Terugblik
Over vakantieverhalen hangt altijd een zweem van romantiek. Prik gerust door die mist heen, maar vergeet niet dat het mijn verhaal is. Zoals ik de vakantie op Samos heb ervaren, heb gezien. De historische feiten heb ik niet zomaar uit mijn mouw geschud, maar komen uit diverse boekwerkjes of heb ik brutaal van internet geplukt.
Het inlezen gebeurde thuis al via een boekwerkje van ANWB Extra, dat geleverd wordt met een goede praktische kaart en verder schafte ik in Nederland al een boekje aan met autotochten en wandelingen, uitgegeven door Sunflower Books.
Op Samos werd – van Summer Dream – nog een gidsje met 140 foto’s aangeschaft en een Historische en archeologische gids, die door uitgeverij Esperos is uitgegeven. Ook deze twee boeken zijn in de Nederlandse taal verkrijgbaar. Op Samos kocht ik nog een Engelstalig boek (van University Studio Press), dat gaat over het kloostertje boven Pythagório en de omgeving van dit dorp. En tenslotte een Griekstalig gidsje over de kloosters op Samos, dat door de kloosters zelf is uitgegeven.
Weet ik nu alles van Samos? Nee, en dat zal ik ook niet beweren. Het is voor mij op dit moment in ieder geval wel voldoende.
Heb ik alles gezien op Samos? Nee, en ook dat beweer ik niet. Wie de voorgaande stukken heeft gelezen, moet dat ook hebben opgemerkt.
Heb ik alles gedaan wat ik wilde? Ook daar moet ik ontkennend op antwoorden. Door diverse omstandigheden is er bijvoorbeeld niets gekomen van een lange wandeling door de Nachtegaalvallei.
Terwijl wandelingen naar de watervallen mij wel in, langs en over water hebben gevoerd, maar de watervallen zelf heb ik niet gezien. Terwijl ze er echt wel zijn. En zo kan ik nog wel even doorgaan. De stad Karlóvassi heb ik bijvoorbeeld alleen van afstand en door een autoraam gezien, maar ik heb niet de lucht van deze studentenplaats opgesnoven. Excursies over water zijn vaak hetzelfde.
Er staat wind en daar word ik meestal roezig van, er wordt een eiland en/of een strandje bezocht en onderweg is er wel een maaltijd met ouzo en wijn. De eilandjes zijn soms onbewoond, vaak schattig. Het is er deze vakantie niet van gekomen om een of meer van die eilanden te bekijken, mijn hakken er in het zand te zetten.
Zo’n opsomming als hierboven doet misschien vermoeden dat ik ontevreden terugblik op onze voorjaarsvakantie 2008. Het tegendeel is echter waar. En ik denk dat ik ook namens Tineke spreek als ik zeg, dat we veel hebben gezien, heerlijk hebben gegeten. Deze vakantie is weer een aardige mixed van cultuur, natuur en strand geweest. Maar het is gewoon waar Samos is gewoon te groot om het in een vakantie van twee weken te stoppen.
Ga ik nog eens terug? Ik weet het niet. Voorlopig niet, maar zeg nooit nooit.
Ik heb de naam Polycratis al eens aangestipt, maar daar wordt deze figuur uit de oudheid eigenlijk tekort gedaan. Met behulp van zijn broers Pentagnostos en Syloson kreeg hij zo rond 550 voor Christus de macht over Samos in handen. Ze verdeelden het eiland in drie stukken. Maar de een werd later door hem gedood en de ander verjaagd, waarna hij het eiland inpikte.
Onder zijn bewind kwam Samos tot grote bloei en werd het middelpunt Ionië op het gebied van handel en scheepsbouw, maar ook op cultureel gebied liet Polycratis veel achter. De tunnel door de berg ten noorden van Pythagório kwam onder zijn bewind tot stand. Hij gaf de aanzet tot de bouw van een nieuwe tempel voor Hera op de oude bedeplaats Heraion, zorgde dat er muren (6.200 meter lang) om de stad kwamen en legde bij Pythagório een oorlogshaven aan.
In zijn paleis omringde Polycratis zich met doktoren, dichters en filosofen. Met zoveel kennis in een gebied kon het niet uitblijven dat de kennis zich vermeerderde. Zelf was hij een kundig en gevreesd strijdheer en hij sloot vriendschappelijke betrekkingen af met Pisistratos (de heerster van Athene) Lydamis (van Naxos) en koning Amasis van Egypte. In de loop der jaren ontpopte hij zich tot een ware despoot.
Over hem gaat nog het volgende verhaal. Amasis schreef hem op zekere dag dat zijn rijkdom de haat der goden en mensen zou opwekken en dat hij iets moest doen om dat te verminderen. Polycratis gooide een van zijn mooiste en dierbaarste ringen in zee. Een paar dagen later vond de paleiskok de ring in de buik van een vis, die hij voor Polycratis bereidde.
Toen Amasis dit hoorde, voorspelde hij dat het leven van zijn vriend een verschrikkelijk einde zou krijgen. En dat gebeurde. Door een list wist de Perzische satraap Sardis Polycratis te vangen en nagelde hem aan een kruis, waar hij stierf.
Maar genoeg over de geschiedenis van het eiland.
En aan de strijd tussen Kokkári en Pythagório, zoals die vaak te lezen is op de prikborden, waag ik me ook niet. Wij hebben ons prima vermaakt vanuit Kokkári en hebben ook in Pythagório genoten. Die plaats heette vroeger overigens Tigani. De naamsverandering in Pythagório vond pas in 1955 plaats.
Alle verhalen over hoe groen het is, kan ik zonder meer beamen. In het voorjaar als de velden in bloei staan, is het kleurrijk.
Over later in het jaar kan ik alleen maar mijn verbeelding laten spreken. De olijfbomen en de wijngaarden geven het eiland een eigen karakter. De stille stranden moet men echt zoeken, ze zijn er wel. Maar wie niet opziet om in een rijtje te liggen bakken, kan hier heel goed terecht.
Culinair is er niets mis en qua vriendelijkheid kan het eiland zich meten met menig ander Grieks eiland. Wat mij verder opviel was dat er in mei al zoveel taveernes open waren.
Misschien wel door de grote Duitse schare toeristen die hier ieder voorjaar al neerstrijkt.
Terwijl op veel Griekse eilanden de kerken en kapelletjes steeds meer op slot gaan omdat kerkelijke schatten worden massaal worden gestolen, is men daar op Samos niet bang voor. Ook kleine kapelletjes, ver van de bewoonde wereld waren gewoon open. En een sleutel bij de pappas halen of wachten op zijn komst, hoeft eigenlijk bijna nergens.
Al met al een eiland, dat zeker in mijn topvijf thuishoort.
Het inlezen gebeurde thuis al via een boekwerkje van ANWB Extra, dat geleverd wordt met een goede praktische kaart en verder schafte ik in Nederland al een boekje aan met autotochten en wandelingen, uitgegeven door Sunflower Books.
Op Samos werd – van Summer Dream – nog een gidsje met 140 foto’s aangeschaft en een Historische en archeologische gids, die door uitgeverij Esperos is uitgegeven. Ook deze twee boeken zijn in de Nederlandse taal verkrijgbaar. Op Samos kocht ik nog een Engelstalig boek (van University Studio Press), dat gaat over het kloostertje boven Pythagório en de omgeving van dit dorp. En tenslotte een Griekstalig gidsje over de kloosters op Samos, dat door de kloosters zelf is uitgegeven.
Weet ik nu alles van Samos? Nee, en dat zal ik ook niet beweren. Het is voor mij op dit moment in ieder geval wel voldoende.Heb ik alles gezien op Samos? Nee, en ook dat beweer ik niet. Wie de voorgaande stukken heeft gelezen, moet dat ook hebben opgemerkt.
Heb ik alles gedaan wat ik wilde? Ook daar moet ik ontkennend op antwoorden. Door diverse omstandigheden is er bijvoorbeeld niets gekomen van een lange wandeling door de Nachtegaalvallei.
Terwijl wandelingen naar de watervallen mij wel in, langs en over water hebben gevoerd, maar de watervallen zelf heb ik niet gezien. Terwijl ze er echt wel zijn. En zo kan ik nog wel even doorgaan. De stad Karlóvassi heb ik bijvoorbeeld alleen van afstand en door een autoraam gezien, maar ik heb niet de lucht van deze studentenplaats opgesnoven. Excursies over water zijn vaak hetzelfde.
Er staat wind en daar word ik meestal roezig van, er wordt een eiland en/of een strandje bezocht en onderweg is er wel een maaltijd met ouzo en wijn. De eilandjes zijn soms onbewoond, vaak schattig. Het is er deze vakantie niet van gekomen om een of meer van die eilanden te bekijken, mijn hakken er in het zand te zetten.Zo’n opsomming als hierboven doet misschien vermoeden dat ik ontevreden terugblik op onze voorjaarsvakantie 2008. Het tegendeel is echter waar. En ik denk dat ik ook namens Tineke spreek als ik zeg, dat we veel hebben gezien, heerlijk hebben gegeten. Deze vakantie is weer een aardige mixed van cultuur, natuur en strand geweest. Maar het is gewoon waar Samos is gewoon te groot om het in een vakantie van twee weken te stoppen.
Ga ik nog eens terug? Ik weet het niet. Voorlopig niet, maar zeg nooit nooit.
Ik heb de naam Polycratis al eens aangestipt, maar daar wordt deze figuur uit de oudheid eigenlijk tekort gedaan. Met behulp van zijn broers Pentagnostos en Syloson kreeg hij zo rond 550 voor Christus de macht over Samos in handen. Ze verdeelden het eiland in drie stukken. Maar de een werd later door hem gedood en de ander verjaagd, waarna hij het eiland inpikte.
Onder zijn bewind kwam Samos tot grote bloei en werd het middelpunt Ionië op het gebied van handel en scheepsbouw, maar ook op cultureel gebied liet Polycratis veel achter. De tunnel door de berg ten noorden van Pythagório kwam onder zijn bewind tot stand. Hij gaf de aanzet tot de bouw van een nieuwe tempel voor Hera op de oude bedeplaats Heraion, zorgde dat er muren (6.200 meter lang) om de stad kwamen en legde bij Pythagório een oorlogshaven aan.
In zijn paleis omringde Polycratis zich met doktoren, dichters en filosofen. Met zoveel kennis in een gebied kon het niet uitblijven dat de kennis zich vermeerderde. Zelf was hij een kundig en gevreesd strijdheer en hij sloot vriendschappelijke betrekkingen af met Pisistratos (de heerster van Athene) Lydamis (van Naxos) en koning Amasis van Egypte. In de loop der jaren ontpopte hij zich tot een ware despoot.Over hem gaat nog het volgende verhaal. Amasis schreef hem op zekere dag dat zijn rijkdom de haat der goden en mensen zou opwekken en dat hij iets moest doen om dat te verminderen. Polycratis gooide een van zijn mooiste en dierbaarste ringen in zee. Een paar dagen later vond de paleiskok de ring in de buik van een vis, die hij voor Polycratis bereidde.
Toen Amasis dit hoorde, voorspelde hij dat het leven van zijn vriend een verschrikkelijk einde zou krijgen. En dat gebeurde. Door een list wist de Perzische satraap Sardis Polycratis te vangen en nagelde hem aan een kruis, waar hij stierf.Maar genoeg over de geschiedenis van het eiland.
En aan de strijd tussen Kokkári en Pythagório, zoals die vaak te lezen is op de prikborden, waag ik me ook niet. Wij hebben ons prima vermaakt vanuit Kokkári en hebben ook in Pythagório genoten. Die plaats heette vroeger overigens Tigani. De naamsverandering in Pythagório vond pas in 1955 plaats.
Alle verhalen over hoe groen het is, kan ik zonder meer beamen. In het voorjaar als de velden in bloei staan, is het kleurrijk.
Over later in het jaar kan ik alleen maar mijn verbeelding laten spreken. De olijfbomen en de wijngaarden geven het eiland een eigen karakter. De stille stranden moet men echt zoeken, ze zijn er wel. Maar wie niet opziet om in een rijtje te liggen bakken, kan hier heel goed terecht.
Culinair is er niets mis en qua vriendelijkheid kan het eiland zich meten met menig ander Grieks eiland. Wat mij verder opviel was dat er in mei al zoveel taveernes open waren.
Misschien wel door de grote Duitse schare toeristen die hier ieder voorjaar al neerstrijkt.
Terwijl op veel Griekse eilanden de kerken en kapelletjes steeds meer op slot gaan omdat kerkelijke schatten worden massaal worden gestolen, is men daar op Samos niet bang voor. Ook kleine kapelletjes, ver van de bewoonde wereld waren gewoon open. En een sleutel bij de pappas halen of wachten op zijn komst, hoeft eigenlijk bijna nergens.
Al met al een eiland, dat zeker in mijn topvijf thuishoort.
Gianny drukt mij nog een paar klaprozen in de hand. Nog een laatste foto van mij met Gianny en daarna wandelen we op ons gemak naar de weg. Aan het eind van ons paadje gaan een trap en een hellinkje naar de doorgaande weg. Die helling kunnen we nog net nemen, maar wordt achter ons afgesloten vanwege werkzaamheden aan de weg.
We hebben dan onderweg in Kokkári en bij de rotonde van Samos-stad, waar we enige tijd moeten wachten, al veel mensen ingeladen. Net voorbij Pythagório wordt nog een laatste stop gemaakt en dan zijn we ook al bijna bij het vliegveld. Er is nauwelijks tijd voor de laatste instructies: ‘eerst de bagage laten scannen, daarna inchecken en de bagage afgeven. Wie niet meteen door de douane en langs de handbagage scanner wil en nog even naar buiten wil voor een frisse neus, kan dat rustig doen. Want na de douane is er geen weg meer terug.’
Buiten staat al een flinke rij met mensen die allemaal hun bagage door de scanner moeten jagen. Er vormt zich net – ook al buiten – een tweede rij. De buitenste rij blijkt vooral in trek bij Duitsers, terwijl voor de twee Nederlandse vliegtuigen – na ons gaat er nog een vlucht – speciaal een scanapparaat is geopend.
Bij het scannen worden geen onregelmatigheden gevonden en we kunnen inchecken. Ook dat gaat op zijn Grieks: siga, siga. Meteen door naar de douane, want het wordt er niet vroeger op en daar begint zich ook al een flinke rij te vormen. Bovendien is hier geen Duitse en Nederlandse rij, maar gaat alles door elkaar. Voor een vrouw in een rolstoel moet iets extra’s worden geregeld, want ja die past niet door het persoonscanpoortje en de rolstoel zelf past uiteraard niet op de band. En wat doe je dan als er slechts een ervaren scanner aanwezig is: delegeren aan een jonkie die niet weet wat hij moet doen. Dan zet je een tweede jongeling in en tenslotte ga je zelf maar aan de slag. En al die tijd worden het scannen van goederen en de persoonlijke controle vertraagd.
De vlucht verloopt goed. Beneden ons glijden eerst de eilanden weg en dan steken we via de Balkan door naar Klagenfurt en in de buurt van Duitsland passeren we de Nederlandse grens.
Boven Nederland is het zicht een stuk minder en moeten we ook nog een flinke draai maken, zodat er geen tijdwinst wordt behaald op deze vlucht. We worden bovendien niet naar de gate gevoerd, waar we eigenlijk zouden stoppen, maar stappen iets dichter bij de centrale hal uit.
Heel even maar. De werkelijkheid van nu is drukte. Vier vluchten worden er op deze band afgewerkt. De band draait al, maar het is nog niet onze flight, die wordt afgewerkt. Terwijl ik sta te wachten, gaat Tineke al tickets voor de trein kopen. Een goede verbetering op Schiphol; in de bagagehal al ticketautomaten neerzetten. Dan komt het bericht dat de koffers van onze vlucht ook op de lijn zitten. De rode tas van Tineke en mijn zwarte geval zitten in de tweede stock. Ik wurm ze tussen de wachtende mensen door van de band en we kunnen vertrekken. Naar de trein, die niet lang op zich laat wachten.
Thuis zeul ik de tassen naar boven. Tineke pikt Raema op bij station Oostvaarders en neemt haar mee naar ons huis. Als zij terugzijn draait de wasmachine al op volle toeren. Vakantie of geen vakantie, het leven gaat zijn gewone gang.
Het geld voor het parkeren hebben wij er graag voor over. Een euro per uur, drie euro voor de gehele dag. Dat parkeren doen we op terreintje achter de mini-market, die boven het strand ligt. De auto staat dan onder een krap rieten dakje, lekker in de schaduw. Er zijn overigens wel andere plekken waar je niet hoeft te betalen, bijvoorbeeld bij het begin van het strand, bij de taveernes aan het strand of helemaal aan het eind bij de appartementen in aanbouw. Wij kiezen echter steeds voor dit alternatief.
Eerst richting hoofdstad, bij de kerkjes afslaan, vrij snel rechts aanhouden en door het nietige Drosiá afzakken naar het zuiden naar de landbouwgronden in Mésokampos. Vervolgens voor Paralia Mykáli links aanhouden langs de kust waar enkele forse appartementencomplexen, onder andere een gebouw speciaal op Italianen gericht, zijn neer geplempt. Kaap Katsoúni is door de soldaten ingepikt en daar rijden we om het meertje van Alikés een klein stukje landinwaarts naar de hierboven al genoemde parkeerplaats. Een vogelaar staat bij het beschermde meertje door zijn verrekijker te turen, maar echt veel vogels treft hij hier niet aan. Een flamingo, door mij consequent ibis genoemd, staat wat in het water te pikken. Verder fladdert er wat klein grut rond. Ben ik nu zo’n vogelkenner? Nee, zeker niet. De man vermoedelijk wel, maar hij is wel alleen en de eerste die ik daar aantref.
En dan het strand. De rijen strandstoelen zijn redelijk bezet, maar verderop is het stil. Erg stil. Zelfs onder de bomen die bescherming bieden tegen de hete middagzon ligt niemand. Hebben we de hoofdprijs weer gewonnen? Het lijkt er wel op. Maar al snel is duidelijk dat het minder aangenaam is op het strand, dan het lijkt. Het water is niet uitnodigend, dus ik blijf op de kant. De wind jaagt bovendien het zand naar ons toe. Langzaam maar zeker kruipt dat zand in alle gaten van de tassen. Zelf worden we gezandstraald, onze mooie bruine Griekse zonkleur schuurt van onze lijven. Dit is niet echt aangenaam en we korten ons verblijf op het zandstrand van Psili Ámmos drastisch in. Weer een les geleerd. In uitzonderingsgevallen kan ik beter naar een grintstrand dan naar een zandstrand gaan.
Een Griekse man die zich met zijn kind bemoeit is zeker geen dagelijks tafereeltje.
Zijn er verschillen tussen de kerkjes. Jazeker, het afstapje. Als je daar niet op bedacht bent, dan vlieg je er zo doorheen en is een bidprentje meenemen geen overbodige luxe.
De foto’s van Samos-stad gaan niet door. Ach, je kunt nu eenmaal niet als fotograferen.
We nemen afscheid, maken een laatste wandeling door dit dorp en gaan terug naar ons appartement. De tassen worden verder ingepakt. Alleen het hoognodige voor morgenochtend blijft staan. Niets en niemand kan ons nu nog verrassen.
Dat laatste doen meer vakantiegangers. En de Grieken zelf zie je er ook. Niet de oude mannen en hele families, waar die in Kokkári op zondag hun kopje Griekse koffie drinken blijft voor mij een raadsel. Langs de haven en het strand zitten wel de Griekse yuppen, die voortdurend in de weer zijn met hun mobieltjes.
Die gebruiken ze niet alleen om te bellen, maar ook om foto’s te maken. Van elkaar of van de omgeving.
Ik vermaak me prima door naar mensen te kijken. Ook op het terras waar wij genieten van een koud glas frappé en een stuk appelgebak, ook al koud.
Er is nog wat tijd over en dus wordt de auto gepakt. We willen immers ook nog een keer naar Vourliótes. En die wandeling die zit er niet in. De afslag ligt venijnig in een bocht. Dat kan ik me nog herinneren. Maar waar is die bocht nu precies. Op het laatste moment zie ik de afslag en Tineke kan nog net de draai maken. Oef. En dan gaat de weg omhoog. Vourliótes wordt wel vergeleken met Manolátes, maar kan die vergelijking absoluut niet aan. Vinden wij.
Het pleintje is fleurig. Het dorp zelf is groter en minder knuffelig, rommeliger vooral.
De uitbouwen zijn veelal vervallen.
De striptekeningen op muren maken iets goed, maar niet alles.
En ook de pick-up die in het verleden in Nederland dienst deed bij de brandweer ontlokt ons slechts een glimlach.
Na ongeveer een kwartier heb ik door dat Tineke mij niet volgt. Een dilemma. Wat te doen. Terug of verder. Ik loop nog een stukje en nog een stukje. Soms moet ik me aan een (nieuw) touw vasthouden. Ik kom wel borden tegen, maar zie geen waterval.
Een tweede waterval moet ergens beneden mij liggen, maar die weg is nauwelijks begaanbaar. Zeker niet voor mij. Dat zie ik eindelijk een grot. Stelt niet veel voor. Een donker gat.
Dan maar terug. Op de terugweg gaat ineens mijn telefoon over. Tineke, die bezorgt vraagt waar ik ben. ‘Op de terugweg. Niet zover van de weg meer af, want ik zie al woningen.’ Nog geen twee minuten later zie ik haar staan. Ze heeft me al eerder proberen te bereiken. Maar toen had ik geen bereik. Op het bordje staat nog met stift geschreven dat de grotten of de watervallen op twintig minuten afstand liggen. Griekse minuten. Siga, siga. O ja, Stavrinides? Laat maar zitten, misschien komen we daar ooit nog eens.
’s Avonds hebben we eindelijk beet en kunnen terecht bij Bira, de taverne die bij velen in hoog aanzien staat en waar je een keer gegeten moet hebben. De taverne bestaat al sinds 1925 en is zover ik heb kunnen nagaan altijd binnen dezelfde familie gebleven. Aanvankelijk soort posthuis, waar de mensen een goed glas bier (bira) konden drinken en een hapje konden eten. Kip is de specialiteit van het huis, maar de bekri mezé, een soort stevig gekruide goulash, heeft ook wel iets.
Buiten staat Efie haar (vis)maaltijd voor te bereiden. De schubben worden geschraapt en de ingewanden worden verwijderd. En dat allemaal met vaste hand. Een visboer zal het haar niet verbeteren. Ik ben geen viskenner en ook nu nog heb ik geen idee om wat voor vis het gaat. Zelfs met een woordenboek in de hand kom ik er niet achter. Een geval van jammer dan.
Dat van Timíou Stavroú. Dit klooster ligt op de zuidflank van het Ámpelosgebergte, ten noorden van de weg van Chóra naar Koumaradéi, op de weg naar Mavratzéi.
Kennelijk heeft de kerk weer geld verdiend en dat wordt dan uitgegeven om het gebouw te verstevigen en verder te verfraaien. Dat geld komt vooral van toeristen die met busladingen tegelijk naar binnen worden gereden.
Wij zijn het net voor en kunnen zo op ons gemak de rust van het klooster inademen en genieten van de prachtige uit hout gesneden iconostase in de kerk, die niet op de foto mag worden gezet.
Maar probeer dat de toeristenhorde maar eens wijs te maken. Het staat in meerdere talen bij de ingang van de kerk aangegeven en iedere hostess/gids vertelt dat de excursiegangers voor zij de bus verlaten. Maar er is altijd wel iemand doof, Oost-Indisch doof, of hij spreekt zijn talen niet. Zo’n persoon komt filmend de kerk binnen en naast hem flits een licht als de fotocamera wordt bediend. Nee, in ben niet heiliger dan de aartsbisschop, maar ik ben het dit keer niet die zich niets van het fotoverbod aantrekt.
Buiten fotografeer ik er wel lustig op los en volg de verkoopmonnik die de schare naar binnen lokt en hen wijst op het keramiek. De beker van Pythagoras. Wat daar nu heilig aan is, dat ontgaat me. Ja, de kruisen, de kruisiging, de heiligenplaatjes en de boeken, bijbels en bijbelboeken zoals Exodus en Genesis, daar kan ik volledig inkomen. Maar kannen en bekers?
Zijn jongere collega veegt ondertussen de vloer aan. Er ligt handvol blaadjes op de grond. Ja en dat is geen gezicht. Dat is echt iets om op de foto te zetten. En als een volleerd model poseert de monnik bij een straaltje water . Het is toch allemaal wat.
Nee, het zijn geen Romeinen, maar wel rare lui.
Dat is echter niet eens zo heel bijzonder. Boven de taverna waar wij een frappe nuttigen hangt een veelkleurig schild, binnen hangen foto’s uit een ver verleden. Portretten van mannen met trotse koppen.
Er volgt nog een kleine rondgang door het dorp. Een hondje zit zielig aan een koord achter zijn hok te wachten. Nog een jong beest.
Waar zal die ooit eindigen. Ergens op een veldje achteraf? Blaffen als er toeristen langs wandelen. In de hoop meegenomen te worden naar Nederland?
Bij het uitrijden belandt Moppie achter een tractor, dat is weer iets anders dan een vrachtwagencombinatie. Het geeft de gelegenheid om de omgeving uitgebreid op ons in te laten werken. Hoe langer we hier zijn hoe duidelijker zijn de sporen van branden, die ook in deze omgeving hebben gewoed. De sporen zijn zeker geen acht jaar oud, maar van recentere datum.
Ook hier wordt gewerkt. Is er sprake van herstelwerkzaamheden, maar of er hier een echt plan is? Ja er liggen tekeningen op een stoel.
De bovenverdieping, het woongedeelte van de monnik lijkt klaar. Beneden is het echter een zooitje.
Een arbeider probeert orde in de groene chaos te scheppen.
Dan weer staat hij links, dan weer rechts te werken. Het heeft er de schijn van dat hij ons in de gaten houdt. Heel onwerkelijk. En dan loopt hij weer naar buiten met een vracht vol groenafval.
Goed voor de muurschilderingen die in de loop der jaren al aardig verweerd zijn. Ook de iconostase, uit 1625, heeft zijn beste tijd gehad.
De restauratie hiervan zal veel geduld en geld gaan kosten. Misschien dat een reisorganisatie ook hier eens een buslading toeristen kan sturen?
Maar wij kunnen zo snel geen taverna ontdekken en zijn wel toe aan een hapje en besluiten daarom om hier niet te blijven. Een verkeerde (strand)keus blijkt later, maar daar krijgen we toch ook wel weer iets anders voor terug.
Het vaste land van Turkije lijkt hier nog dichterbij te liggen dan bij Órmos Psili Ámmos. Een strandtent met de naam Posidónio domineert de westkant van de kade. Een strandje ligt half half verscholen achter de taverna te wachten. We vinden een plaatsje aan de rand van het water. Gewaarschuwd voor de praktijken van de taverna-eigenaar, die graag verse vis verkoopt en daar soms exorbitante prijzen voor vraagt, houden we het op een klein hapje. Op tafel prijkt onveranderlijk een mandje met brood. Een deel van dat brood verdwijnt in kleine stukjes in het water. Want als je denkt dat we alles wel zo'n beetje hebben gehad, dan heb je het goed mis. Na katten, honden en eenden worden we namelijk ditmaal geconfronteerd met bedelende vissen.
De grootste vissen vechten er echt om. Er valt nog net geen dode. Voor de kleintjes blijven er zelfs kruimels over. Hoe moeten die ooit groot worden?
In de volle zon zal het nog wel uit te houden zijn, maar dat proberen we niet uit. We besluiten het baaitje verder nog een keer te proberen, bij het kleine Órmos Klíma. Daar stappen we niet eens de auto uit. De toppen van de bomen zeggen genoeg. Vandaag kun je maar beter niet in het zuiden zijn. We rijden in een stuk terug naar Kokkári.
Bij Thalassa eten we een goede Kokkinisto en drink er een glaasje tsipora bij. Nee dat is inderdaad geen bier en ook geen wijn. Wat wel? Gewoon een stevige Griekse borrel.
Ik ben echter ook niet van plan een nat pak te halen en duik daarom even later maar onder de lakens.