Donderdag 11 september 2008
Het wordt met de dag warmer in Griekenland. In ieder geval in dit gedeelte van Ελλάδα. De hitte slaat over op de stad. De mensen zijn bijna niet vooruit te branden. En dat geldt ook voor ons. Tot op zekere hoogte dan.
In een ritje in een aluminium kooi hebben we in ieder geval geen zin. Dus Arta moet nog maar weven wachten. Bovendien is Tineke het autorijden even zat, wil haar schouder ontzien voor ze daar last van krijgt.Het alternatief is een wandeling door Párga. Of dat niet warm is!
Door de achteraf straatjes, vlak achter de restaurantjes aan de boulevard. Daar heeft Tineke helemaal nog niets van gezien. Zelf heb ik daar al wel iets gedwaald. Hier staan talloze appartementen, speciaal gebouwd voor de toeristen.
Dicht op elkaar. Hier hoor je veel Engels, Scandinavisch en Slavische talen. Hier staan ook de woningen van de 2.500 inwoners van Párga. En die gaan uiteraard zo nu en dan naar de kerk. Naar kleine kerkjes in de wijk.
Párga was al in de Myceense tijd bewoond. Dat blijkt uit een koepelgraf, dat dateert uit de veertiende of dertiende eeuw voor Christus. Hier lag de oude stad Torynbe, een kolonie van Eliens. Nee, geen aliens. Die vind je hier niet. Toryne werd later opgepakt en verplaatst. Nadat Aemilius Paulus met de Romeinen koning Perseus van Macedonië had verslagen bij Pydna, werden alle steden in Épiros verwoest door de Romeinen.
Pas vele eeuwen later wordt Párga weer genoemd in de geschiedenisboeken. Vanwege een overeenkomst tussen de Venetianen en de bisschop van Roemenië. Het is dan 1330. Ioannis Kantakouzenos noemde Párga in 1337 een van de belangrijkste vestingsteden, gevestigd op de heuvel Bezovolios. Een stad die trouw was aan de Byzantijnse keizer Andeonikos III.Omstreeks 1360 werd er begonnen met het bouwen op de rotsen. Daar waar nu het Venetiaanse kasteel staat. Of beter gezegd wat daar nog van over is.
Een herder had in een grot een ikoon van de heilige Maria gevonden en die meegenomen. De ikoon verdween echter , en opnieuw dat de icoon teruggekeerd was naar de grot. De bewoners volgden de icoon uiteindelijk maar naar de plek waar die zich thuis voelde: het huidige Párga. De icoon is nog steeds te zien. Niet meer in die grot, maar in de Agios Nikolaoskerk, waar alle heilige relikwieën van de stad worden bewaard.
Párga kwam in 1401 onder Venetiaans bestuur en kregen van de doge veel vrijheid. Ze begonnen met het aanplanten van olijfbomen en dat bracht de bewoners een grote mate van bloei. De Turken hadden wel zin in dat hapje. De eerste inval was in 1452. De overheersing duurde twee jaar. Ook hierna bleven de Turken terugkomen. Het was een komen en gaan, tot 1797. Van Venetianen en Turken. Venetië vond Párga, vanwege de ligging ten opzichte van Corfu namelijk ook belangrijk. Op 17 oktober 1797 deed Manin, de laatste doge van Venetië afstand en kwam de stad onder Oostenrijks gezag.En zo gaat het maar door.
Napoleon bouwde op het eilandje Panagia een fort. Ali Pasja stuurde in 1800 maar liefst 6.000 man naar Párga om de stad te veroveren.
Het Franse garnizoen was te klein en deed een beroep op rusland, dat met haar vloot de Ionische Zee beheerste. Het duurde zeventien jaar voor de wrede Albanees zijn zin kreeg. Ali Pasja kocht de stad van de Engelsen.
Zonder bevolking overigens. Die zagen dat aankomen en hadden de wijk genomen naar Kerkyra.De vesting heeft de tand des tijds niet kunnen verslaan, zoals het de aanvallen wel grotendeels kon afweren. Door de bron Kremasasma was bijvoorbeeld de watervoorziening gegarandeerd. En de Venetianen, lang niet gek, hadden de burcht versterkt met twintig kanonnen.
Toch waren er twee momenten dat de burcht werd verwoest. En even zo vaak weer werd opgebouwd. De laatste keer was in 1571. Boven de poort zijn de gevleugelde leeuw van St. Marcos en het jaartal 1764 nog te zien.
Veel van de magazijnen – boudroumiá - zijn er nog. Leeg uiteraard, of voorzien van puin. Op het hoogste punt van het kasteel staat een hamam, een Turks badhuis.
Vanaf diverse plaatsen hebben we een prachtig uitzicht. Niet alleen op de stad, maar ook op Vathosbeach, dat omzoomd wordt door citrusbomen en olijfbomen.
Valtos verwijst naar de vele bronnen, die de omgeving van water voorzien en betekent letterlijk moeras. Hoog boven het strand steekt de klokkentoren van het Vlachernaklooster uit.We glibberen terug naar beneden. De ronde keitjes zijn spekglad. En dan hebben we nog geluk dat het droog is. Naar boven heb je van dat glibberen overigens geen enkele last.
In het dorp kopen we prullaria; een tegeltje voor aan de pergola, twee maskers voor op de overloop en een beeldje voor onze verzameling Griekse bekenden. Verder T-shirts, olijfolie, kruiden. Wat sleept een mens toch allemaal mee. Althans wij doen dat.De trek stillen we met een pitabroodje met gyros voor we terugwandelen naar Aléca.
’s Avonds stellen we ons laatste mailtje van dit jaar vanuit Griekenland op. De paintbrusher zien we niet meer terug.
Het levende standbeeld is er opnieuw. En dat beeld komt van zijn krat af voor Tineke hem een euro of twee kan geven. Zo’n standbeeld verdient geen sokkel.Bij de ‘beer’ nuttigen we onze maaltijd. Buiten spelen drie vriendjes. Om het blonde koppie van de Noorse gastvrouw van het restaurant kun je niet heen, verder is er een brildrager en een jochie dat moet oppassen dat hij over een jaar of vijftig niet – net zoals ik – boven de honderd kilo weegt.
Tineke kiest een mosselmaaltijd uit met rijst en vooraf xorta (postelein).Ik kies voor Gigantes, grote witte bonen, in combinatie met gehaktballetjes. Na afloop krijgen we nog een trosje druiven met baklava. En een glaasje ouzo. Ik krijg zelfs een dubbele ouzo. Waarom?
Tineke drinkt haar ouzo zonder water en zonder ijs. En er waren al twee glaasjes met ijs ingeschonken toen de gastvrouw – zeer attent – dat zich nog herinnerde.
Ik kies voor een bezoek aan Nikópoli, vlak boven Préveza. Dat scheelt al gauw zo’n zeventig tot tachtig kilometer rijden. Maar wel met het risico dat er geklaagd wordt over de zoveelste berg stenen, want ook hier ligt een opgraving. Als geldig excuus telt nog dat het een opgraving is uit het boekje met schatten uit Griekenland en daarom behoort tot de plaatsen die we hebben uitgezocht om te bezoeken.
De eenvoudigste manier om er te komen is langs de kust rijden, tot de afslag naar Arta en dan doorsteken richting de golf van Amrakikos. Maar wat doe je met grote brullende vrachtwagens op je weg? Dan steek je binnendoor.
Dat doen we bij Rizá, waar we een allerliefst kerkje aan de buitenkant, want gesloten, op de foto zetten, terwijl de mannen van Rizá op een steenworp afstand de politiek bespreken, de laatste roddels uitwisselen – niet alleen vrouwen roddelen – of hun kansen in de liefde en het gokcircuit doornemen. Als je even niet oplet zit je hier op de weg naar Chimadió. En daar moeten we niet zijn. Gelukkig zie ik op tijd het gebrekkige bordje dat verwijst naar de bosrijke omgeving van Μυρσίνη. Het is even schrikken, maar het lukt en niet veel later toeren we door een prachtig gebied tot we bij Kato Mirsiní bij een andere hoofdweg belanden. Daar valt ook niet aan te ontkomen. Op hoofdwegen rijden.
De arena stelt niet veel voor. Hier werden in vervlogen de Aktische Spelen gehouden, ter ere van Apollo.
Tegen de waarschuwingen in kruip ik toch door de muur van het theater naar binnen. Wandelen is overigens een beter woord, want kruipen hoef ik niet. Toch is het wel oppassen, want sommige muren staan flink schuin en ik besef dat je hier niet moet zijn bij een aardbeving. Iets wat in Griekenland toch regelmatig gebeurt. Wie daar de hand in heeft? Zeuss? Poseidon? Hades? Die vraag blijft onbeantwoord.
Maar waar is de rest van de opgraving? Er moet hier toch meer zijn. Verdwenen onder de parkeerplaats? Of ligt het achter het theater verscholen. Op een plaats waar je inderdaad niet kunt komen.
Het is niet anders, dus bezoeken we boven het monument ter ere van Augustus. Twee jongedames houden hier in de schaduw de wacht.
Hier is de rest van de opgravingen van Nikópoli in ieder geval niet. Toch denk ik nog steeds heel eigenwijs dat de rest van de oude stad hier ergens moet liggen. Wel zie ik ergens in de diepte een lange muur.
‘Zullen we daar nog even kijken’, zegt Tineke, die bij het theater niet eens haar auto uitkwam. Mijn hart slaag een keer over. Dit heb ik niet durven voorstellen. Ze koppelt aan het bezoek aan de muur meteen onze lunch.
Ter ere van zijn overwinning stichtte Octavianus, Augustus dus, Nikópoli dat hij wijdde aan Apollo een zoon van Zeuss. Die tempel heeft gestaan waar nu het monument ter ere van Augustus staat opgesteld. Op de heuvel Mikalitsi.
Maar ook in Rome werd voor Apollo een tempel door keizer Augustus opgericht. Verder liet hij tempels bouwen voor Poseidon (Neptunus) en Ares (Mars). Zijn liefdesleven beperkte zich niet tot vrouwen, maar ook tot het mannelijke geslacht voelde Apollo zich aangetrokken.
In deze stad schreef de apostel Paulus zijn brief aan Titus, die hij had achtergelaten op Kreta, waar hij bisschop was. Na twee eeuwen van welvaart raakte de stad in verval. Julianus zorgde nog voor een opleving, maar hierna werd de stad geplunderd eerst door Vandalen en later door Oostgoten.
Een deel van de muren staat nog overeind, evenals van het Romeinse badhuis en van het Odeon, dat deels is gerestaureerd en voor culturele doeleinden werd gebruikt.
Voor de rest is het vooral een kwestie van veel fundamenten. Bij de stad zijn een zestal basilieken ontdekt. Met prachtige vloermozaïeken.Twee van die basilieken liggen nog onder het puin. Ook het nageslacht moet nog iets te vorsen hebben.
En er staat nog een oud aquaduct.
Nog een keer een rondje. Nee, niet wenselijk, want ik heb werkelijk geen idee waar we straks uitkomen. Misschien belanden we wel ergens in de onderwereld. Dit is Épiros en je weet maar nooit. Dus de hoofdweg, met het risico van opstomende logge beesten en voort kruipende nog loggere bakbeesten. We worden op onze weg naar Kanalláki met alle twee de soorten geconfronteerd. Het warme weer maakt me loom. Tineke weet zelf ook wel de weg en ik sukkel zo in slaap, tegen de zijkant van de Ibiza.
Op zoek naar een T-shirt van de rivier Acheron. Maar die kunnen we hier niet krijgen. Een verkoper komt daarom maar met een shirt van Che Gueverra aan, ook een bevrijder van geesten. Die raakt hij hier echter aan de straatstenen niet kwijt. Kun je denken. Als het nou nog Charon was.
Reigers misschien. In ieder geval zijn het geen ooievaars.
De terrasjes zitten tot laat vol.
Het Nekromanteion dateert uit de vierde eeuw voor Christus, en lag aan de westoever van het drooggevallen meer Acherousia. De god Hermes, was behalve boodschapper voor zijn vader Zeuss er ook verantwoordelijk voor dat de zielen van overledenen in de onderwereld terechtkwamen. Daarvoor had Hermes Charon aangesteld, die tegen betaling van een obool de doden over het Acherousia en de Acheron, naar het rijk van Hades bracht. De Acheron stroomt samen met de Styx en de Lethe door het dodenrijk.
Bevrijd van zijn lichaam kreeg de ziel van de overledene bovennatuurlijke krachten en kon in de toekomst kijken. Uiteraard trok dat levende zielen aan. Om in contact te komen met de doden moesten zij zich daarop voorbereiden. Voor een periode van 29 dagen, de cyclus van de maan trok een pelgrim zich terug uit het daglicht om in die periode toe te kunnen treden tot een onbekende wereld.
In de twee slaapruimtes en de badkamer werden zij door de priesters lichamelijk en geestelijk voorbereid op het contact met de doden. Ze kregen daarbij varkensvlees, bonen en mosselen te eten+ de gerechten van het dodenrijk. Daarnaast dronken zij melk en water. De priesters prevelden raadselachtige gebeden in een taal die alleen zij zelf verstonden. Of misschien wel verzonnen hadden. Om alle verkeerde invloeden uit te bannen gooide de pelgrim een steen op een steenhoop, moest meermalen zijn handen wassen als reinigingssymbool en offerde in een gat in de grond een schaap.
Vervolgens werd de pelgrim door het labyrint geleid, waarmee werd gesuggereerd dat hij was verdwaald in het duistere rijk van Hades. Drie ijzeren deuren scheiden hem vervolgens nog van het heiligdom. Door het eten van de zaadjes van de lupine en de gele tijloos raakte hij in trance en begon te hallucineren. Het is dan tijd om de doden op te roepen. Omdat niet iedereen in de waarde van het orakel geloofde, bedachten de priesters een foefje. Met ijzeren raderen, zwengels en botten die tegen bronzen ketels werden geslagen, creëerden zij een spannend sfeertje, waardoor het zelfs leek of je Cerberus, de driekoppige wachthond van het dodenrijk die door zijn aanblik mensen kon laten verstenen, kon horen blaffen.
Boven dit alles staat een kerk. Niemand zeurt hier over flitslicht die de muurschilderingen verpesten. Het fotograferen wordt zelfs toegejuicht. Al is het alleen maar om te laten zien dat latere overheersers er alles aan hebben gedaan om die christelijke muurschilderingen te vernietigen.
Hier en daar zijn ogen uitgestoken en de muren zijn over gesaust. Veelal door moslimoverheersers, volgelingen van Mohammed. Een bewijs van ontheiliging of zit Wilders hier achter? Heel voorzichtig is in de loop de jaren het sauslaagje grotendeels weer verwijderd zodat de oorspronkelijke tekeningen deels weer te zien zijn.
Ik moet verder, ook met dit verhaal. Terug naar Ammoudiá, waar we een boottripje kunnen maken voor vijf euro. Een klein stukje de zee op, langs hoge door water uitgesleten grotten. Door de hoge golven danst het bootje op en neer. Bakboord is voor fotograferen niet de beste plek, omdat het bootje dwars blijft liggen en op en neer deint, zie ik vooral hoofden. Mede door de langere sluitertijd en een verkeerde inschatting van tijd.
Het tochtje over de Acheron maakt dat goed. Veel schaatsenrijders scheren over het water. En er wordt niet eens een alternatieve elfstedentocht verreden.
De struiken en bomen weerspiegelen in het water. De twee nesten van de nachtegaal krijg ik niet op de foto. Verkeerde kant, bakboord. En op de terugweg gaat het zo rap dat we er al voorbij zijn voor ik kan reageren. Op de heenweg zie ik de nesten van ijsvogels in de wand.
Op de terugweg schiet deze veelkleurige vogel een paar keer langs ons bootje. Tineke waagt een poging. Nooit geschoten is altijd mis, om met Johan Cruijff te spreken.
Ammoudiá is slechts een tussenstop, want van de monding van de Acheron gaat het naar de bronnen. In de bus vertelt de Griekse gids Anastássi honderduit. We rijden daarvoor door de laagvlakte waar Tineke en ik al eerder doorheen zijn gereden. Ditmaal op weg naar Glikí, waar de militaire brug over de Acheron wordt vervangen door een burgerbrug. De militaire brug is vanwege de ontspanning in de wereld niet echt meer nodig. Net zoals er heel veel legerplaatsen al zijn opgedoekt. Ondanks dat we niet zo ver van de Albanese grens verwijderd zijn, hebben we bijvoorbeeld slechts een kazerne gezien.
In Glikí, aan de boorden van de rivier krijgen we een lunch aangeboden. Wij kiezen voor choriatiki en saganaki (gebakken kaas) en genieten van de rust om ons heen.
Niet voor lang, want daarna wordt het wandelen, eerst langs de oevers en daarna waden we door de rivier, door ijskoud water, afkomstig uit diverse bronnen. Een groepje paarden komt door het water gedraafd.
Recht op mij af. En spettert mij onder. We wandelen tot een punt waar er moet worden gezwommen. Ik heb mijn camera bij me. Niet waterproof dus zwemmen is er niet bij. Bovendien wat moet ik met mijn oren. Uitdoen en achterlaten? Nee, dan maar zelf achterblijven.
Ik krijg nog drie camera’s in mijn handen gestopt van mensen die doorgaan. Door lopen tot? Zwemmen tot? Tineke besluit op het laatste moment om toch maar mee te gaan met de zwemmers, wandelt, waadt en klautert.
Het water wordt verderop warmer. Is dat de invloed van de Styx, de hellerivier?
Samen met nog enkele mensen blijf ik wachten. Wachten tot ik een ons weeg? Dat is wel heel lang. Maar anderhalf uur is het zeker.
Mijn voeten wennen wel iets aan het koude water en dat is maar goed ook, want anders zou ik hier nu met een paar ijsklompjes zitten. Om een uur of vier ga ik terug. Denk aan de verhalen dat de doden een munt in de mond meekregen of juist op de ogen gelegd voor hun reis naar het dodenrijk, dat ik ver achter me laat. Op de plaatsen waar het water vanuit de rotsen de kloof en de rivier instroomt, voelt het toch weer ijskoud aan.
Zo gewend ben ik er dus niet aan. Het is helder water; koel helder water. Wie zong daar ooit over?
Niet eens zolang nadat ik ben teruggekeerd bij ons vertrekpunt. We moeten nog twee mensen afzetten in Ammoudiá. Het bezoek aan een ouzofabriek komt te vervallen. Terwijl die wel staat aangekondigd.
’s Avonds eten we bij Kryoneri, een taveerne waar vaak alle tafels tot laat zijn bezet. Kryoneri ligt in de richting van ‘Birds’. We beginnen met twee salades, meer een mousse; een van aubergine en een van vis.
Tineke kiest verder voor spaghetti met daarop gegarneerd een hoeveelheid zeedieren, zoals garnalen. Ach geef mij maar een lapje vlees.