3 juli 2008

Model
Zaterdag 24 mei 2008
Ik doe het rustig aan. Het is niet voor niets zaterdag en thuis komen we dan ook meestal rustig op gang. Bovendien waarom zou je je haasten. Siga, siga zeggen de Grieken. Op mijn gemak wandel ik naar de bakker. Het leven in Kokkári begint op gang te komen. Het ontbijt maken, de vaat doen. Het hoort er allemaal bij.
Tineke wil na die woeste dag in het westen het iets rustiger aan doen. Helemaal mee eens, maar aan het eind van de dag staan er toch weer 92 kilometer op de teller van Moppie. Dat we zo veel zouden rijden was ook niet mijn bedoeling. Het gebeurt gewoon.
Op het programma staat het bezoek aan twee kloosters, het dorp Mythilinii en een strandbezoek.Buiten staat Efie haar (vis)maaltijd voor te bereiden. De schubben worden geschraapt en de ingewanden worden verwijderd. En dat allemaal met vaste hand. Een visboer zal het haar niet verbeteren. Ik ben geen viskenner en ook nu nog heb ik geen idee om wat voor vis het gaat. Zelfs met een woordenboek in de hand kom ik er niet achter. Een geval van jammer dan.
Goed op pad dan maar, naar het eerste klooster.Dat van Timíou Stavroú. Dit klooster ligt op de zuidflank van het Ámpelosgebergte, ten noorden van de weg van Chóra naar Koumaradéi, op de weg naar Mavratzéi.
Het klooster stamt uit 1592 en is in 1828 uitgebreid gerestaureerd. Ook nu staat er weer een deel in de steigers.Kennelijk heeft de kerk weer geld verdiend en dat wordt dan uitgegeven om het gebouw te verstevigen en verder te verfraaien. Dat geld komt vooral van toeristen die met busladingen tegelijk naar binnen worden gereden.Wij zijn het net voor en kunnen zo op ons gemak de rust van het klooster inademen en genieten van de prachtige uit hout gesneden iconostase in de kerk, die niet op de foto mag worden gezet.
Maar probeer dat de toeristenhorde maar eens wijs te maken. Het staat in meerdere talen bij de ingang van de kerk aangegeven en iedere hostess/gids vertelt dat de excursiegangers voor zij de bus verlaten. Maar er is altijd wel iemand doof, Oost-Indisch doof, of hij spreekt zijn talen niet. Zo’n persoon komt filmend de kerk binnen en naast hem flits een licht als de fotocamera wordt bediend. Nee, in ben niet heiliger dan de aartsbisschop, maar ik ben het dit keer niet die zich niets van het fotoverbod aantrekt.Buiten fotografeer ik er wel lustig op los en volg de verkoopmonnik die de schare naar binnen lokt en hen wijst op het keramiek. De beker van Pythagoras. Wat daar nu heilig aan is, dat ontgaat me. Ja, de kruisen, de kruisiging, de heiligenplaatjes en de boeken, bijbels en bijbelboeken zoals Exodus en Genesis, daar kan ik volledig inkomen. Maar kannen en bekers?
Zijn jongere collega veegt ondertussen de vloer aan. Er ligt handvol blaadjes op de grond. Ja en dat is geen gezicht. Dat is echt iets om op de foto te zetten. En als een volleerd model poseert de monnik bij een straaltje water . Het is toch allemaal wat.
Nee, het zijn geen Romeinen, maar wel rare lui.
We vinden het wel goed verder en rijden een stukje terug naar Mythilinii, dat op toeristisch gebied vooral teert op zijn museum, Griekse avond en oude platéia.Dat is echter niet eens zo heel bijzonder. Boven de taverna waar wij een frappe nuttigen hangt een veelkleurig schild, binnen hangen foto’s uit een ver verleden. Portretten van mannen met trotse koppen.Er volgt nog een kleine rondgang door het dorp. Een hondje zit zielig aan een koord achter zijn hok te wachten. Nog een jong beest.Waar zal die ooit eindigen. Ergens op een veldje achteraf? Blaffen als er toeristen langs wandelen. In de hoop meegenomen te worden naar Nederland?
Zoveel leed wil ik niet zien, gauw weg, maar eerst nog een paar foto’s schieten van de kerk. Alleen de buitenkant dan. En daarna nog wat beelden en een gedenkteken.Bij het uitrijden belandt Moppie achter een tractor, dat is weer iets anders dan een vrachtwagencombinatie. Het geeft de gelegenheid om de omgeving uitgebreid op ons in te laten werken. Hoe langer we hier zijn hoe duidelijker zijn de sporen van branden, die ook in deze omgeving hebben gewoed. De sporen zijn zeker geen acht jaar oud, maar van recentere datum.
Via de al vaker beschreven kerkjes en het wipkonijn in Paleókastro belanden we bij het klooster van Agia Zóni.Ook hier wordt gewerkt. Is er sprake van herstelwerkzaamheden, maar of er hier een echt plan is? Ja er liggen tekeningen op een stoel.De bovenverdieping, het woongedeelte van de monnik lijkt klaar. Beneden is het echter een zooitje.Een arbeider probeert orde in de groene chaos te scheppen.Dan weer staat hij links, dan weer rechts te werken. Het heeft er de schijn van dat hij ons in de gaten houdt. Heel onwerkelijk. En dan loopt hij weer naar buiten met een vracht vol groenafval.
In de kerk is het donker.Goed voor de muurschilderingen die in de loop der jaren al aardig verweerd zijn. Ook de iconostase, uit 1625, heeft zijn beste tijd gehad.De restauratie hiervan zal veel geduld en geld gaan kosten. Misschien dat een reisorganisatie ook hier eens een buslading toeristen kan sturen?
Onze volgende stop is het strand van Mourtiá. Hier bevinden zich vooral senioren, lekker rustig.Maar wij kunnen zo snel geen taverna ontdekken en zijn wel toe aan een hapje en besluiten daarom om hier niet te blijven. Een verkeerde (strand)keus blijkt later, maar daar krijgen we toch ook wel weer iets anders voor terug.
We zakken af naar het zuiden en komen terecht in Órmos Posidónio.Het vaste land van Turkije lijkt hier nog dichterbij te liggen dan bij Órmos Psili Ámmos. Een strandtent met de naam Posidónio domineert de westkant van de kade. Een strandje ligt half half verscholen achter de taverna te wachten. We vinden een plaatsje aan de rand van het water. Gewaarschuwd voor de praktijken van de taverna-eigenaar, die graag verse vis verkoopt en daar soms exorbitante prijzen voor vraagt, houden we het op een klein hapje. Op tafel prijkt onveranderlijk een mandje met brood. Een deel van dat brood verdwijnt in kleine stukjes in het water. Want als je denkt dat we alles wel zo'n beetje hebben gehad, dan heb je het goed mis. Na katten, honden en eenden worden we namelijk ditmaal geconfronteerd met bedelende vissen. De grootste vissen vechten er echt om. Er valt nog net geen dode. Voor de kleintjes blijven er zelfs kruimels over. Hoe moeten die ooit groot worden?
Heel gewoon, groeien.
Tineke heeft het op het terras al aardig koud gekregen en ook ik ben een deel van mijn warmte verloren. Dat belooft weinig goeds voor een strandbezoek hier. Er staat gewoon te veel wind.In de volle zon zal het nog wel uit te houden zijn, maar dat proberen we niet uit. We besluiten het baaitje verder nog een keer te proberen, bij het kleine Órmos Klíma. Daar stappen we niet eens de auto uit. De toppen van de bomen zeggen genoeg. Vandaag kun je maar beter niet in het zuiden zijn. We rijden in een stuk terug naar Kokkári.
Daar treffen we de bussen met toeristen ook weer. Het is een drukte van belang in de straatjes van ons slaapdorp. In een van de shops kopen we een voetbaltenue voor onze kleinzoon Gianny. De shirts met Van der Vaart en Van Nistelrooy laten we hangen, het wordt ook geen Huntelaar, maar Giannakolous, in prachtig Grieks blauw. Een ode aan de onverwachte Europees kampioen van 2004. Ons jaar van Samothraki, Alexandropouli en Thassos. Het lijkt nog maar gisteren. Nadat we voor onszelf een Samos-T-shirt hebben gekocht trakteert Tineke op ijs en wordt het tijd voor Marin.
’s Avond kopen we keramiek voor het thuisfront en om aan de pergola te hangen. Ik breng het terug zodat ik er niet de hele avond mee hoef te slepen.Bij Thalassa eten we een goede Kokkinisto en drink er een glaasje tsipora bij. Nee dat is inderdaad geen bier en ook geen wijn. Wat wel? Gewoon een stevige Griekse borrel.
De Grieken op de terrassen veren op bij de Griekse inbreng op het Songfestival en zakken weer gelaten neer als blijkt dat er net niet wordt gewonnen. Vrouwen flaneren door het dorp. Het is echt zaterdagavond. Prachtige vrouwen in fraaie kleding en strak in het vel. Met een trotse bijna onaanraakbare houding. Zelf mag ik niet te dicht bij komen. Bij die vrouwen. Nee, bij het water.Ik ben echter ook niet van plan een nat pak te halen en duik daarom even later maar onder de lakens.

2 juli 2008

Het westen
Vrijdag 23 mei 2008
We ontbijten vandaag vroeg. Te vroeg vindt Tineke. Maar we hebben een vermoeiende reis voor de boeg. Naar het westen van het eiland, naar het Drakei. Verder gaat de geasfalteerde weg niet.
Van de Nederlandse toeristen in Marin vertrekken er vandaag drie. Efie heeft een hulp om de kamers schoon te maken, zodat zij zich met de verdere gang van zaken kan bemoeien. Ik doe nog even een laatste was en vouw mijn witte T-shirts op. Tineke doet haar donkere was aan het eind van de dag.
De route is voor een groot deel bekend terrein. Zeker tot Pirgos. Voor de afslag naar het bergdorpje Platános, verlaten we de hoofdweg en rijden richting kust naar Kouméika.
Voor ons rijdt een toerist hortend en stotend en achter zit een bus waar Tineke de kriebels van krijgt. In goed Nederlands noemen ze zoiets bumperkleven. De buschauffeur blijft ons Moppie echter hinderlijk volgen. Kan er zeker niet tegen dat wij geen excursie met hem willen maken. Tot overmaat van ramp slaat onze voorganger ook al – op het laatste moment –af, zodat de volgorde op de smaller wordende weg hetzelfde blijft. Tineke overweegt om een niet bestaand zijweggetje in te slaan. Ik opper om nog even geduldig door te rijden, want over anderhalve kilometer kunnen wij het onbeduidende Kouméika inrijden en ik geloof er niets van dat de auto en de bus dat ook van plan zijn. Het is een gouden greep want in klap zijn we van alle ellende verlost en rijden een rustig dorpje in.Voorbij de platia zetten we de auto op een parkeerplaats, waar met enig bravoure voor ons nog een plaatsje vrij is. We maken een wandeling door de smalle straatjes van het dorp. Zoals in de zomer wel vaker gebeurt heeft ook hier een automobilist een praktische parkeeroplossing gevonden. De geul die in de winter en in regentijden dienst doet als afwateringskanaal wordt in deze droge tijd gebruikt om de auto voor de deur te stallen.
Op de platia staan maar liefst twee monumenten ter nagedachtenis van de Tweede Wereldoorlog.Verder zijn er enkele horecagelegenheden, waaronder een snackbar waar een groepje handwerkslieden zit. We kiezen voor het kafenion van Maria Sofianó, een vriendelijke stokoude dame die behendig gebruik maakt van een kruk en in haar andere hand een blad met twee frappé en twee glazen water draagt. Wie denkt dat men hier goedkoop uit is, komt bedrogen uit. Zij hanteert gangbare prijzen, twee euro per glas.Dat betaal je eigenlijk overal, afspraken laat Neelie het maar niet horen, want anders stuurt zij haar onderzoekers er nog op af. Het toilet van het kafenion zit overigens aan de buitenkant. De ijzeren deur klemt en kan niet op slot. De kier is duidelijk vrouwonvriendelijk.Maar goed we kunnen hier niet te lang blijven stilstaan, want er is nog een flinke ruk westwaarts te maken, langs Órmos Marathokámpou en het langgerekte Votsalákia, dat in de volksmond simpelweg Kámbos wordt genoemd. Stuur hier alle toeristen weg en je houdt een spookdorp over.Net voorbij dit dorp gaat een afslag naar de Agiou Gerogiou en een grot in het Kérkisgebergte, die ook al als schuilplaats, woonstede van Pythagoras wordt genoemd. Het is een zware klim, zo’n 4,5 kilometer van de kust en met onze auto zeer zeker niet te doen.
Het Kérkisgebergte heeft meerdere toppen die boven de duizend meter uitkomen.Wij klimmen heel langzaam, eigenlijk vanaf het moment dat we bij Órmos Psili Ámmos, landinwaarts gaan. Órmos Psili Ámmos? Inderdaad! Maar dat is toch ons zwemstrand? Nee, er zijn twee baaien, stranden met die naam. Alle twee aan de zuidkant. Een in het westen en een in het oosten, vlakbij de Turkse kust.
De weg slingert zich eerst nog een stukje westwaarts en gaat dan langzaam maar zeker naar het noorden. Rechts liggen de flanken van het gebergte en links? Daar kijkt Tineke liever niet naar. Zij heeft alleen oog voor het asfalt en niet voor de gehuchten Paleochóri en Pláka, die onder haar liggen.Tineke zweet peentjes. ‘Is het nog ver?’ De afstanden staan niet aangegeven. Iedere kilometer die we omhoog gaan, moet ook weer naar beneden worden gereden. Bij Kalithéa wordt een knoop doorgehakt. Stoppen, of beter gezegd keren en terugrijden. En dat gaat altijd sneller dan bergopwaarts. En minder gestresst. Desondanks slaat ze een zucht van verlichting als we de afslag naar Órmos Limiónas bereiken.
Aan de kust, naast de taveerne Balkoni sto Aeyian, wordt de huurauto neergezet. Op een bouwterrein, naast een pick-up. Voorbeeld doet volgen. En zo denkt ook een ander Nederlands koppel, die hun auto weer naast die van ons zet. Terwijl we oneindig lang wachten op onze bestelling gekruide worstjes, komt een man het terras op. Hij spreekt de eigenaar van de taveerne aan, kijkt rond en verdwijnt weer. Er begint bij mij al iets te dagen in het zuidwesten.Terwijl eindelijk ons eten wordt geserveerd, komt er een grote vrachtauto aan met bouwmaterialen en weer komt de man het terras op. Een stuk zenuwachtiger ditmaal. Hij is op zoek naar de bestuurders van de auto’s die op het lege bouwterrein staan. Tineke zit met haar rug naar dit tafereel toe en ik maar haar opmerkzaam op de speurende Griek. Bereidwillig zet zij haar auto weg, wijst en passant ook nog even het andere koppel aan, dat op het strand ligt. De Griek bedankt haar voor de hulp, mompelt nog even dat het geen parkeerplaats is. Met een uitschuifbare kraan worden de bouwmaterialen van de wagen naar boven getild. Zo, de bouwvakkers kunnen ook weer hun gang gaan.
Wij gaan nog even naar het strand. Aan deze kant staan strandstoelen en dat is niet mijn ding. Het Connexxionstrandlaken dat over een van de strandstoelen ligt bederft bij mij het restje strandplezier.Aan de andere kant van het strand heeft de schooljeugd bezit genomen van paralia en daar is het zo druk, dat is ook geen optie. Órmos Psili Ámmos en Órmos Chrissi Ámmos zijn iets rustiger, maar daar zijn we snel voorbij. Ik vind het eigenlijk ook wel prima zo. Ik kijk liever naar een hoop oude stenen, dan vanaf het strand naar de rimpelingen van het water. Een boek lezen dan? Krijg ik pijn van in mijn ogen. Is de zonnebrik opzetten een optie? Nee, want daar zit geen leesgedeelte in.
Oké, terug langs Kámps, Órmos Marathokámpou en Marathókamps naar de hoofdweg, die van Pythagório naar Karlóvassi gaat. Daar zijn we snel en zonder in de straatjes verstrikt te raken zijn we door dit drukke studentenplaatsje. Het is bovendien een stuk sneller dan via Pythagório rijden. Ik probeer de route te onthouden, voor het geval dat we besluiten nog een keer naar de zuidwesthoek te gaan, bijvoorbeeld voor een bezoekje aan de Fournigroep, de eilanden die ten zuidwesten, tussen Ikaria, Patmos en Samos liggen.
’s Avonds is er opnieuw geen plaats bij Bira, maar wel bij Kreta, waar we zelfs aan hetzelfde tafeltje als tijdens ons eerste bezoek kunnen aanschuiven. Tineke kiest voor een mezé met allerlei kleine stukjes vlees, terwijl ik de pastitio probeer. Na afloop van de drukke avond geen afzakkertje meer. We gaan terug naar Marin, waar ik meteen tussen de lakens duik. Ik merk niet dat Tineke, die buiten nog even heeft gelezen, naar bed gaat.

1 juli 2008

Wandelen
Donderdag 22 mei 2008
Er staat voor vandaag een wandeling op het programma. Met die gedachte sta ik op. Maar eerst naar de bakker en ontbijten. De melk gaat op en er moeten vleeswaren komen. ’t Is net alsof ik thuis ben, jaag Tineke op en doe zelf rustig aan. De wandeling gaat naar Vourliótes. Van die route hebben we al een stukje gelopen, afgelopen zondag toen we richting een bron zijn gegaan en bij het kerkje van Johannes de Doper terug zijn gegaan. Binnen vijf minuten zijn we de weg kwijt. Dat is een goed begin. De weg kwijt? Dan al?
Ja, want de afslag is verplaatst!
Hoe kan dat nou?
Gewoon, er liepen mensen voor ons en die gingen rechtdoor en trokken de afslag aan een touwtje, zodat wij (al pratend) de verdwijnende weg naar links niet meer zagen. We komen dus verkeerd uit. Lopen langs de rondweg (terug) op zoek naar de weg omhoog. Draaien weer om, want dat is niet goed en dan ineens. Beng! Daar is-ie dan, bij het begin van het dorp waar we al hebben gelopen ligt nu ineens de weg omhoog naar Moni Vrontá en Vourliótes. Dat belooft niet veel goeds voor de rest van onze wandeling. We zijn uurtje verder, hebben een kilometer of wat afgelegd en zijn eigenlijk nog niet begonnen. Beter gezegd, we stoppen er al na een uur mee.
Dan maar naar Pythagório.Daar zijn we ook nog niet klaar. We willen immers nog een keer naar het klooster, dat we bij ons bezoek aan de tunnel al een keer hebben zien liggen. Het is eigenlijk wel een beetje gek. Het speciale kloostergidsje Monastiria tís Samoy schrijft er niet over. Voor de Grieken, het boekwerkje is in het Grieks geschreven, telt dit klooster kennelijk niet. En alleen die gekke toeristen, vooral Duitsers en Nederlanders, brengen er een bezoek.
Maar eerst maar eens door Pythagório zien te komen. Het verkeer zit weer eens muurvast en Tineke heeft haar zinnen op een wandeling gezet en wil dus niet met de auto omhoog naar het klooster, iets wat wel kan. Een verkeerd geparkeerde auto houdt echter het verkeer op, zorgt ervoor dat vrachtauto’s en bussen, midden in het dorp, de haakse bocht of voor mij part de hoek om, niet of nauwelijks kunnen nemen. Een agent is het zat. Zijn snerpende fluitje klinkt. En dan kun je maar beter maken dat je weg bent, of in dit geval zorgen dat je auto heel snel wordt verplaatst, want als oom agent – een opgewonden jonkie – boos wordt, berg je dan maar. We zijn er met de auto voorbij gekomen en slippen vervolgens er in tegengestelde richting lopend weer langs. Opgewonden Grieken toeteren om de politie een handje te helpen, of toch gewoon ongeduldig omdat ze niet weten wat er om de hoek aan de hand is en graag door willen. Naar…?
Ik vermaak me hier wel mee, anderzijds ben ik ook blij dat ik niet langer in de nog steeds aangroeiende rij wachtende auto’s sta. We lopen langs de middelbare school en klimmen omhoog richting Moni Panaghia tis Spilianis.De een zegt dat dit klooster op de berg Ampelos ligt, een ander rept over de berg Spillani. Zelf houd ik het maar op het laatste, een gulden (euro) weg, en denk dat Spillani onderdeel uitmaakt van het Ampelosgebergte. Het klooster ziet er onorthodox en bijzonder nieuw uit, goed onderhouden ook en dankt zijn bekendheid vooral aan de grot, die er achter ligt. Overigens ook in het Kerkisgebergte bevindt zich een grot met een kerkje, kapelletje: de Panaghia Makrini. Nee, die hebben we niet gezien. Ik heb hoogtevrees en die grot ligt op zon’n achthonderd meter hoogte.
Het klooster Panaghia tis Spillianis heeft een tweelingkerk gewijd aan de Panaghia en aan Georgios. Het geheel wordt beheerd door een moderne monnik, die behalve allerlei prullaria in zijn winkeltje ook een koelkast met water (nee geen gewijd water) en frisdrank heeft staan. Maar zoals al geschreven, het gaat om de grot.Er zijn diverse verhalen in omloop over de grot. In de grot zijn scherven gevonden van potten en waterkruiken uit de vijfde eeuw voor Christus. Een van de verhalen vertelt dat dit de schuilplaats was van de in onmin geraakte Pythagoras. Een ander verhaal rept over de woonstede van de sibylle Fyto, een tovenares uit de oudheid.
Via een trap komt met de grot binnen, links staan drie met de hand vervaardigde vaten die het water opvangen dat uit de muren sijpelt. Een gladde weg voert langzaam verder naar bekende naar het kerkje.Schuifelen deels langs een leuning en oppassen dat je niet uitglijdt op de natte vloer. Het kerkje achterin de grot is een bedevaartsoord geworden. Naast de kapel sijpelt water uit de muur dat in een klein bekken wordt opgevangen. Aan dit water worden geneeskrachtig toegeschreven. Oorzaak?De vele muntjes die in het bekken liggen?
In de rechtermuur bevindt zich een ingemetselde icoon, die de Ontvangenis van de Theotokos voorstelt. De icoon is gebroken en door het vocht en de loop der jaren verkleurd. Over die breuk gaat een interessant verhaal. Vreemdelingen waren stilletjes met hun kaiki naar Samos gevaren om de icoon mee naar huis te nemen. De heilige maagd wilde niet van Samos weg en toen de mannen de icoon uit hun bootje haalden viel de icoon in zee en brak in vijf stukken. Die stukken dreven terug naar het eiland en stranden op het strand, waar bewoners ze vonden en terugbrachten naar de kapel. De icoon wordt daarom ook wel Panaghia Kaliarmenissa, omdat zij drijvend als een boot terugkeerde naar huis.Wij verlaten de grot, die heerlijk koel aanvoelt. Buiten is het meteen klam. Buiten zitten mijn handen onder de kleine groene schilvers. De wraak van de Griekse goden op de Orthodoxe Griekse kerk, die deze grot heeft toegeëigend.We wandelen op ons gemak naar beneden. Niet langs de gebaande weg, maar over een pad. Er staan hier volop wilde bloemen en kruiden. We komen over het terrein van een krot, dat de naam woning niet mag dragen. Toch wonen er mensen. Een jonge hond zit vastgebonden aan zijn hok. Niet diervriendelijk. Overal poezen, toch diervriendelijk. Kippen en hanen scharrelen vrij rond over het erf. Onder een afdakje hangen talloze plastic tassen en zakjes.Het waarom ontgaat me volledig. Maar ook de pels van een dier. We belandden op de weg die van Pythagório richting Chóra gaat. Tegenover de lagere school staat een statig huis met een prachtig smeedijzeren hekken op de balkons.In deze omgeving zijn diverse oudheidkundige vindplaatsen. De meeste vervallen, er wordt niets aan gedaan omdat ze niet belangrijk genoeg zijn. Vaak ook te klein en de belangrijkste stukken zijn al naar de diverse musea gebracht of misschien wel in particuliere collecties terechtgekomen. De plaats Thermi is een uitzondering op het geheel.Wel groot genoeg, maar als de eilandbestuurders en de regiobestuurders niet oppassen, dan gebeurt met deze plaats precies hetzelfde als met de tempel van Aphrodite, om maar eens een overwoekerde plaats te noemen.Ik wandel op mijn gemak door het terrein van dit voormalige Romeinse badinrichting, terwijl Tineke gaat zitten lezen en wacht tot ik klaar ben met mijn rondwandeling en mijn fototoestel opberg.We wandelen op ons gemakt terug naar het dorp aan de haven. Nu wordt er wel gewerkt aan de toegangsweg tot die haven. En het gaat ook razendsnel, ondanks dat diverse stratenmakers wel een heel lange pauze nemen. Zowel op de heen- als de terugweg zitten zij langs de kant van de weg. Het gedeelte dat klaar is ziet er prachtig uit.
Bij de haven gaan we rechtsaf en daar zijn diverse aanbieders van boottochtjes, ook naar Samiopoúla. Minpuntje voor onze hostess van Sunweb/Marysol, die geen antwoord gaf of er excursies naar andere eilandjes waren en niet verder kwam dan, ,,ze zitten niet in ons pakket.’’ Wees ze groot en zeg waar ze wel zijn. Voor ons is het nu te laat. Het kan misschien nog net, maar… Goed niet jammeren en blijven genieten. Van de arbeiders die bezig zijn om een vissersboot op te knappen. Goed overleg is het halve werk. Op de punt van de kade ligt een marinevaartuig.
We belanden voor onze lunch voor de tweede keer bij Pythagoras. De eigenaar weet precies hoe hij klanten moet trekken. Zijn terras zit vol. De buurman zit, enigszins verloren, te wachten op die vermaledijde toeristen, terwijl hij toch echt niet veel anders aanbiedt. Ons middageten bestaat uit een Griekse sandwich en een clubsandwich (inclusief patat).

Zo aan het eind van de vakantie wordt er meer tijd ingeruimd voor het strand. Ditmaal kiezen we voor Órmos Kervelis. Aan de oostkust van het eiland en te bereiken via het inmiddels bekende Palókastro. Het is klein en gemoedelijk, met kiezels en dat is een minpuntje.Natuurlijk een ligbed huren kan altijd, maar die laten we langs de kant van de weg staan. Te veel gedoe, te veel gesleep. Het strand loopt aanvankelijk snel af, maar vervolgens blijft het lang ongeveer 1,50 diep, zodat ik er nog gemakkelijk kan staan en niet alleen van mijn grote drijfvermogen afhankelijk ben. Het water is (net zoals in het noorden) steenkoud en mijn lichaam heeft moeite om aan de temperatuur te wennen. Ik blijf daarom ook niet zolang in het water. Omdat de bodem er niet echt betrouwbaar uitziet (veel stekels) zwem ik zover mogelijk terug naar de kant en zak dan tot mijn enkels weg in het fijne grind.De pittoreske baai geeft beschutting aan een zeiljacht. Verder liggen er enkele vissersbootjes en steek een steiger ver het water in.Aan de kust liggen enkele taveernes en verder zijn er enkele appartementen te huur voor de toerist die van rust houdt. Er komen weliswaar toeristen naar deze plek, maar echt druk is het niet. Ik laat dit beeld op me inwerken, terwijl een boom voor de broodnodige schaduw zorgt.
Het wordt tijd om op te stappen. We hebben met Frans en Joke afgesproken samen te eten bij Nireas, dat boven het kleine strand ligt.Zij hebben een tafel gereserveerd aan de rand van het terras, dat uitziet over het water.Je hebt hier een prachtig uitzicht op Kokkáari. In de verte schitteren de lichtjes van dorpjes en woningen op het Turkse vaste land. De schotel met diverse hapjes is smakelijk, evenals mijn pepersteak. Tineke vindt haar maaltijd iets minder.We praten veel en nemen in het centrum nog een afzakkertje. Het wordt niet laat, zij gaan morgen weer terug naar Nederland. Wij blijven nog een paar dagen.