Dit is een terugblik op een najaarsvakantie 2008 in het mooie Épiros.
Wil je een wereldrecord hoogspringen vestigen dan moet je de lat hoog leggen. In de praktijk komt het erop neer dat je eerst een aanloop neemt. Niet meteen de wereldrecordhoogte neemt, even inspringen. In tegenstelling tot het verspringen, daar kan het inspringen wel eens te veel energie kosten en kan de eerste sprong meteen de klap zijn die geen daalder maar een miljoen waard is.
Hoe verhoudt zoiets zich tot onze vakantie. Ik heb de lat hoog gelegd, maar ik heb wel meteen een slag om de arm gehouden. Niet meteen voor het allerhoogste gaan. De verwachtingen temperen. Er zijn zoveel factoren die meespelen. Kleine dingen zijn vaak bepalend.
Zoals al in het begin van de serie gemeld, heb ik geprobeerd me in te lezen op het gebied. Ook via internet. En in Épiros heb ik mijn kennis verder verrijkt. Onder andere dankzij Ross-hostess Madelijn. Zij gaf me ook leuke tips over opgravingen en omgekeurd vertelde ik haar weer over onze belevenissen en wat wij ter plaatse opvingen.
Verder leerde ik van de Griekse gids Anastassia dat Párga pas halverwege de jaren zestig echt is ontsloten. Daarvoor was deze plaats hoofdzakelijk via de zee te bereiken. Er waren wel ezelpaden en onverharde wegen, maar daar reden eigenlijk alleen de lokalen over. De bewoners moesten het daarom vooral hebben van de visserij en de olijfindustrie. Pas na die ontsluiting en asfaltering van wegen is het toerisme op gang gekomen. En hoe! Als je in de zomermaanden van 2.500 naar 15.000 mensen gaat, dan is dat zeker niet misselijk.
Zo druk was het niet toen wij er waren. Toch was het bij sommige restaurantjes vechten om een plaats. Nee niet letterlijk. De mensen stonden buiten rustig te wachten, tot er een plekje vrijkwam. Bij Bacchos bijvoorbeeld. En dan is het bij mij al snel laat maar zitten. Misschien is dat ook wel de reden dat we het culinair niet altijd troffen. Zelf was ik tweemaal heel ontevreden over wat mij werd voorgezet.
Maar daar laat ik mijn vakantie toch niet door bederven. Ik heb veel gezien, we hebben vooral veel opgravingen bezocht. Die zijn er genoeg in dit gebied. Het gidsje Parga, geschreven door Periklis Karaminas en uitgegeven bij Ilianthos heeft daarbij soms als leidraad gediend. Er is bovendien een Nederlandstalige uitgave, dus dat is altijd gemakkelijk. Het Engelstalige Paxi Antipaxi met teksten van Despina Tsakiris en uitgegeven door Spyros Dendias hebben mij iets meer over die twee eilanden geleerd. Bij het orakel van Dodoni heb ik een gidsje aangeschaft dat is uitgegeven door het ministerie van cultuur.
Sryros Moyselimis schreef over het orakel van de onderwereld en Nekromanteio, een Engelstalig boekje dat in 1989 is uitgegeven in de hoofdstad Ioannina.
Verder moet ik vermelden het boekje dat ik in het folkloristisch museum in Melingi heb gekocht. Al met al heel veel informatie. Tel daarbij op de mythologische verhalen, de vertellingen van Homerus en het een paar keer aangehaalde boek De schatten van Griekenland door Stefano Maggi en Christina Troso, uitgegeven door Kosmos reisgidsen.
En natuurlijk luisteren, praten, kijken, genieten. En dat laatste heb ik toch opnieuw met volle teugen gedaan. Maar wel, zoals ik aan het begin van dit laatste deel heb geschreven, met een getemperde verwachting. Het over mee heen laten komen en heel bewust ook niet te veel heb gedaan, willen doen. Het rijden moest immers toch weer van Tineke komen en die moet er ook van genieten, van kunnen genieten. Het is immers niet alleen mijn vakantie. Maar het zijn wel mijn verhalen, mijn gedachten.
Gedachten die mij terugvoeren naar oude vertellingen, vaak mijn Achilleshiel. Zoals het verhaal over de nereïde Thetis, de zeenimf Thetis, een dochter van de zeegod Nereus. Thetis werd grootgebracht door Hera. Over haar heb ik in het voorjaar op Samos geschreven. Veel goden waren op de beeldschone Thetis gesteld. Onder andere Zeus, die achteraf blij was dat hij geen kind bij haar verwekte, want haar kind zou zijn vader overtreffen.
Toen Zeus dat besefte besloot de oppergod dat de nereïde met een sterveling moest trouwen. Zeus liet daarbij zijn blik op Peleus vallen. Net als alle zeegoden kon Thetis zich razendsnel in allerlei gedaanten veranderen. Het viel dus niet mee om haar te veroveren. Peleus deed een poging, maar Thetis veranderde zich in een vogel, een boomstam en een tijgerin. Op advies van de zeegod bond hij haar in haar slaap vast. Na nog enkele gedaantewisselingen gaf Thetis zich gewonnen en Peleus verwekte bij haar een zoon: Achilles. Die was dus niet onsterfelijk. Thetis wist toen al dat haar zoon zou sterven op het slagveld en deed er alles aan om hem onkwetsbaar te maken.
Zij dompelde hem bijvoorbeeld net na zijn geboorte onderin het zwarte water van de Styx, de onderwereldrivier. Er was een probleem: ze moest hem ergens vasthouden. Inderdaad, bij de hiel en dat was zijn kwetsbare plek. De plaats waar hij ook door een pijl van de laffe en egoïstische Paris. De god Apollo leidde de pijl, omdat deze zoon van Zeus een bloedhekel had aan Achilles.
De keuze om Párga te gebruiken als uitvalsbasis is juist gebleken. Het ligt redelijk centraal en heeft meer mogelijkheden dan bijvoorbeeld Sívota. Echt grote wandelingen heb ik nauwelijks gemaakt, maar de wandeling op de laatste volle dag mag er zijn en is bijna een must voor iedere Párga-ganger. Het treintje heb ik gewoon laten rijden, maar niet voor mij, niet voor ons. Anderen sukkelen daar wel prima mee, maar ik heb een ander plan getrokken. En daar kon Tineke zich prima in vinden. Hoewel die een ritje naar Ali Pasja in het treintje eigenlijk wel zag zitten.
Zoals al uit de verslagen blijkt heb ik veel gezien, ben op veel plaatsen in Épiros geweest, maar niet overal. Nog geen Arta, nog geen Ioannina en geen Pindos-gebergte. Ook geen uitstapje naar Albanië. Dat had ik wel willen doen.Maar ja, met een noodpaspoort is zoiets nu eenmaal niet mogelijk. Ook niet voor een paar uur.
Dat moet dus nog maar even wachten, net zoals Meteora en al die andere plaatsen die we nog niet hebben gezien. Ik zeg maar zo, dan blijft er nog iets te wensen over voor een volgende reis naar Ëpiros. Nee, volgend jaar nog niet. Dat komt te vroeg. Maar misschien in 2010?
Hoe verhoudt zoiets zich tot onze vakantie. Ik heb de lat hoog gelegd, maar ik heb wel meteen een slag om de arm gehouden. Niet meteen voor het allerhoogste gaan. De verwachtingen temperen. Er zijn zoveel factoren die meespelen. Kleine dingen zijn vaak bepalend.
Zoals al in het begin van de serie gemeld, heb ik geprobeerd me in te lezen op het gebied. Ook via internet. En in Épiros heb ik mijn kennis verder verrijkt. Onder andere dankzij Ross-hostess Madelijn. Zij gaf me ook leuke tips over opgravingen en omgekeurd vertelde ik haar weer over onze belevenissen en wat wij ter plaatse opvingen.
Verder leerde ik van de Griekse gids Anastassia dat Párga pas halverwege de jaren zestig echt is ontsloten. Daarvoor was deze plaats hoofdzakelijk via de zee te bereiken. Er waren wel ezelpaden en onverharde wegen, maar daar reden eigenlijk alleen de lokalen over. De bewoners moesten het daarom vooral hebben van de visserij en de olijfindustrie. Pas na die ontsluiting en asfaltering van wegen is het toerisme op gang gekomen. En hoe! Als je in de zomermaanden van 2.500 naar 15.000 mensen gaat, dan is dat zeker niet misselijk.
Zo druk was het niet toen wij er waren. Toch was het bij sommige restaurantjes vechten om een plaats. Nee niet letterlijk. De mensen stonden buiten rustig te wachten, tot er een plekje vrijkwam. Bij Bacchos bijvoorbeeld. En dan is het bij mij al snel laat maar zitten. Misschien is dat ook wel de reden dat we het culinair niet altijd troffen. Zelf was ik tweemaal heel ontevreden over wat mij werd voorgezet.
Maar daar laat ik mijn vakantie toch niet door bederven. Ik heb veel gezien, we hebben vooral veel opgravingen bezocht. Die zijn er genoeg in dit gebied. Het gidsje Parga, geschreven door Periklis Karaminas en uitgegeven bij Ilianthos heeft daarbij soms als leidraad gediend. Er is bovendien een Nederlandstalige uitgave, dus dat is altijd gemakkelijk. Het Engelstalige Paxi Antipaxi met teksten van Despina Tsakiris en uitgegeven door Spyros Dendias hebben mij iets meer over die twee eilanden geleerd. Bij het orakel van Dodoni heb ik een gidsje aangeschaft dat is uitgegeven door het ministerie van cultuur.
Sryros Moyselimis schreef over het orakel van de onderwereld en Nekromanteio, een Engelstalig boekje dat in 1989 is uitgegeven in de hoofdstad Ioannina.
Verder moet ik vermelden het boekje dat ik in het folkloristisch museum in Melingi heb gekocht. Al met al heel veel informatie. Tel daarbij op de mythologische verhalen, de vertellingen van Homerus en het een paar keer aangehaalde boek De schatten van Griekenland door Stefano Maggi en Christina Troso, uitgegeven door Kosmos reisgidsen.
En natuurlijk luisteren, praten, kijken, genieten. En dat laatste heb ik toch opnieuw met volle teugen gedaan. Maar wel, zoals ik aan het begin van dit laatste deel heb geschreven, met een getemperde verwachting. Het over mee heen laten komen en heel bewust ook niet te veel heb gedaan, willen doen. Het rijden moest immers toch weer van Tineke komen en die moet er ook van genieten, van kunnen genieten. Het is immers niet alleen mijn vakantie. Maar het zijn wel mijn verhalen, mijn gedachten.
Gedachten die mij terugvoeren naar oude vertellingen, vaak mijn Achilleshiel. Zoals het verhaal over de nereïde Thetis, de zeenimf Thetis, een dochter van de zeegod Nereus. Thetis werd grootgebracht door Hera. Over haar heb ik in het voorjaar op Samos geschreven. Veel goden waren op de beeldschone Thetis gesteld. Onder andere Zeus, die achteraf blij was dat hij geen kind bij haar verwekte, want haar kind zou zijn vader overtreffen.
Toen Zeus dat besefte besloot de oppergod dat de nereïde met een sterveling moest trouwen. Zeus liet daarbij zijn blik op Peleus vallen. Net als alle zeegoden kon Thetis zich razendsnel in allerlei gedaanten veranderen. Het viel dus niet mee om haar te veroveren. Peleus deed een poging, maar Thetis veranderde zich in een vogel, een boomstam en een tijgerin. Op advies van de zeegod bond hij haar in haar slaap vast. Na nog enkele gedaantewisselingen gaf Thetis zich gewonnen en Peleus verwekte bij haar een zoon: Achilles. Die was dus niet onsterfelijk. Thetis wist toen al dat haar zoon zou sterven op het slagveld en deed er alles aan om hem onkwetsbaar te maken.
Zij dompelde hem bijvoorbeeld net na zijn geboorte onderin het zwarte water van de Styx, de onderwereldrivier. Er was een probleem: ze moest hem ergens vasthouden. Inderdaad, bij de hiel en dat was zijn kwetsbare plek. De plaats waar hij ook door een pijl van de laffe en egoïstische Paris. De god Apollo leidde de pijl, omdat deze zoon van Zeus een bloedhekel had aan Achilles.
De keuze om Párga te gebruiken als uitvalsbasis is juist gebleken. Het ligt redelijk centraal en heeft meer mogelijkheden dan bijvoorbeeld Sívota. Echt grote wandelingen heb ik nauwelijks gemaakt, maar de wandeling op de laatste volle dag mag er zijn en is bijna een must voor iedere Párga-ganger. Het treintje heb ik gewoon laten rijden, maar niet voor mij, niet voor ons. Anderen sukkelen daar wel prima mee, maar ik heb een ander plan getrokken. En daar kon Tineke zich prima in vinden. Hoewel die een ritje naar Ali Pasja in het treintje eigenlijk wel zag zitten.Zoals al uit de verslagen blijkt heb ik veel gezien, ben op veel plaatsen in Épiros geweest, maar niet overal. Nog geen Arta, nog geen Ioannina en geen Pindos-gebergte. Ook geen uitstapje naar Albanië. Dat had ik wel willen doen.Maar ja, met een noodpaspoort is zoiets nu eenmaal niet mogelijk. Ook niet voor een paar uur.
Dat moet dus nog maar even wachten, net zoals Meteora en al die andere plaatsen die we nog niet hebben gezien. Ik zeg maar zo, dan blijft er nog iets te wensen over voor een volgende reis naar Ëpiros. Nee, volgend jaar nog niet. Dat komt te vroeg. Maar misschien in 2010?
We eten voor het eerst binnen. Niet vanwege het weer, maar we willen de overige Aléca-gangers niet storen. Drie echtparen van de vijf gaan naar huis. De benedenboel en een paar, dat in de Zagoria heeft rondgezworven en nog een weekje Párga deed.
De mensen in de bus zijn allemaal loom. Het vroege tijdstip en de drukkende warmte van de laatste dagen hebben hun tol geëist. De hostess legt nog even uit hoe het op het vliegveld gaat. Moet gaan, want de praktijk is uiteraard anders.
Wij hebben de eerste vlucht naar Nederland, de eerste vlucht sowieso van de dag. Het vliegveld is zelfs nog gesloten als wij arriveren. Buiten staat al een forse rij te wachten om binnengelaten te worden. De tassen door de scan te douwen en dan inchecken. Zoiets gaat uiteraard allemaal zonder haast. Nee, drinken mag niet voorbij het scanapparaat. Zoiets blijft een raadsel. Wie kan dat voor mij oplossen, want eenmaal in de vertrekhal is er voldoende drinken te verkrijgen. Is dat een verkooptruc misschien?
Maar goed, we raken voorbij de scan en gaan naar de incheckbalies, nemen de meest rechte rij. En als we dan eindelijk bijna bij de balie zijn, gaat die voor Amsterdam dicht. Mogen er alleen passagiers naar Wenen langs. En waar zijn die dan? Vermoedelijk in de rij voor een andere balie. Hier komen ze niet heen.
Vervolgens door de tweede scan en langs de douane alsof er geen Europese grenzen zijn. Het vliegtuig uit Nederland is gearriveerd. En voor wij mogen instappen over het platform, wandelend onder een zwaar bewolkte hemel, staat ook de tweede Transavia Boeing al aan de grond. Opvallend overigens dat op dit militaire vliegveld nergens een bordje staat dat er niet mag worden gefotografeerd. Ook de hostess en de stewardessen reppen daar met geen woord over.
We verlaten een streek waar ieder momet het onweer kan losbarsten. Een rustige vlucht is het niet. Veel turbulentie onderweg. We vliegen via München, Enschede en Lelystad, om door te steken naar Purmerend voor we landen. Enkele passagiers kennen een van de vliegers en maken een groot deel van de vlucht, inclusief landing, mee vanuit de cockpit. Is dit toegestaan? Waar zijn ineens alle veiligheidseisen?
De afwikkeling van de bagage gaat met horten en stoten. Als onze tassen op de molen verschijnen, is een deel van de Épiros-gangers al lang en breed weg. En het volgende Épiros-vliegtuig al geland. Snel door naar de trein en naar huis. Raema moet werken, maar haalt ons toch op het station op, rekt haar werktijden iets op. Tineke doet snel de boodschappen en ik sjouw haar tas naar boven, pak uit en draai de eerste was. Dan naar Naomi, Martin en Gianny. Daar zijn ook onze honden. Die zijn vrijdag uit het pension gehaald. Weer terug naar huis. De rest uitpakken. En de wasmachine laten draaien.
De laatste keer bij de bakker langs, een olyki en een klein wit brood.
Maar eerst nog een niemendalletje uitlezen. Hoewel niemendalletje, dat mag ik eigenlijk niet zeggen. Er zit verschil tussen een niemendalletje en een niets aan de hand boek. Wat het verschil is? Vraag het aan Tineke. Zij weet het.
Als zij haar niets aan de hand/niemendalletje uit heeft, gaan we lopen. Het loopt dan tegen twaalven. De zon brandt onbarmhartig op mijn hoofd terwijl we aan de wandeling naar Lichnos beginnen. Tineke wil daar nog even zwemmen. Een laatste keer in de Griekse wateren dobberen.
Als is het maar voor een kwartier. Nee, ik niet meer. Ik houd het voor gezien. Voor mij geen zeewater meer dit jaar. Dat mag ik dan wel denken, maar ik moet zoiets natuurlijk niet hardop zeggen. Want daar komt narigheid van. Of loop ik nu ver op de feiten vooruit?
‘Valt eigenlijk wel mee met de drukte.’ Ja inderdaad, als je dat met het stadstrand vergelijkt wel. Maar wel in ogenschouw nemen dat het ook beduidend kleiner is. En valt de drukte dan wel echt mee? Goed laten we die vraag verder maar negeren. Doorlopen tot net voorbij Birds of Paradise. Daar ligt een smal paadje dat al snel omhoog gaat. Het is een wandeling, die op internet rouleert. Een wandeling die door hostesses aan toeristen wordt gegeven.
Een prachtige wandeling waarbij je moet klimmen. Een fraaie wandeling waarbij je nog meer moet klimmen. En dat valt met die brandende zon niet mee. Een pet is onontbeerlijk. Oppassen bovendien dat je niet te veel gaat drinken. En oppassen dat je niet te weinig drinkt.
De twee kerkjes onderweg zijn mooie ijkpunten. Geven de gelegenheid om even de pas in te houden. Te genieten van de stilte. Van de wind die door de toppen van de bomen ruist. Genieten op een plekje met uitzicht op Párga.
Op de stranden bij Párga. Wandelen door olijfboomgaarden, waar de netten nog opgerold zijn. Straks rollen ze weer uit, om de olijven op te vangen.
De olijfboom is belangrijk voor de Grieken. Al eeuwen lang. Hoe lang? Nou lees het volgende verhaal maar eens. Ik ga daarvoor terug in de tijd. De tijd dat Zeus nog belangrijk is. Toen hij nog dé god voor de Grieken is.Hij stoort zich aan de wereld en vooral aan de mensen die er wonen. Haat en nijd, oorlogen, ontevreden mensen, mensen die niet lekker in hun vel zitten.
Hij snapt er niets van. Hoe kan de wereld zo zijn afgegleden. Aan de omgeving kan het niet liggen. Wat dan wel? Daar wil hij het zijne van weten.
Hij neemt een menselijke gedaante aan zwerft in lompen gekleed langs de dorpen en steden. Op zoek naar een vriendelijk woord. Naar een dak boven zijn hoofd, al is het maar voor een nacht.Maar overal waar hij aanklopt wordt hem de deur gewezen. Hij ontmoet louter en alleen vijandigheid, ziet geen geluk en merkt nogmaals op dat de mensen erg ongelukkig zijn met zich zelf en met hun bestaan.
Hij geeft de moed op. Dit heeft geen zin. Okay dan, nog een laatste poging. Tot zijn eigen verbazing wordt hij door een jong stel meteen uitgenodigd om binnen te komen. Ze hebben het zelf niet breed, maar bieden de zwervende reiziger hun laatste voedsel aan. Ook mag en moet hij in het enige bed, dat er in het huisje staat, slapen. Zelf nemen ze genoegen met de vloer.
Zeus is diep onder de indruk van hun opofferingsgezindheid en is er eigenlijk van overtuigd dat ze hem hebben herkend, dat ze door zijn vermomming hebben geprikt. Hij stelt het koppel nog een keer op de proef. ‘Hoe kan ik jullie bedanken? Hoe kan ik jullie gelukkig maken?’
Zeus vertrekt. Het stel blijft achter, gelukkig in de liefde. Dat zijn ze na vijftig jaar nog steeds. Oud en krom, duidelijk niet langer vitaal zitten zij op een avond op een bankje en genieten van de maan. Het is een prachtige avond, met een volle maan. Een lachende maan. Ja lach mij maar uit, maar ik zie hem lachen. Die volle maan. En die oudjes? Die genieten ook met volle teugen. Ze kijken terug op hun leven, ook op die gedenkwaardige dag dat een zwerver bij hen aanklopt. En wat ze toen wensten.
Dit is een prachtige avond om te sterven. Vinden ze. Ze hebben mooie dingen gezien en veel samen beleefd, samen meegemaakt. Ze voelen dat hun tijd is gekomen. Ze omarmen elkaar. Op dat moment worden zij getroffen door een lichtflits, die hen in een prachtige olijfboom verandert. Zeus heeft zijn woord gehouden en schenkt de wereld die prachtige boom, die soms menselijke gedaanten aanneemt. Bedenk dan wat de waarde is van die onsterfelijke olijfboom, die ervoor zorgt dat geluk altijd blijft bestaan.
Met zo’n verhaal in het achterhoofd verdwijnt het geweeklaag vanzelf. Dan vliegt de tijd en als Lichnosbeach vervolgens in de diepte blinkt, dan word je vanzelf vrolijk.
Toch duurt het dan nog even voor we zand onder onze voeten hebben. De weg slingert naar beneden. En eindigt bij de hoofdweg. Daar pakken we op de hoek een lunch en wordt het vochtgehalte aangezuiverd. We zijn duidelijk niet de enige toeristen, die hier een rustpunt zoeken.
Diverse campers staan langs de weg. Samengeklit, zoals ook hun bijrijders samengeklit zitten in de taveerne. En later ook weer samen vertrekken. Achter elkaar aan jagen.
Goed Tineke pakt haar kwartiertje strand. Okay, het is iets langer en ik ga aan de bar zitten, achter een biertje. Terugwandelen. Nee, dat doen we niet. We nemen de watertaxi terug. En dan pakt Poseidon mij terug. Jij wil niet meer in het water, dan zorg ik ervoor dat het water wel op jou terechtkomt. Met bakken tegelijk, opspattend via de boeg van het bootje. We hoeven nog net niet te hozen. En ik, ik zie er de gein wel van in.
En ’s avonds nog een keer het dorp in? Daar heeft Tineke niet zoveel zin in. Ze is moe. Heeft geen trek om op zoek te gaan naar een leuke eettent. Vlakbij achter het treintje is voor haar goed genoeg. En voor mij een tegenvaller. Met smerige glazen, waarin het flessenbier meteen dood slaat. Het eten is niet te pruimen, koud smaakloos. Dit ben ik niet gewend. Tineke heeft minder te klagen met haar spaghetti, maar mijn onvrede druipt er vanaf. Geen aanrader deze tent. Ik zal de naam daarom ook niet noemen. Ben hem na een dag ook al vergeten.
En de maan glimlacht, ook vanaf het plafond van een Griekse kerk.
In een ritje in een aluminium kooi hebben we in ieder geval geen zin. Dus Arta moet nog maar weven wachten. Bovendien is Tineke het autorijden even zat, wil haar schouder ontzien voor ze daar last van krijgt.
Door de achteraf straatjes, vlak achter de restaurantjes aan de boulevard. Daar heeft Tineke helemaal nog niets van gezien. Zelf heb ik daar al wel iets gedwaald. Hier staan talloze appartementen, speciaal gebouwd voor de toeristen.
Dicht op elkaar. Hier hoor je veel Engels, Scandinavisch en Slavische talen. Hier staan ook de woningen van de 2.500 inwoners van Párga. En die gaan uiteraard zo nu en dan naar de kerk. Naar kleine kerkjes in de wijk.
Párga was al in de Myceense tijd bewoond. Dat blijkt uit een koepelgraf, dat dateert uit de veertiende of dertiende eeuw voor Christus. Hier lag de oude stad Torynbe, een kolonie van Eliens. Nee, geen aliens. Die vind je hier niet. Toryne werd later opgepakt en verplaatst. Nadat Aemilius Paulus met de Romeinen koning Perseus van Macedonië had verslagen bij Pydna, werden alle steden in Épiros verwoest door de Romeinen.
Pas vele eeuwen later wordt Párga weer genoemd in de geschiedenisboeken. Vanwege een overeenkomst tussen de Venetianen en de bisschop van Roemenië. Het is dan 1330. Ioannis Kantakouzenos noemde Párga in 1337 een van de belangrijkste vestingsteden, gevestigd op de heuvel Bezovolios. Een stad die trouw was aan de Byzantijnse keizer Andeonikos III.
Een herder had in een grot een ikoon van de heilige Maria gevonden en die meegenomen. De ikoon verdween echter , en opnieuw dat de icoon teruggekeerd was naar de grot. De bewoners volgden de icoon uiteindelijk maar naar de plek waar die zich thuis voelde: het huidige Párga. De icoon is nog steeds te zien. Niet meer in die grot, maar in de Agios Nikolaoskerk, waar alle heilige relikwieën van de stad worden bewaard.
Párga kwam in 1401 onder Venetiaans bestuur en kregen van de doge veel vrijheid. Ze begonnen met het aanplanten van olijfbomen en dat bracht de bewoners een grote mate van bloei. De Turken hadden wel zin in dat hapje. De eerste inval was in 1452. De overheersing duurde twee jaar. Ook hierna bleven de Turken terugkomen. Het was een komen en gaan, tot 1797. Van Venetianen en Turken. Venetië vond Párga, vanwege de ligging ten opzichte van Corfu namelijk ook belangrijk. Op 17 oktober 1797 deed Manin, de laatste doge van Venetië afstand en kwam de stad onder Oostenrijks gezag.
Napoleon bouwde op het eilandje Panagia een fort. Ali Pasja stuurde in 1800 maar liefst 6.000 man naar Párga om de stad te veroveren.
Het Franse garnizoen was te klein en deed een beroep op rusland, dat met haar vloot de Ionische Zee beheerste. Het duurde zeventien jaar voor de wrede Albanees zijn zin kreeg. Ali Pasja kocht de stad van de Engelsen.
Zonder bevolking overigens. Die zagen dat aankomen en hadden de wijk genomen naar Kerkyra.
Toch waren er twee momenten dat de burcht werd verwoest. En even zo vaak weer werd opgebouwd. De laatste keer was in 1571. Boven de poort zijn de gevleugelde leeuw van St. Marcos en het jaartal 1764 nog te zien.
Veel van de magazijnen – boudroumiá - zijn er nog. Leeg uiteraard, of voorzien van puin. Op het hoogste punt van het kasteel staat een hamam, een Turks badhuis.
Vanaf diverse plaatsen hebben we een prachtig uitzicht. Niet alleen op de stad, maar ook op Vathosbeach, dat omzoomd wordt door citrusbomen en olijfbomen.
Valtos verwijst naar de vele bronnen, die de omgeving van water voorzien en betekent letterlijk moeras. Hoog boven het strand steekt de klokkentoren van het Vlachernaklooster uit.
In het dorp kopen we prullaria; een tegeltje voor aan de pergola, twee maskers voor op de overloop en een beeldje voor onze verzameling Griekse bekenden. Verder T-shirts, olijfolie, kruiden. Wat sleept een mens toch allemaal mee. Althans wij doen dat.
Het levende standbeeld is er opnieuw. En dat beeld komt van zijn krat af voor Tineke hem een euro of twee kan geven. Zo’n standbeeld verdient geen sokkel.
Tineke kiest een mosselmaaltijd uit met rijst en vooraf xorta (postelein).Ik kies voor Gigantes, grote witte bonen, in combinatie met gehaktballetjes. Na afloop krijgen we nog een trosje druiven met baklava. En een glaasje ouzo. Ik krijg zelfs een dubbele ouzo. Waarom?
Tineke drinkt haar ouzo zonder water en zonder ijs. En er waren al twee glaasjes met ijs ingeschonken toen de gastvrouw – zeer attent – dat zich nog herinnerde.