Nasi
Maandag 1 juni 2009
Wat moet je nu nog zeggen over zo’n laatste dag? Wat moet je daar nu nog over schrijven? De vakantie zit erop. Die drie weken zijn gewoon sneller gegaan dan gedacht. Toch is het prima dat we weer naar huis gaan. Even geen Grieks eten meer. Ik maak ook geen ontbijt voor Tineke. Daar heeft zij echt geen zin in. Met een vliegreis voor de boeg, krijgt zij geen hap door haar keel.
Nog even een verfrissende douche. Laatjes nakijken.
Opletten dat alles wat we mee willen nemen, ook daadwerkelijk in onze tassen verdwijnt. En de rest weggooien of gewoon laten staan. Zoals de overgebleven flessen water. We nemen nog wel wat fris mee voor onderweg. Voor op het vliegveld.
De tassen worden door een bestelbusje opgehaald bij Várdia. Daar staan de koffers al van de andere twee Nederlandse koppels, als ik ze achterlaat. Nadat wij afscheid hebben genomen van Fotini wandelen zij voor ons uit naar beneden. Nog een keer de trap nemen. Het toegangshek is een paar dagen geleden geschilderd. Zwart. Is droog. En kan weer dicht. Afsluiten. Een hoofdstuk afsluiten. Een vakantie afsluiten. Maar hoe doe je dat?
Als wij beneden aankomen, dan staan onze tassen en de koffers van de anderen al bij het plein.
Dat gaat snel. Ankie en Johan zitten op een bankje, we zwaaien en lopen naar hen toe. Vertrouwde gezichten. De terugreis is begonnen. Ook al zitten we nog niet eens in de bus. Daar hoeven we niet lang op te wachten. Nee geen bus niet met Giorgos aan het stuur. Die doet de excursies. Ook niet met Terrry als bijrijder. Op die plek zit Marjolein, onze hostess. De hostess van Ross.
Het is akelig stil in de bus. Iedereen is met zijn of haar eigen gedachten bezig. Geen uitleg meer over de omgeving. Dat is ook niet nodig. Wel als we in Kalamáta zijn een korte uitleg over hoe het eraan toegaat op het vliegveld. Het is een militair vliegveld.
Dus niet fotograferen. Eigenlijk een overbodige mededeling. Alhoewel er zijn wel eens mensen hun fotorolletje op de laatste dag kwijtgeraakt, omdat zij zich daar niet aan hielden. Hoe gaat dat met digitale camera’s. Worden dan alle foto’s gewist? Moet het kaartje worden ingeleverd? Nee, ik heb geen zin om het uit te proberen.
Ondanks dat Kalamáta een redelijk groot militair vliegveld is, waarop diverse burgerluchtvaartmaatschappijen vliegen, verloopt alles vrij soepel. Het scannen van de bagage neemt niet echt veel tijd in beslag. En we zijn ook redelijk snel klaar met inchecken. Zitten net achter de vleugels. En Tineke bij het raam. Dat is gelukt.
We hebben zelfs nog even tijd voor wat frisse lucht.
Samen met de Friezen uit Appelscha. En dan toch eindelijk maar eens door de douane, naar de vertrekhal. Het vliegtuig van Transavia is weer stipt op tijd. Op internet klagen veel mensen over de vertragingen van deze maatschappij, maar wij hebben daar eigenlijk niet of nauwelijks iets van gemerkt. De mensen die van Kýthira zijn gekomen, zitten al aan boord. De bemanning begint met haar werk.
Het duurt heel even voor we mogen opstijgen. Wachten op een aantal instructievliegtuigjes van de Griekse luchtmacht. Van die kleine zoemers die achter elkaar de landingsbaan opkomen. De baan waarop wij omhoog gaan. De baan waarmee wij afscheid nemen van de Pelopónnesos.
Onderweg blaast de wind in het staartstuk. De piloot legt uit dat hij aan de daarbij horende turbulentie wil ontsnappen door iets hoger te klimmen. Het stelt Tineke gerust. Haar valeriaanpil helpt trouwens toch goed. Ik heb geen pil nodig om te dutten, kijk met een half oog naar de film.
En ik voel dat de daling wordt ingezet, al ver voor de piloot dat meldt. Ja, we komen weer via Enschede Nederland binnen. En dan is het via Flevoland naar Schiphol. Doordat we aan de rechterzijde van het vliegtuig zitten kunnen we van Almere niet veel zien. Ja de Oostvaarders- en de Lepelaarsplassen. Maar onze stad herbergt nog zoveel meer schoons.
Dat zien we straks wel weer. Eerst landen. Om ongeveer tien voor drie. Vlucht HV 738 zit erop. Lekker op tijd. Zelfs iets eerder dan verwacht. En we blijven verschoond van lang taxiën. Dat is ook mooi meegenomen. De Boeing wordt geparkeerd bij Gate C10. Nog een meevaller. Want dat betekent geen lange wandeling. En ook onze bagage hoeft niet zo’n grote afstand af te leggen. Ligt razendsnel op de band. Afscheid nemen van Johan en Ankie. Adressen zijn al uitgewisseld. En omdat Tineke al een treinkaartje heeft gekocht lopen we daar ook geen oponthoud mee op. Hup naar de trein, die al na een paar minuten aan komt rijden. Wat zijn we een mazzelkonten.
Tweede Pinksterdag. Het is rustig. In de trein. Op de weg. Eigenlijk overal. Om tien voor drie op Schiphol en om half vijf thuis. Raema heeft ons, zoals ook de laatste paar jaar, opgehaald bij het station in Buiten. Naomi zit thuis te wachten. Met Gianny en een pan nasi. Die pan moet even wachten. Eerst even de shirts voor Gianny uitpakken. Daarna tassen naar boven brengen en bijpraten, eten en vervolgens doe ik de eerste was. Zo de vakantie zit er nu echt op.
Maandag 1 juni 2009
Wat moet je nu nog zeggen over zo’n laatste dag? Wat moet je daar nu nog over schrijven? De vakantie zit erop. Die drie weken zijn gewoon sneller gegaan dan gedacht. Toch is het prima dat we weer naar huis gaan. Even geen Grieks eten meer. Ik maak ook geen ontbijt voor Tineke. Daar heeft zij echt geen zin in. Met een vliegreis voor de boeg, krijgt zij geen hap door haar keel.
Nog even een verfrissende douche. Laatjes nakijken.
Opletten dat alles wat we mee willen nemen, ook daadwerkelijk in onze tassen verdwijnt. En de rest weggooien of gewoon laten staan. Zoals de overgebleven flessen water. We nemen nog wel wat fris mee voor onderweg. Voor op het vliegveld.De tassen worden door een bestelbusje opgehaald bij Várdia. Daar staan de koffers al van de andere twee Nederlandse koppels, als ik ze achterlaat. Nadat wij afscheid hebben genomen van Fotini wandelen zij voor ons uit naar beneden. Nog een keer de trap nemen. Het toegangshek is een paar dagen geleden geschilderd. Zwart. Is droog. En kan weer dicht. Afsluiten. Een hoofdstuk afsluiten. Een vakantie afsluiten. Maar hoe doe je dat?
Als wij beneden aankomen, dan staan onze tassen en de koffers van de anderen al bij het plein.
Dat gaat snel. Ankie en Johan zitten op een bankje, we zwaaien en lopen naar hen toe. Vertrouwde gezichten. De terugreis is begonnen. Ook al zitten we nog niet eens in de bus. Daar hoeven we niet lang op te wachten. Nee geen bus niet met Giorgos aan het stuur. Die doet de excursies. Ook niet met Terrry als bijrijder. Op die plek zit Marjolein, onze hostess. De hostess van Ross.Het is akelig stil in de bus. Iedereen is met zijn of haar eigen gedachten bezig. Geen uitleg meer over de omgeving. Dat is ook niet nodig. Wel als we in Kalamáta zijn een korte uitleg over hoe het eraan toegaat op het vliegveld. Het is een militair vliegveld.
Dus niet fotograferen. Eigenlijk een overbodige mededeling. Alhoewel er zijn wel eens mensen hun fotorolletje op de laatste dag kwijtgeraakt, omdat zij zich daar niet aan hielden. Hoe gaat dat met digitale camera’s. Worden dan alle foto’s gewist? Moet het kaartje worden ingeleverd? Nee, ik heb geen zin om het uit te proberen.Ondanks dat Kalamáta een redelijk groot militair vliegveld is, waarop diverse burgerluchtvaartmaatschappijen vliegen, verloopt alles vrij soepel. Het scannen van de bagage neemt niet echt veel tijd in beslag. En we zijn ook redelijk snel klaar met inchecken. Zitten net achter de vleugels. En Tineke bij het raam. Dat is gelukt.
We hebben zelfs nog even tijd voor wat frisse lucht.
Samen met de Friezen uit Appelscha. En dan toch eindelijk maar eens door de douane, naar de vertrekhal. Het vliegtuig van Transavia is weer stipt op tijd. Op internet klagen veel mensen over de vertragingen van deze maatschappij, maar wij hebben daar eigenlijk niet of nauwelijks iets van gemerkt. De mensen die van Kýthira zijn gekomen, zitten al aan boord. De bemanning begint met haar werk.Het duurt heel even voor we mogen opstijgen. Wachten op een aantal instructievliegtuigjes van de Griekse luchtmacht. Van die kleine zoemers die achter elkaar de landingsbaan opkomen. De baan waarop wij omhoog gaan. De baan waarmee wij afscheid nemen van de Pelopónnesos.
Onderweg blaast de wind in het staartstuk. De piloot legt uit dat hij aan de daarbij horende turbulentie wil ontsnappen door iets hoger te klimmen. Het stelt Tineke gerust. Haar valeriaanpil helpt trouwens toch goed. Ik heb geen pil nodig om te dutten, kijk met een half oog naar de film.
En ik voel dat de daling wordt ingezet, al ver voor de piloot dat meldt. Ja, we komen weer via Enschede Nederland binnen. En dan is het via Flevoland naar Schiphol. Doordat we aan de rechterzijde van het vliegtuig zitten kunnen we van Almere niet veel zien. Ja de Oostvaarders- en de Lepelaarsplassen. Maar onze stad herbergt nog zoveel meer schoons.Dat zien we straks wel weer. Eerst landen. Om ongeveer tien voor drie. Vlucht HV 738 zit erop. Lekker op tijd. Zelfs iets eerder dan verwacht. En we blijven verschoond van lang taxiën. Dat is ook mooi meegenomen. De Boeing wordt geparkeerd bij Gate C10. Nog een meevaller. Want dat betekent geen lange wandeling. En ook onze bagage hoeft niet zo’n grote afstand af te leggen. Ligt razendsnel op de band. Afscheid nemen van Johan en Ankie. Adressen zijn al uitgewisseld. En omdat Tineke al een treinkaartje heeft gekocht lopen we daar ook geen oponthoud mee op. Hup naar de trein, die al na een paar minuten aan komt rijden. Wat zijn we een mazzelkonten.
Tweede Pinksterdag. Het is rustig. In de trein. Op de weg. Eigenlijk overal. Om tien voor drie op Schiphol en om half vijf thuis. Raema heeft ons, zoals ook de laatste paar jaar, opgehaald bij het station in Buiten. Naomi zit thuis te wachten. Met Gianny en een pan nasi. Die pan moet even wachten. Eerst even de shirts voor Gianny uitpakken. Daarna tassen naar boven brengen en bijpraten, eten en vervolgens doe ik de eerste was. Zo de vakantie zit er nu echt op.
Alleen die beweging is al voldoende om in de starthouding te springen. Ik denk terug aan de Spelen. De Spelen van toen. Hebben ze ook een wedstrijd eitjes koken gehouden. Daarmee had ik zeker niet gewonnen. Ze moeten niet helemaal zacht zijn. Maar zeker ook niet te hard. Zo’n halfzacht eitje. Ken je dat? Nou mij lukt het weer niet. Ja, het eigeel druppelt al wel iets. Ze zijn al een stuk beter. Maar net nog niet helemaal af. Tien tellen te lang. Nog even oefenen hier. Dat zit er niet in.
Morgen weer naar huis.
De zonen van Zeus, Castor en Pollux zijn geboren uit Leda. Om haar te verleiden nam Zeus de gedaante van een zwaan aan. Diezelfde nacht vrijde Leda met haar man Tyndareus, de koning van Sparta. Een vruchtbare vrijpartij waaruit twee tweelingen worden geboren. Polydeuces (Pollux) en Helena, die als kinderen van Zeus worden beschouwd en Castor en Clytamnaestra, de koningskinderen.
Voor ik achter die geschiedenis ben, is er al weer menig uurtje verstreken. Ik ga naar beneden. Nee, niet naar de tombe, waarvan niemand in Kardamíli weet wie daar nu echt gelegen hebben. Nee, ik kom zelfs de berg niet af, die middag. Maar ik heb nog een oude rekening te vereffenen. Met Marianna. Gewoon wat drankjes betalen. En voor de mislukte internetpoging. Daar heeft zij nu problemen mee. Met de serververbinding. We babbelen nog even, voor ik weer terugkeer naar onze kamer. Naar Tineke. Met twee ijsjes. Van een redelijk formaat. Niet te groot, want dan vindt Tineke er niets meer aan.
Een van de drie witte katten ligt lui, opgekruld onder een boom in de schaduw. Ja zo recht onder de zon is het eigenlijk ook veel te heet. De zwaluwen hebben hun roddeluurtje. Op elektriciteitskabels. Ze lachen wat af. Vallen zelfs van hun touwtje van het lachen en scheren daarna weer terug. Voor het volgende verhaal. Om je te bescheuren.
Het kan natuurlijk ook, dat die beestjes voorspellende gaven hebben. Maar goed eerst nog wat eten. Zoals gezegd de laatste maaltijd in Kardamíli. De laatste maaltijd ook in Evtychia. Voor mij maar weer soutzoukakia, dat is me de vorige keer prima bevallen. Tineke neemt een portie gamba’s en geen patat. En geen ijs in de ouzo. Nee, alles gaat prima. In The secret garden.
En dan gaan we terug. Nog een keer omhoog. Tegen de trap op. Flink stampen, zodat de slangen weten dat wij eraan komen. Zodat de slangen zich uit de voeten kunnen maken. Eenmaal boven ben ik niet helemaal tevreden met het inpakken. Terwijl Tineke geniet van de avondlucht boven Kardamíli, wil ik de honing liever aan de kant van de wieltjes van de tas hebben. Voorzichtig pak ik mijn jas uit de tas. Maar niet voorzichtig genoeg. Het pakketje rolt eruit. En pats. Die is stuk. De eerste tuimeling – op de dag van aanschaf - heeft de pot honing overleefd. Maar het heeft een tik gehad. En nu? Slechts drie decimeter was de val. In scherven. Gelukkig geen weggelopen honing door mijn tas. Geen honing in mijn jas. Alles blijft netjes in de plastic zakken. Ik vraag me af, wat zou er zijn gebeurd als de bagageverwerkers op het vliegveld met mijn tas hadden gesmeten. Was de pot dan ook in scherven gegaan? En had het plastic het dan overleefd? Misschien maar beter zo. Geen speciale honing mee naar huis. De scherven deponeer ik in de afvalbak. En duik zelf vervolgens onder.
Toch hebben we twee versnellingen lager geschakeld. Na de drukte van Athene is dit een welkome afwisseling. Ook na het ontbijt doen we het bolletjes aan.
Tineke heeft het antwoord: een krant kopen. Lezen op een terrasje. Nieuws opslorpen uit Nederland. Nieuws tot ons nemen uit de rest van de wereld. Ja, oud nieuws. Maar dat is nieuws sowieso. Nieuws is verleden tijd. En verleden tijd hebben we de afgelopen dagen al genoeg gezien.
Toch maakt Tineke geen haast om snel naar het dorp te gaan. We vertrekken pas na twaalven. Nadat Tatyana onze kamer heeft opgeruimd en het bed heeft verschoond. Want dat gebeurt hier zo’n vier keer per week, verschonen. Iedere dag wordt het bed bovendien opgemaakt. Zelfs als we dat zelf al zo goed en zo kwaad als we kunnen hebben gedaan. Het kan altijd beter. Verder even snel de badkamer een lap en een dweil over de vloer. Nee, niet door ons, maar door de Roemeense hulp. Het hoort allemaal bij de service in Várdia.
Boven de grotten bij Várdia wordt het gras gemaaid. Het onkruid gemaaid. En dat gaat met van die handmaaiers, die zoveel lawaai produceren.
Bloemen en Kardamíli horen bij elkaar. De mensen doen hier hun uiterste best om kleur aan hun bestaan te geven.
Bij café Tikla, aan de kust. Met uitzicht op het eiland Meropi.
Voor we terugwandelen naar Várdia wil Tineke eerst nog een lunch. Die gebruiken we bij het café waar we gisteravond met Johan en Ankie hebben gezeten. Een tosti met ham en kaas voor Tineke en een baguette met onder andere mozzarella voor mij. We spoelen dat weg met verse sinaasappelsap en citroenlimonade.
’s Avonds keren we weer terug naar de kust. Naar Charílaos. Daar hebben we om half negen afgesproken met Ankie en Johan. Het wordt een gezellige avond. We praten veel, luisteren veel en wensen elkaar een rustige zondag. Voor zij naar hun appartement vertrekken. En wij over de weg naar wachtpost Várdia lopen.
En wij moeten om acht uur klaar staan voor een gezamenlijk programma in Athene. Voor we weer terug rijden naar de Máni. Maar eerst dus het ontbijt. Dun sap, slappe koffie, hard brood, koud kruimelei, een croissantje. Nee geen medelijden svp.
De meisjes van het naaiatelier zijn al weer aan de slag. Een portier sjouwt zich bijna een breuk met de koffers, die door Japanners in het bijgebouw zijn achtergelaten. Sommige koffers zijn bijna net zo groot als de eigenaar. Nou onze tas draag ik zelf wel. Tussen twee strak geparkeerde auto’s door.
Ik heb het al een keer geschreven. Athene is de hoofdstad van Griekenland. Maar dat is niet altijd zo geweest. De eerste hoofdstad van het onafhankelijke Griekenland is Nafplio, op de Pelopónnesos. Nadat de eerste president Kapodistria door twee Mániotische broers is vermoord, wordt Otto von Wittelsbach tot koning gekroond. En hij brengt de zetel over naar Athene dat vervolgens uitgroeit tot de met voorsprong belangrijkste stad van het land. Tot een metropool. Tot een stad met tegenwoordig ongeveer vier miljoen Griekse inwoners. En tel daar dan nog ongeveer een miljoen (illegale)immigranten bij op.
Voor de naam van de stad moet ik ver terug in de oudheid. Zover dat er zelfs geen jaartal aan hangt. Terug naar de tijd van de Goden. Poseidon en Athene hebben hun oog op de plaats laten vallen. De bewoners mogen kiezen. Ze geven ieder een geschenk aan de plaats. Poseidon schenkt het dorp water en Athene geeft een olijfboom. Koning Cecrops van Attica roept de bewoners op om te gaan stemmen. Alle mannen kiezen voor het water. Alle vrouwen voor de olijfboom. In het dorp woont een vrouw meer dan er mannen zijn, zodat Athene wint. Poseidon kan niet goed tegen zijn verlies en zet heel Attica onder water. Om Poseidon mild te stemmen wordt besloten om de vrouwen voortaan het stemrecht te ontnemen. Het duurt eeuwen en eeuwen voor zij dat terugkrijgen.
Het bewijs voor dit verhaal is opgeslagen bij het Erechtheion. Hier is een bron met brak water en de olijfboom, van Athene. Dat Erechtheion is overigens gebouwd ter ere van de slangenkoning, Cecrops. Op de akropolis.
Die ons overlaadt met gegevens over dit deel van Athene. Over de Goden. Over de mythologie, over bouwkunst en uiteraard over de bouw van diverse gebouwen op de akropolis. En het herstel ervan. Nee, niet alles wordt in de oude stijl teruggebracht. Dat is niet de bedoeling van deze werkzaamheden. Echt uitgebreid stilstaan bij alles kan niet. Want daarvoor is er hier gewoon te veel. Daarvoor moet je dagen uittrekken. Weken, wellicht maanden. En die tijd hebben we niet. We zijn er nu. En nu krijgen we heel veel te horen. Zo veel dat er veel weer met de zon verdwijnt. En die brandt boven op de akropolis. Vandaar dat ons bezoek ook vroeg begint. En we zijn niet de eersten.
Daar wordt de Aida van Verdi opgevoerd. Het decor wordt zorgvuldig afgebroken. In dit theater kunnen vijfduizend bezoekers terecht. Het is gebouwd tussen 160 en 174 na Christus. Dit Herodeion, dat door Herodes is laten bouwen ter nagedachtenis aan zijn vrouw Regilia, ligt niet op het platform zelf. Dat geldt ook voor het naastgelegen theater van Dionysos.
Beide liggen aan de zuidkant van de akropolis.
Het platform is alleen vanuit het westen bereikbaar. Door de Beulépoort. Vernoemd naar de Franse archeoloog die de ingang nauwgezet heeft bestudeerd. De Propylaea geldt voor velen echter als de eigenlijke toegang en vervangt op zijn beurt een ingang die omstreeks 490 voor Christus is gebouwd. Het ontwerp van het Propylaea was voor zijn tijd zeer revolutionair. Architect Mnesicles gaf het de vorm van een tempel.
De zuilen kregen een Dorische stijl, maar binnen zijn zes Ionische zuilen geplaatst. Het plafond is ingelegd met fraai versierwerk, maar daar krijgen wij niets van te zien. Bovendien is er in de loop der eeuwen veel verdwenen. Dit stukje bouwkunst is in 432 voor Christus opgeleverd. Men is er slechts zo’n vijf jaar mee bezig geweest.
Het Parthenon is het hoogste en absolute hoogtepunt van de akoropolis. Uitgangspunt was het met goud afgezette beeld van Athena Parthenon. De opdracht voor het maken van dit beeld werd gegeven aan de beroemde Pheidias, die de supervisie kreeg over alle bouwwerken op de akropolis. Het Parthenon werd gebouwd op de fundering van een eerder gebouw, dat door de Perzen was verwoest. Vijftien jaar is men er mee bezig geweest. Acht zuilen breed, vijftien zuilen lang. Voor de herbouw werd vooral gebruik gemaakt van het bestaande materiaal. Vanwege het gigantische beeld moest de tempel wel groter en breder worden. Van 23 naar 30 meter breed en van 67 naar 70 meter lang. De zuilen hellen heel licht naar binnen voor een grotere stabiliteit. De hoofdzuilen zijn dikker om het effect van het taps toelopen op te vangen. De beste kunstenaars van de stad hebben geholpen bij de talloze versieringen, afbeeldingen van de Goden en beelden uit het gewone leven, de geschiedenis.
Nadat wij aan de achterzijde van het Parthenon afscheid hebben genomen van de beëindigde rondleiding maken wij een kleine wandeling onder andere naar het al eerder vermelde Theater van Dionysos, de god van de wijn en eigenlijk ook beschermheer van de creatieve mensen. Dans en zang.
Het oude theater bestaat uit drie delen. De plek waar de dansers verschijnen, het podium voor de acteurs en de tribunes voor de toeschouwers.
Omdat we niet te laat willen komen, wandelen we naar het busstation, waar Giorgos ons zal oppikken. Hij mag daar zelf niet blijven staan met zijn bus. We hebben nog tijd voor de laatste aankopen, uiteraard een boekwerk en Tineke heeft ’s ochtends al een paar T-shirts gekocht. Precies op het afgesproken tijdstip komt Giorgos aanrijden.
We gaan nu op weg naar het Parlementsgebouw, voor de wisseling van de wacht. We zijn nog iets te vroeg om ons al naar de trappen te begeven en maken nog een blokje om, langs het oude Olympisch Stadion, dat al in 1896 is gebruikt en ook in 2004 nog een functie had.
We zijn ruimschoots op tijd terug. Terry geeft ons nog wat tips over wat de beste plaats is voor het nemen van foto’s. En wat we wel en niet mogen doen.
Naast de schildwachten staan voor een statieportret is toegestaan. Praten tegen de schildwachten ook, maar reken er niet op dat je een antwoord krijgt van de speciaal geselecteerde mannen, die in traditionele kledij zijn gestoken. En het is streng verboden om tijdens de ceremonie op de trappen te komen. Stokstijf hebben ze bijna een uur lang gestaan. En het stijve marcheren is daarom niet zo heel erg verwonderlijk.
Nadat het afgeloste duo is vervangen verlaten wij Athene. Via het Omonioplein, waar dit jaar – en ook in het verleden – al zoveel rellen zijn geweest. Bijna iedere demonstratie in Athene vindt hier plaats. Of wordt als startpunt gebruikt.
Door al het gekrioel vindt Giorgos zijn weg.
En daarna gaan we weer op pad, langs Tripoli en Megalopoli naar Gardenia, waar we nog even de benen kunnen strekken en de jonkies ons verlaten. De taxi staat al te wachten om hen naar Koróni te brengen. Wij gaan nog een klein stukje verder met Giorgos en Terry.
In Kardamíli zeul ik de trappen op met onze bagage. Wij zijn omstreeks zeven uur weer binnen en gaan ons opfrissen voor we bij Kiki gaan eten. Daar zitten Johan en Ankie we praten bij en schuiven aan, ondanks dat zij al klaar zijn met hun maaltijd. We nemen allebei Stifado en krijgen er nog een Griekse salade bij. In het dorp nemen we nog een afzakkertje voor wij over de weg de klim nog een keer aanvatten. 




En precies op tijd komt Giorgos aanrijden. Een man van de klok. Of hij een wekker heeft afgesteld staan in zijn bus. De grote bus, waarin nog heel veel plaats is. In Gardenia stapt nog een jeugdig koppel in. We zijn nu met veertien mensen, exclusief de begeleiding. Tien kaaskoppen en een Engels echtpaar met twee jonge kinderen.
De weg naar Athene ligt voor ons open. Veel tweebaansweg, dwars door de Pelopónnesos. Een route voor het vrachtverkeer. Nee, eigenlijk een weg voor iedereen die vanuit Athene naar Kalamáta reist en omgekeerd. Er wordt op diverse plaatsen aan een nieuwe weg gewerkt. Maar het zal zeker nog een aantal jaren duren voor die weg klaar is. Een weg dwars door heuvels. Met tunnels waarvan er een aantal klaar is. Zowel op de Pelopónnesos als ten noorden van het kanaal van Kórinthos wordt er aan de weg gewerkt. Nu passeren we nog dorpjes met lieflijke namen zoals Paradisia.
Straks is daar allemaal geen plaats meer voor. Voorbij Megalopoli kruipen we omhoog en dan de laatste spurt naar Kórinthos. Van Kórinthos zelf zien we niet veel. Het oude Kórinthos ligt rechts van ons op een heuvel, een akropolis. Archaio Kórinthos heeft zich volledig toegespitst op het toerisme.
Het ligt zo’n zeven kilometer van de nieuwe stad, dat aan de Golf van Kórinthos ligt. Ons tussendoel is het Kanaal van Kórinthos. Iets oostelijk van de nieuwe stad.
Van zuid naar noord, steken de weg over en gaan dan weer terug. De eerste indrukken zijn overweldigend. Snel terug naar de bus. Bij een kioskje hangen T-shirts van het kanaal. Aan de overkant van de weg is een grotere shop. Daar zullen ze die dingen ook wel hebben, zeg ik. Met meer mogelijkheden. Niet dus. Wel een boekje – in het Engels – over de geschiedenis van dit kanaal. Die neem ik mee.
Even later rijden we over de brug. Voor we het in de gaten hebben zijn we er al voor de derde keer overgestoken. Giorgos brengt ons naar het begin, of het eind, van het kanaal. Het is maar hoe je het wil noemen.
We zijn aan de noordoostkant. Worden afgezet bij een taveerne waar we een omelet nuttigen. Geserveerd met patat. Uiteraard.
En er dus ook weer in wegzakt. Hydraulisch bestuurd. Maar er komen ook nog andere technieken aan te pas. Elektronica en computers. Een van de systemen valt uit. Het waarschuwingsbord voor het verkeer geeft aan dat de brug twintig minuten voor het verkeer gesloten blijft. Maar dan moet de brug wel eerst zinken. En dat gebeurt niet. Het verkeer blijft groen licht krijgen en ook wij wandelen naar de over(zuid)zijde.
Het probleem wordt door één man opgelost, terwijl een aantal anderen met de handen op de rug toekijkt. Die reparatie betekent wel dat er een vertraging ontstaat in de afvaart van onze boottocht. Want nu de brug niet kan zinken, is er ook geen scheepvaart mogelijk. En kunnen wij dus vanaf de oostzijde niet naar de andere kant en terugvaren.
Het idee van een kanaal op deze plek aanleggen is oud. Al heel oud. Periander komt al in (ongeveer) zeshonderd voor Christus met het idee. Of hij ook een poging heeft gedaan? Dat vertelt de geschiedenis niet. Misschien heeft Periander wel geluisterd naar het orakel van Delphi. ‘Laat het met rust. Zeus zal niet blij zijn met wat jullie ook doen om iets aan de Isthmus (de landengte) te veranderen. Als hij daar een eiland had willen hebben, dan had hij er daar een gemaakt.’
Het idee van het creëren van een doorgang werd ingegeven door de zware en gevaarlijke tocht over zee rond de Pelopónnesos. Als alternatief legde Periander een weg aan, waarover schepen op platforms, van de Saronische Golf in het oosten naar de Golf van Kórinthos in het westen, gerold konden worden. Van die vervoerswijze is een kleine zestienhonderd jaar gebruik gemaakt. De Diolkos is het laatst in 883 gebruikt. Ja, na Christus natuurlijk.
Alexander de Grote heeft met het idee van een kanaal door de Isthmus rond gelopen. Demetrius wilde het omstreeks driehonderd voor Christus uitvoeren. Zijn Egyptische adviseurs hadden echter uitgerekend dat het water in de Golf van Kórinthos hoger stond dan in de Saronische Golf en dat het doorbreken een ramp zou betekenen voor Aegina, het eiland in de Saronische Golf.
Keizer Nero begint daadwerkelijk te graven. In het jaar 67 steekt hij de eerste (gouden) spade in de grond. Zesduizend Joodse slaven werken aan het kanaal. Het gaat snel. Maar het wordt niet afgemaakt. Heeft het orakel van Delphi het soms toch bij het juiste eind? Grijpt Zeus persoonlijk in? De dood van Nero, maakt immers een eind aan de poging.
In de negentiende eeuw, na de Griekse onafhankelijkheidsstrijd, haalde John Capodistrias, het oude plan uit de ijskast. Hij laat uitrekenen dat het ongeveer veertig miljoen Franse francs gaat kosten. Dat prijskaartje is een te grote hindernis. Het plan verdwijnt weer in de la.
Maar niet voor lang dit keer. De Griekse ingenieur Ligournis pakt het in 1852 eruit. Het gaat nog niet meteen door. Ferdinand Marie de Lesseps, die het Suezkanaal heeft gegraven, geeft het beslissende zetje in 1869, bij een bezoek aan het gebied. Hij is overigens niet zelf bij de werkzaamheden betrokken. Die eer komt de Hongaar István Türr toe. Türr is verbonden aan het hof van de Italiaanse koning Emmanuel II. Samen met zijn landgenoot Béla Gerster, een ingenieur, werkt hij het plan uit.
Het werk begint op 29 maart 1882 en moet in zes jaar klaar zijn. Die termijn wordt niet gehaald. Pas eind 1893 is het klaar. Een lengte van 6.343 meter. Enkele maanden later wordt het vrij gegeven voor gebruik. Het Franse schip Notre Dame du Salut krijgt de eer om als eerste er door te varen.
Het kanaal is daarna nog een paar keer gesloten geweest. Vanwege aardbevingen. De Duitsers knallen bij hun terugtrekken in 1944 de wal uit elkaar, dumpen er treinen in en laten de brug over het kanaal springen. Met Amerikaanse hulp kan in 1948 het kanaal weer worden gebruikt.
De noodzaak om door het kanaal te varen is tegenwoordig verdwenen. De tankers zijn zo groot geworden dat zij geen last hebben van de woelige baren rond de Pelopónnesos. Er varen nog wel schepen door, maar het is vooral toch een toeristische attractie. Mensen die van bovenaf het kanaal fotograferen.
En voor plaatselijke jeugd, die – weliswaar niet van het hoogste punt – van de wal in het water plonzen. Voor mensen zoals wij die met een toeristenboot door het kanaal varen en weer terug. Op de boot kun je ook T-shirts krijgen, dat ontdek ik als ik een blikje fris koop op het benedendek. Ja, dat kan ik niet laten lopen. En ik verras Tineke met een shirt.
Bij terugkeer op de kade staat Giorgos al klaar met de bus, aan de zuidzijde van het kanaal. Rap gaat het nu richting Athene. Met ruim een half uur vertraging door het oponthoud aan de brug steken we voor de vijfde keer vandaag het kanaal over. We rijden al snel over een tolweg en door geboorde tunnels. Dat is de toekomst. Als je snel wilt reizen, dan moet je er wel iets (geld) voor over hebben.
Het verkeer in Athene is hectisch. Motoren en scooters razen overal tussendoor. Automobilisten houden rekening met hen. Wachten geduldig op hun beurt. Geven de ruimte, gaan niet vervelend snijden en kleven niet op bumpers. Althans in de stad. Een fietser daalt zelfs sneller dan het snelverkeer richting het centrum. Kruipt overal tussendoor. Zo kan het dus ook.
We duiken nog even achter internet en stellen een mailtje voor onze volgers op.
En dan bij Akropoli eruit. Linksaf ligt de wijk Plaka. Onder aan de wereldberoemde Akropolis. Iedereen kan je de juiste weg vertellen. We wandelen die richting uit.
Diverse musici proberen een zakcentje bij te verdienen. Niet alles klinkt goed. De jazzy saxofonist is daar het beste voorbeeld van. Een fluitiste brengt daarentegen prachtige tonen voort. Maar ook zij speelt vals. Door gebruik te maken van een elektrische versterker. En een bandje mee te laten lopen. Met ondersteunende muziek. Wat is van haar. En wat niet.
En van de prachtige blauwe bloemen. Een sering volgens een van de obers. Een andere restaurantmedewerker probeert passanten naar een tafeltje te praten. Dat lukt hem uitstekend.
Na ons diner wandelen we nog een stukje. Opvallend veel Aziaten zien we. Toeristen, maar ook mensen die hier zijn neergestreken.
Een dansgroepje doet bij een van de taveernes haar kunstje. Voor mensen zoals wij. Verder kopen we nog een plak van Zeus voor de pergola, voor we met de metro terugrijden, richting Agios Antonios.
Dan kom je niet vanzelf in Larissa terecht. Maar ze zijn zo slim geweest om hun magnetische sleutelkaart te laten zien aan een taxichauffeur. Die heeft hen voor vijf euro afgezet. Bij het hotel. En zij? Zij hebben ondertussen al meer van Athene gezien dan wij.