Duco van Cammingha in 1680. Zijn moeder Rixt van Donia leidt het eiland nog een jaar en komt daarna ook te overlijden. Het geslacht Cammingha heeft zelf geen opvolgers meer. Het eiland komt in handen van de familie Thoe Schartzenberg Hohenlandsberg. Dit geslacht heeft geen enkele binding met het eiland en doet het in de verkoop.
Prinses Henriëtta Amalia van Anhalt-Dessau koopt het in 1704 voor de somma van 170.000 gulden voor haar zoon Johan Willem Friso, de stadhouder van Friesland. De band met de Oranjes wordt hiermee gesmeed. En is thans nog zichtbaar in de titulatuur van koningin Beatrix: Vrij- en erfvrouwe van de Heerlijkheid Ameland.
In de tijd van Nassau breekt een nieuwe bloeiperiode aan. De Amelanders gaan zich bijvoorbeeld toeleggen op de walvisvaart en worden commandeur (kapitein), harpoenier of speksnijder. Ieder schip heeft zo’n veertig tot vijftig bemanningsleden nodig en de commandeurs ronselen dappere eilanders, die na de ontdekking een walvis met hun harpoenen vanuit roeibootjes te lijf gaan. Dat is niet helemaal zonder gevaar. Menig bootje verbrijzelt door een klap van de machtige walvisstaart en dat betekent rouw in een Amelandse woning.
Uit die tijd stammen overigens de vele commandeurswoningen, die meestal te herkennen zijn aan een dubbele rij uitstekende richelsteentjes in de voorgevel en een haak.
Aan het eind van de achttiende eeuw komt een eind aan de bloeiperiode. Het aantal inwoners daalde meteen. Amelanders vertrekken naar het vaste land, om daar werk te zoeken.
In 1801 – tijdens de Franse revolutie – wordt bepaald dat Ameland definitief bij Friesland hoort en het eiland raakt daarmee de status van onafhankelijke ‘Heerlijkheid’ kwijt. Ameland krijgt voor het eerst een burgemeester, de grietman. Walraven Robbert Derk Baron van Heeckeren trekt in het slot in Ballum en wordt in 1837 opgevolgd door zijn zoon Daniël, die weer iets van de oude glorie weet terug te brengen.
Vanaf de samenvoeging van het eiland met Friesland wordt de bemoeienis van het rijk steeds belangrijker. En hoewel personen heel belangrijk zijn geweest in de strijd tegen het water, zorgde Rijkswaterstaat toch voor de doorbraak met als het motto: ‘Vast houden wat je hebt en vastleggen wat je kunt winnen.’
Vanaf 1930 is Staatsbosbeheer betrokken bij het beheer van de natuur op het eiland. Maar ook de Friese provinciale natuurbeschermingsvereniging It Fryske Gea is belangrijk en bijzonder actief op Ameland. It Fryske Gea is bijvoorbeeld sinds 1938 beheerder van het Oerd (225 ha). In 1972 werd de Hon erbij gevoegd en in 2005 kreeg de vereniging ook het beheer over de Kooioerdstuifdijk. Bij elkaar zo’n elfhonderd hectare duin- kwelder- en waddengebied.

21 juli 2008

Geschiedenis

Voor de ontstaansgeschiedenis van Ameland (en evenzo van de andere waddeneilanden) moet ik volgens de geschiedschrijving zo’n negenduizend jaar terug in de tijd. Na de laatste ijstijd ontstaan in de Noordzee langgerekte strandwallen van zand, die van elkaar worden gescheiden door de mondingen van rivieren. Tussen die wallen en het vaste land liggen (veen)moerassen.Door de werking van eb en vloed in samenhang met de wind verandert het landschap voortdurend. En eigenlijk is dat nog steeds zo, waarbij de mens tegenwoordig ook wel een handje helpt.
De wind voert zaden mee. De zaadjes nestelen zich in het zand. De wallen raken begroeid en worden steviger, groeien. Zo rond onze jaartelling steken er woeste stormen op. Die slaan het veen achter de wallen deels weg. De gaten tussen de wallen (duinen) worden breder. Een nieuw eiland is geboren. Een eiland? Nee, een hele reeks eilanden. De waddeneilanden, die zich niet alleen voor onze kust uitstrekken, maar ook voor Duitsland en Denemarken.
Vermoedelijk tegen het eind van de achtste eeuw trekken de eerste mensen naar Ambla, zoals Ameland in historische stukken in die tijd wordt genoemd. Zeker is in ieder geval dat het eiland in de Middeleeuwen permanent wordt bewoond. Door zeevaarders, die de eilandjes eerst gebruiken als schutplaats tegen de woeste golven en het er zo naar hun zin hebben dat zij zich er blijvend vestigen.
Ameland bestaat aanvankelijk uit drie eilandjes. Ballum en Nes zijn van elkaar gescheiden door een slenk en in het oosten ligt Oerd, het gelijknamige dorpje is al lang verdwenen.De bewoners voeren een voortdurende strijd tegen het water: Noordzee en Waddenzee. Achter de duinen hebben zij een redelijke beschutting. Maar ook de zandverstuivingen zorgen voor veranderende vormen van hun woongebieden. Het gevaar komt vooral uit het zuiden uit de Waddenzee, die bijna vrij spel heeft en vaak voor overstromingen van de landbouwgronden zorgt. Regelmatig moeten de bewoners hun houten huisjes afbreken en elders weer opbouwen. Rond de Mieden – de landbouwgronden – worden dijkjes van graszoden en wier gebouwd, ongeveer anderhalve meter hoog. Het is niet genoeg. Regelmatig luidt letterlijk de noodklok, als een van de dijkjes het begeeft. Dan trekken de eilanders massaal naar de Mieden om erger te voorkomen en de schade te herstellen.
Op 3 februari 1825 overstroomt bijna het gehele eiland. Alleen de hogere duinenrijen blijven gespaard. Dijken worden echter in de storm weggeslagen. Veel huisjes raken onherstelbaar vernield. Het vee wordt naar de hogere gedeelten in veiligheid gebracht. De visserscheepjes slaan kapot en ook menig vracht- en beurtschip zinkt.
Zoals de storm van 1953 het sein is voor de Deltawerken wordt ook deze watersnoodramp aangepakt om het water de oorlog te verklaren. Of dat met een Nobeltje of kruidenbitter in de hand gebeurt, dat zeggen de boeken niet.
Onder leiding van burgemeester Daniël Wigbold Crommelin van Heeckeren start omstreeks 1840 de aanleg van dijkjes met een stenen beschoeiing aan de wadkant. En daarmee wordt het er meteen een stuk veiliger op. Hierna is de slenk tussen Nes en Ballum aan de beurt. Met een houten constructie – het molbord – voortgetrokken door paarden wordt het zand bijeen geschoven. Vijf jaar doet men erover om aan de noordzijde het gat tussen West- en Oost-Ameland te dichten. Aan de zuidkant komt gelijktijdig een steendam, die het water geleidt en het gevaar van die kant temt.
Veel mensen, die tegenwoordig van Nes naar het westen fietsen breken hun hoofd over het hellinkje halfweg. Dit dijkje/heuveltje moet bijna wel een rol hebben gespeeld in het samenvoegen van de twee gedeelten. Ja en nee. Het is enamelijk een dijk zonder functie en ligt er louter en alleen vanwege de meningsverschillen tussen de waterschappen van West- en Oost-Ameland. De Grieën (Hollum en Ballum) willen per se een volwaardige zeedijk. Nes en Buren vinden het maar niets. Hollum en Ballum gaan hun gang en leggen tussen 1913 en 1915, deels landinwaarts een halve dijk aan. Zo’n vijftien jaar later is de zuidelijke dijk, onder Nes en Buren door, voltooid en heeft het dijkje landinwaarts zijn nut praktisch verloren. Het is nu een kuitenbijtertje voor de onervaren fietser.
Later (zelfs tot begin vorige eeuw) komen er in het noorden stuifdijken, die de duingebieden bij Hollum/Ballum, bij Nes/Buren en bij het Oerd met elkaar verbinden.
Is daarmee de oorlog tegen het water definitief gewonnen? Nou, denk dat maar niet. Aan de westkant is even na de Tweede Wereldoorlog sprake van een geweldige kaalslag aan de kust. Blijft Hollum wel behouden?Komt de beroemde vuurtoren in het water te staan? Die vragen houden veel mensen bezig. In 1947 wordt begonnen met een geweldige operatie. Met zware basaltblokken wordt de kust versterkt en het wassende water een halt toegeroepen. Een operatie die ongeveer twintig jaar duurt.
Toch is ook heden ten dage de strijd met het getij niet beslecht. De krachten die viermaal per dag in het Borndiep – de geul tussen Ameland en Terschelling – los worden gelaten door Zeuss en Poseidon, hebben grote gevolgen voor de geulen en de zandplaten in het gebied. Grote zandmassa’s worden dagelijks verplaatst. De zandplaat bij Ballum wordt oostwaarts geduwd. Bij eb ontstaat er een groot binnenmeer, dat slechts mondjesmaat wordt opgevuld met zandbezinksel.De verwachting is dat land en water langzaam maar zeker weer naar elkaar toe zullen groeien.

20 juli 2008

Ameland

‘Ik zou ’t fijn vinden als je dit jaar meegaat.’
Weekendjes uit, een lang weekend. Het is lange tijd niet aan mij besteed geweest.
Meestal heb ik als excuus dat ik moet werken, zodat ik niet in de gelegenheid ben om ergens heen te gaan. En ben ik een keer een dagje vrij, dan heb ik echt geen zin om met een (onbekend) gezelschap op te trekken. Asociaal? Noem het zoals jezelf wilt.
Alles verandert.De natuur, mijn omgeving. Mijn werk staat het tegenwoordig wel toe om ergens heen te gaan. Niet meer ieder weekend werken. Niet langer iedere sporter achterna rennen. En ik ben ouder, misschien ook wel milder.
De personeelsvereniging van Beth Shalom, waar Tineke werkt, heeft enkele jaren aan een georganiseerde wadlooptocht meegedaan. De animo daarvoor is verminderd. Een klein groepje is doorgegaan. Niet meer vanuit de personeelsvereniging, maar zelfstandig. En niet alleen personeel, maar ook aanhang, familie, vrienden. Vorig jaar heeft Tineke een lang weekend op Ameland georganiseerd, gecombineerd met een wandeling over het wad van Holwerd (Friesland) naar Ameland. En dat is goed bevallen, daarom mag ze het nog een keer doen.
En ik ga mee.
Diverse mensen haken op het laatste moment af. Nee, niet om mij. Daar hebben ze andere redenen voor. Zeer persoonlijke redenen.
Ameland wordt mijn derde waddeneiland. De eerste overtocht – met een oude schuit – naar Vlieland staat mij nog helder op het netvlies. Daar komt mijn aversie voor eilanden vandaan.En Griekenland dan?
Ik hoor de vraag al, voor hij is gesteld.
Ja, Griekenland is Ellada.
Maar goed, terug naar die eerste overtocht. Met die oude schuit. Vanuit Harlingen. Een stuk de Noordzee op. Want anders kun je niet veilig aan de waddenkant de haven van Vlieland binnenglijden. Stampen op de Noordzee. Het is bijna de titel van een nieuwe hit. Groen en geel stap ik aan wal. De terugweg is niet veel beter.Nee, laat Tineke maar lekker alleen gaan, of met onze meiden. Ik zwaai ze wel uit.
Later wordt de boot groter, het water rustiger, maar mijn maag blijft vaak door mijn lijf dansen. Ik ben geen held op een boot, geen held op het water. En ook niet erin.
Na Vlieland komt - ik schat ongeveer twintig jaar later – Terschelling.Daar trouwt Naomi in de Brandaris.

En nu dus Ameland.
Wat weet ik ervan? Behalve dat het bij Friesland hoort, volgens de kenners het meest toeristische Nederlandse waddeneiland is en er geen Fries wordt gesproken.
Heel weinig. O ja, je gaat er vanuit Holwerd naartoe en de auto mag mee. Nog iets. Er liggen meerdere dorpen op Ameland en de veerboot legt aan in de haven van Nes.
En de rest komt uit de boekjes. Een ANWB-gidsje, gekocht in Almere. En de overige lectuur heb ik aangeschaft bij de VVV, gevestigd in een vrij nieuw pand tussen de haven en Nes.

8 juli 2008

Terugblik
Over vakantieverhalen hangt altijd een zweem van romantiek. Prik gerust door die mist heen, maar vergeet niet dat het mijn verhaal is. Zoals ik de vakantie op Samos heb ervaren, heb gezien. De historische feiten heb ik niet zomaar uit mijn mouw geschud, maar komen uit diverse boekwerkjes of heb ik brutaal van internet geplukt.
Het inlezen gebeurde thuis al via een boekwerkje van ANWB Extra, dat geleverd wordt met een goede praktische kaart en verder schafte ik in Nederland al een boekje aan met autotochten en wandelingen, uitgegeven door Sunflower Books.Op Samos werd – van Summer Dream – nog een gidsje met 140 foto’s aangeschaft en een Historische en archeologische gids, die door uitgeverij Esperos is uitgegeven. Ook deze twee boeken zijn in de Nederlandse taal verkrijgbaar. Op Samos kocht ik nog een Engelstalig boek (van University Studio Press), dat gaat over het kloostertje boven Pythagório en de omgeving van dit dorp. En tenslotte een Griekstalig gidsje over de kloosters op Samos, dat door de kloosters zelf is uitgegeven.
Weet ik nu alles van Samos? Nee, en dat zal ik ook niet beweren. Het is voor mij op dit moment in ieder geval wel voldoende.
Heb ik alles gezien op Samos? Nee, en ook dat beweer ik niet. Wie de voorgaande stukken heeft gelezen, moet dat ook hebben opgemerkt.
Heb ik alles gedaan wat ik wilde? Ook daar moet ik ontkennend op antwoorden. Door diverse omstandigheden is er bijvoorbeeld niets gekomen van een lange wandeling door de Nachtegaalvallei.Terwijl wandelingen naar de watervallen mij wel in, langs en over water hebben gevoerd, maar de watervallen zelf heb ik niet gezien. Terwijl ze er echt wel zijn. En zo kan ik nog wel even doorgaan. De stad Karlóvassi heb ik bijvoorbeeld alleen van afstand en door een autoraam gezien, maar ik heb niet de lucht van deze studentenplaats opgesnoven. Excursies over water zijn vaak hetzelfde.Er staat wind en daar word ik meestal roezig van, er wordt een eiland en/of een strandje bezocht en onderweg is er wel een maaltijd met ouzo en wijn. De eilandjes zijn soms onbewoond, vaak schattig. Het is er deze vakantie niet van gekomen om een of meer van die eilanden te bekijken, mijn hakken er in het zand te zetten.
Zo’n opsomming als hierboven doet misschien vermoeden dat ik ontevreden terugblik op onze voorjaarsvakantie 2008. Het tegendeel is echter waar. En ik denk dat ik ook namens Tineke spreek als ik zeg, dat we veel hebben gezien, heerlijk hebben gegeten. Deze vakantie is weer een aardige mixed van cultuur, natuur en strand geweest. Maar het is gewoon waar Samos is gewoon te groot om het in een vakantie van twee weken te stoppen.
Ga ik nog eens terug? Ik weet het niet. Voorlopig niet, maar zeg nooit nooit.
Ik heb de naam Polycratis al eens aangestipt, maar daar wordt deze figuur uit de oudheid eigenlijk tekort gedaan. Met behulp van zijn broers Pentagnostos en Syloson kreeg hij zo rond 550 voor Christus de macht over Samos in handen. Ze verdeelden het eiland in drie stukken. Maar de een werd later door hem gedood en de ander verjaagd, waarna hij het eiland inpikte.Onder zijn bewind kwam Samos tot grote bloei en werd het middelpunt Ionië op het gebied van handel en scheepsbouw, maar ook op cultureel gebied liet Polycratis veel achter. De tunnel door de berg ten noorden van Pythagório kwam onder zijn bewind tot stand. Hij gaf de aanzet tot de bouw van een nieuwe tempel voor Hera op de oude bedeplaats Heraion, zorgde dat er muren (6.200 meter lang) om de stad kwamen en legde bij Pythagório een oorlogshaven aan.
In zijn paleis omringde Polycratis zich met doktoren, dichters en filosofen. Met zoveel kennis in een gebied kon het niet uitblijven dat de kennis zich vermeerderde. Zelf was hij een kundig en gevreesd strijdheer en hij sloot vriendschappelijke betrekkingen af met Pisistratos (de heerster van Athene) Lydamis (van Naxos) en koning Amasis van Egypte. In de loop der jaren ontpopte hij zich tot een ware despoot.
Over hem gaat nog het volgende verhaal. Amasis schreef hem op zekere dag dat zijn rijkdom de haat der goden en mensen zou opwekken en dat hij iets moest doen om dat te verminderen. Polycratis gooide een van zijn mooiste en dierbaarste ringen in zee. Een paar dagen later vond de paleiskok de ring in de buik van een vis, die hij voor Polycratis bereidde.Toen Amasis dit hoorde, voorspelde hij dat het leven van zijn vriend een verschrikkelijk einde zou krijgen. En dat gebeurde. Door een list wist de Perzische satraap Sardis Polycratis te vangen en nagelde hem aan een kruis, waar hij stierf.
Maar genoeg over de geschiedenis van het eiland.
En aan de strijd tussen Kokkári en Pythagório, zoals die vaak te lezen is op de prikborden, waag ik me ook niet. Wij hebben ons prima vermaakt vanuit Kokkári en hebben ook in Pythagório genoten. Die plaats heette vroeger overigens Tigani. De naamsverandering in Pythagório vond pas in 1955 plaats.
Alle verhalen over hoe groen het is, kan ik zonder meer beamen. In het voorjaar als de velden in bloei staan, is het kleurrijk.Over later in het jaar kan ik alleen maar mijn verbeelding laten spreken. De olijfbomen en de wijngaarden geven het eiland een eigen karakter. De stille stranden moet men echt zoeken, ze zijn er wel. Maar wie niet opziet om in een rijtje te liggen bakken, kan hier heel goed terecht.Culinair is er niets mis en qua vriendelijkheid kan het eiland zich meten met menig ander Grieks eiland. Wat mij verder opviel was dat er in mei al zoveel taveernes open waren.Misschien wel door de grote Duitse schare toeristen die hier ieder voorjaar al neerstrijkt. Terwijl op veel Griekse eilanden de kerken en kapelletjes steeds meer op slot gaan omdat kerkelijke schatten worden massaal worden gestolen, is men daar op Samos niet bang voor. Ook kleine kapelletjes, ver van de bewoonde wereld waren gewoon open. En een sleutel bij de pappas halen of wachten op zijn komst, hoeft eigenlijk bijna nergens.
Al met al een eiland, dat zeker in mijn topvijf thuishoort.

6 juli 2008

Welkom
Dinsdag 27 mei 2008
De laatste dag. Geen bezoek aan de bakker. We moeten om tien voor acht bij de weg staan om opgehaald te worden door een bus, die ons naar het vliegveld brengt. Van maandag is er nog wat brood over en dat wordt met de laatste sap weggewerkt. De melk is al op. De laatste spulletjes worden in de tassen gestopt. De tas van Tineke barstte gisteren al bijna uit haar voegen, zodat de laatste spullen in mijn grotere tas gaan. Het keramiek heb ik een veilig plekje gegeven in mijn rugtas en gaat mee als handbagage.
Afscheid nemen van Gianny en Efie.Gianny drukt mij nog een paar klaprozen in de hand. Nog een laatste foto van mij met Gianny en daarna wandelen we op ons gemak naar de weg. Aan het eind van ons paadje gaan een trap en een hellinkje naar de doorgaande weg. Die helling kunnen we nog net nemen, maar wordt achter ons afgesloten vanwege werkzaamheden aan de weg.
We hoeven niet al te lang te wachten op de bus, die wordt begeleidt door Jiba-girl Sandra, terwijl Sunweb-meisje Femke later in Pythagório instapt.We hebben dan onderweg in Kokkári en bij de rotonde van Samos-stad, waar we enige tijd moeten wachten, al veel mensen ingeladen. Net voorbij Pythagório wordt nog een laatste stop gemaakt en dan zijn we ook al bijna bij het vliegveld. Er is nauwelijks tijd voor de laatste instructies: ‘eerst de bagage laten scannen, daarna inchecken en de bagage afgeven. Wie niet meteen door de douane en langs de handbagage scanner wil en nog even naar buiten wil voor een frisse neus, kan dat rustig doen. Want na de douane is er geen weg meer terug.’
Buiten staat al een flinke rij met mensen die allemaal hun bagage door de scanner moeten jagen. Er vormt zich net – ook al buiten – een tweede rij. De buitenste rij blijkt vooral in trek bij Duitsers, terwijl voor de twee Nederlandse vliegtuigen – na ons gaat er nog een vlucht – speciaal een scanapparaat is geopend.
Echt vlot gaat het allemaal niet. Een Neckerman-babe komt nog even de rust verstoren. ‘Alle reizigers voor de Transavia-vlucht naar voren.’ Lieverd die staan allemaal al in die rij, dus de mensen die naar voren willen dringen, worden weer vrolijk naar achteren gebonjourd. Moeten hun vroegere plekje weer terugvechten. Onze juffen kondigen aan dat zij verder geen tijd meer voor ons hebben, omdat het tweede vliegtuig ook is geland en zij de komende vakantiegangers moeten opvangen.
Bij het scannen worden geen onregelmatigheden gevonden en we kunnen inchecken. Ook dat gaat op zijn Grieks: siga, siga. Meteen door naar de douane, want het wordt er niet vroeger op en daar begint zich ook al een flinke rij te vormen. Bovendien is hier geen Duitse en Nederlandse rij, maar gaat alles door elkaar. Voor een vrouw in een rolstoel moet iets extra’s worden geregeld, want ja die past niet door het persoonscanpoortje en de rolstoel zelf past uiteraard niet op de band. En wat doe je dan als er slechts een ervaren scanner aanwezig is: delegeren aan een jonkie die niet weet wat hij moet doen. Dan zet je een tweede jongeling in en tenslotte ga je zelf maar aan de slag. En al die tijd worden het scannen van goederen en de persoonlijke controle vertraagd.
Voor mij blijft er desondanks nog voldoende tijd over om naar het toilet te gaan, voordat wordt omgeroepen dat we kunnen gaan boarden. Voor Tineke niet, want voor de twee damestoiletten heeft zich een flinke rij gevormd. Dan maar in het vliegtuig; een vliegdoop. Bij het boarden gaat er iets mis, een enkeling voor de tweede vlucht komt ook al op het platform terecht, maar stapt gelukkig wel in het tweede, goede vliegtuig. Geen gedonder dus, van jij zit op mijn plaats.
De vlucht verloopt goed. Beneden ons glijden eerst de eilanden weg en dan steken we via de Balkan door naar Klagenfurt en in de buurt van Duitsland passeren we de Nederlandse grens.Boven Nederland is het zicht een stuk minder en moeten we ook nog een flinke draai maken, zodat er geen tijdwinst wordt behaald op deze vlucht. We worden bovendien niet naar de gate gevoerd, waar we eigenlijk zouden stoppen, maar stappen iets dichter bij de centrale hal uit.
Op het vliegveld is het weer een komen en gaan van reizigers. Vakantiegangers, zoals wij die onze vakantie erop hebben zitten. Mensen die nog op pad gaan naar warme, soms verre oorden. Zakenmensen.
We wandelen op ons gemak naar de bagageruimte. Daar is het een drukte van belang. Mijn gedachten gaan terug naar Marin.Heel even maar. De werkelijkheid van nu is drukte. Vier vluchten worden er op deze band afgewerkt. De band draait al, maar het is nog niet onze flight, die wordt afgewerkt. Terwijl ik sta te wachten, gaat Tineke al tickets voor de trein kopen. Een goede verbetering op Schiphol; in de bagagehal al ticketautomaten neerzetten. Dan komt het bericht dat de koffers van onze vlucht ook op de lijn zitten. De rode tas van Tineke en mijn zwarte geval zitten in de tweede stock. Ik wurm ze tussen de wachtende mensen door van de band en we kunnen vertrekken. Naar de trein, die niet lang op zich laat wachten.
Tineke heeft onze meiden dan al laten weten dat we veilig zijn geland. Raema belooft dat zij ons zal oppikken bij het station Buiten. Het hele winkelcentrum gaat op de schop en ze kan met haar auto niet aan de achterkant van het station komen. Ze zal ons daarom van het perron zelf halen. En ze is al in het centrum. ‘Waar zijn jullie.’
Nou dat duurt minstens nog wel een half uurtje voor we in Buiten zijn. Het streekvervoer, althans de ontevreden buschauffeurs staken, horen we van Naomi. Geen probleem, want Raema pikt ons op. Of toch niet?
Oef weer een telefoontje van onze jongste dochter. ‘Ik ben naar huis gegaan. Naar onze nieuwste woning en ik heb daar de deur achter me dichtgetrokken en de sleutels liggen nog in huis. Ja, ook de autosleutels. En de bussen rijden niet. Nee, ook de stadsbussen niet.’
We zijn dan Almere Stad al gepasseerd. Is een taxi de oplossing? Nou probeer maar eens een taxi bij het station Buiten te krijgen. En dan nog voor een ritje naar de Faunabuurt. Daar zitten ze echt op te wachten. Dat wordt lopen dus. Dat doet Raema ook, onze kant op.
Terwijl we uitstappen begint het te regenen. Tineke scoort bij de automatiek een kroket. Ik zie vier winkelbediendes van een grootgrutter achter een winkeldief aan snellen. Welkom in Nederland. Hier maken we ons niet druk om drie of vier kerkjes.
Thuis zeul ik de tassen naar boven. Tineke pikt Raema op bij station Oostvaarders en neemt haar mee naar ons huis. Als zij terugzijn draait de wasmachine al op volle toeren. Vakantie of geen vakantie, het leven gaat zijn gewone gang.