14 augustus 2007

Coureurs

In de twee voorgaande stukken over motorsport heb ik al een aantal namen laten vallen. Maar dit gaat echt over coureurs. En dan vooral de mensen die ik zelf heb zien rijden. Niet op tv, zoals Valentino Rossi, die met zijn rijstijl bij mij overigens wel weer de interesse voor de wegraces heeft teruggebracht.

Ik begin met misschien wel de beste coureur van allemaal: Giacomo Agostini. Hij was in ieder geval wel de beste in de jaren dat ik naar wedstrijden ging kijken. Giacomo werd in 1965 ontdekt door de eigenaar van MV Augusta en werd tweede man, de leerling van de beroemde Mike Hailwood die dit jaar wereldkampioen werd in de 350cc en 500 cc. Dat kon nog in die tijd, kampioen worden in een jaar in twee klassen.
Agostini was een snelle leerling want in zijn tweede seizoen bij Augusta was hij al wereldkampioen in de koningsklasse. Mede mogelijk doordat Hailwood de overstap maakte naar Honda en voor de Japanse fabriek de titel in de 350cc pakte. Ook in ’68 was Agostini de beste in de 500cc en toen Honda in 1968 besloot te stoppen met racen, waren tot 1972 de twee zwaarste klassen voor hem. In 1973 werd hij door teamgenoot Phil Read afgetroefd in de 500 cc, wel was de iets lichtere klasse voor hem. Die klasse heeft mij zelf overigens echt nooit getrokken.
Agostini wist dat het einde van de hegemonie van de viertakten naderde en stapte op tijd over naar Yamaha. Opnieuw was de wereldtitel in de 350 cc voor hem, net zoals in 1974. Met Yamaha won de Italiaan ook nog eens de wereldtitel 500 cc in 1975. Hij stapte daarna toch weer over op zijn oude liefde: de MV Augusta. Met die machine won hij in 1976 nog twee races, waaronder die op Assen, waarna hij een jaar later – in 1977 - zijn actieve loopbaan beëindigde.

Barry Sheene begon in de lichtere klassen, maar vestigde echt naam in de zwaarste klasse. Hij reed bijna standaard met nummer 7, ook nadat hij in 1976 voor het eerst wereldkampioen was geworden. Een klein wonder want een jaar eerder was hij op Daytona Beach zwaar ten val te komen en toen werd voor zijn leven gevreesd. Ook in 1977 was de Engelsman de beste van de wereld. In 1981 maakte Sheene nogmaals een zware valpartij en weer overleefde hij wonderwel. In Engeland reed hij op de weg rond in een Rolce Royce met het kenteken BS7.

De Italiaan Walter Villa behaalt zijn eerste succesje in 1973 in Oostenrijk. Hij wordt daar tweede in de 350cc op een Yamaha. Voor Harley Davidson is dat voldoende om hem te strikken voor de in 1973 verongelukte Renzo Pasolini. En HD heeft daar geen spijt van. Villa wordt driemaal op rij wereldkampioen bij de kwartliters en is in 1976 zelfs dubbelkampioen door Johnny Cecotto af te troeven.

De naam van Angel Nieto mag zeker niet ontbreken. De Spanjaard (be)heerste (in) de kleinste klassen. Tussen 1969 en 1984 behaalde hij maar liefst dertien wereldtitels. De eerste twee in de 50 cc, in 1971 in de 125 cc en een jaar later werd hij dubbelwereldkampioen. Al die titels behaalde hij op een Derbi. In ’75 volgde nog een eerste plek op Kreidler in de lichtste klasse. In dat jaar wint hij zelfs zes van de acht races en de overige races wordt hij tweede. Nieto maakt hierna de overstap naar Bultaco, waar Jan Thiel (afkomstig van Jamathi) achter de schermen werkte. Nieto wint op Bultaco in 1976 en 1977 de wereldtitel. In 1979 en 1981 (op Minarelli) ging de wereldtitel in de 125 cc eveneens naar hem en vanaf 1982 tot 1984 stuurde hij in die klasse de Garelli naar de eerste plaats.

Niet zozeer een coureur maar het motormerk Morbidelli heeft ook indruk op me gemaakt. Dit merk ontstaat in 1969 en is eigenlijk een fabriek voor houtbewerkingsmachines. Het sluit later een overeenkomst met Benelli en wordt BMA. In de midden jaren zeventig is Morbidelli op zijn sterkst en behaalt wereldtitels in de 125 cc met Paolo Pileri en Pierpaolo Bianchi, die overigens ook op Minarelli snel is. Een opzienbarende prestatie wordt door Mario Lega geleverd in 1977 door Morbidelli naar de eerste plaats in de kwartliters te sturen.

In het rijtje mogen de zijspannen niet ontbreken, hoewel weinig motorliefhebbers echt oog hebben voor die machines, die door de bochten glijden waarbij de bijrijder meer naast dan in het bakje hangt om de combinatie maar op de weg te kunnen houden. Bij de meeste races is dit onderdeel het sluitstuk van het programma en veel toeschouwers gaan weg als de zijspannen in de baan komen. Soms steken de ‘motorgekken’ de baan over terwijl het sluitstuk nog aan de gang is. Dat daar nauwelijks ongelukken van komen is een groot wonder.
De Duitsers en Britten hebben altijd sterke combinaties gehad.
Drie piloten wil ik hier noemen. Allereerst Klaus Enders, die in 1996 rondrijdt op zijn BMW met Reinhold Mannischef in het zijspan. Dat is geen succes, pas als aan het einde van het seizoen Ralf Engelhardt bijrijder wordt komen er punten voor de Duitsers. En een jaar later volgt de eerste wereldtitel voor Enders, die er vervolgens niet in slaagt om de titel te prolongeren. Een jaar later domineren Enders en Engelhardt opnieuw. In 1970 stapt Wolfgang Kallauch, de voormalige bakkenist van Helmut Fath over. Er worden twee races gewonnen. Halverwege het seizoen hangt Engelhardt weer in het bakje en dat betekent nummer drie voor Enders, die van 1972 tot 1974 driemaal op rij een een scoort.
Zij stoppen na dat seizoen en worden opgevolgd door hun landgenoten. Rolf Steinhausen en Josef Huber met een Busch-König, die in 1976 zijn titel prolongeert. Steinhausen rijdt daarna ook nog met Kallauch en Kenny Arthur rond, maar zal de successen uit 1975 en 1976 niet herhalen.
De aller succesvolste piloot is echter de Zwitser Rolf Biland. Hij debuteert in 1974 in de Grand Prix met Freddy Freiburghaus. Een jaar later wint Biland op Hockenheim zijn eerste race, waarna Freiburghaus plaats moet maken voor Bernd Grube. In 1976 stapt de Brit Ken Williams in de bak bij Biland, die behalve goed kan sturen ook over bijzonder technische gaven beschikt.
Biland verschijnt in 1978 op de weg met de BEO en wint de eerste drie races van het seizoen. Nog opmerkelijker is echter de combinatie waarmee hij rijdt. Deze heeft een dermate vaste wegligging dat Williams eigenlijk bijna overbodig is en rustig in zijn stoel de races kan uitzitten. De Zwitser pakt er de titel mee. De bond is minder te spreken en splitst de zijspanklasse in twee groepen. De meer traditionele zijspannen en de geavanceerde driewielers. Ondanks een slechte start weet Biland met Kurt Waltisperg de eerste categorie te winnen. In ‘zijn’ klasse wint hij vier van de zes wedstrijden, maar dat is niet voldoende voor de wereldtitel, omdat hij verder geen punten scoort.Bruno Holzer en Charlie Maierhans hebben een vaste tweede hand, behalve als het om de eindscore gaat: de wereldtitel.
Door al het experimenteren gaat er ook wel eens iets mis. Behalve in 1981, dan wint de Zwitser op een na alle Grand Prix-wedstrijden. Ook in 1983 is de hoogste eer voor hem. Daarna loopt hij tegen veel technisch malheur aan en pas in 1992 staat hij weer op het hoogste schavot. Biland prolongeert zijn titel nog tweemaal. In 1997 wordt er geen wereldkampioenschap meer gereden, maar heet het de World Cup. Het is zijn laatste seizoen. Op 46-jarige leeftijd vindt hij het mooi genoeg geweest. Zeven wereldtitels en 82 overwinningen heeft hij achter zijn naam staan.

12 augustus 2007

Motorsport 2

Net zoals er in de autosport verschillende klassen zijn, kent de motorsport die ook. Verder zijn er diverse takken, zoals de al enigszins behandelde cross, verder onder andere trials grasbaanraces, speedway, ijsspeedway, endurance en wegrace. Op die wegrace ga ik verder in.

De overkoepelende wereldbond FIM stelde in 1949 voor het eerst een officieel wereldkampioenschap vast. In vier soloklassen en de zijspanklasse. Er werd aanvankelijk alleen in Europa gereden. Onder andere op Man (TT) en in Ulster, maar ook op Assen. Twee jaar later kwamen er een paar races bij en in 1954 werd voor het laatst in Zwitserland gereden, omdat daar mechanische snelheidssporten bij wet werden verboden.
Niet overal werden alle klassen gereden. Assen vormde daarop een uitzondering. Tijdens de TT waren alle WK-klassen te zien.
In 1962 werd een nieuwe klasse ingevoerd, de 50cc werd toegevoegd. De 350 cc klasse werd in 1983 geschrapt, omdat die te veel zou lijken op de 250 cc. Een jaar later verdween de 50cc en daarvoor in de plaats kwam de 80cc, in een poging om meer landen erbij te kunnen betrekken. Die poging mislukte en in 1990 werd afscheid van de 80 cc genomen, zodat de 125cc de kleinste klasse is.
De veranderingen gaan echter door in 2002 wordt de 500cc omgedoopt tot MotoGP, waarbij het is toegestaan om viertakten met een cilinderinhoud van 990cc aan de start te brengen naast de tweetakt 500cc. Hierdoor keerden een aantal verdwenen motormerken terug in de GP-wereld.
Van de zijspanraces is overigens weinig meer over. Helaas want dit was toch altijd een bijzonder fraai en ook spectaculair nummer.

Er zijn nog talloze andere klassen, maar daarvan wil ik eigenlijk alleen de Superbike nog noemen. Zware motoren, vaak prachtig ronkend geluid en races die maar al te vaak in twee manches worden opgesplitst. Juist dat lange werk is zwaar voor man en machine. De 200 miles van Daytona is daar een voorbeeld van en ook daar hebben talloze coureurs van naam uit de GP-wereld gewonnen. Ik noem Giacomo Agostini, Johnny Cecotto, Kenny Roberts, Freddie Spencer, Eddie Lawson, Kevin Schwantz en Wayne Rainey.
En uit Nederland kwamen de Golden Boys: Marcel Ankoné, Rob Bron, Boet van Dulmen en Jack Middelburg.

11 augustus 2007

Motorsport

Waarom ik toch weer over sport schrijf. Ach het is een beetje mijn leven. En motorsport is niet zomaar iets. Dat zal verderop in een ander hoofdstuk ook wel blijken.
Maar eerst maar naar af.

Het klinkt misschien ietwat vreemd voor iemand die niet in het bezit is van een rijbewijs (niet voor een auto en niet voor een motor), maar ik ben gek op motorsport. Autoraces heb ik nooit bezocht. De interesse voor die tak van sport is ook niet bijzonder groot. Komt voornamelijk door de Formule 1. Dat vind ik vooral een grote optocht waarbij weinig gebeurt. De uitzondering is de start. Auto’s die elkaar toucheren en de bocht uitvliegen. Hoewel het de laatste tijd ook steeds minder vaak voorkomt. Wedstrijden worden in de fabriek en in de pits gewonnen en zelden op de baan.

Natuurlijk is een fabrieksteam in de motorsport ook in het voordeel en is een goede sleutelaar bij zo’n team onontbeerlijk. Maar een goede stuurman kan nog redelijk veel goedmaken.
De liefde voor de motorsport wordt geboren door de aanstekelijke verslagen van de TT van Assen op de radio.
Het wordt verder aangewakkerd door de bromfietscross tijdens Koninginnedag, op het veldje tussen de Nieuw Bussumerweg en Arie de Waalstraat, en achter het voormalige politiebureau in Huizen. Daar staan nu fraaie woningen, maar vroeger kon je daar heerlijk een balletje trappen en zo eind april werd het omgetoverd tot een crossbaan.
Met zelfgemaakte crossers gingen de stoere jongens en sleutelaars aan de slag. Je zag veel Kreidlers en Puchjes, zelfs een keer een Solexje. Na enige tijd kwamen er inderdaad ook machines die voor het crossen waren gemaakt. Alles werd langzaam professioneler. Daardoor verdween wel de charme uit die cross.
Slechts een naam uit die tijd herinner ik me: Erik Dikkeboom.
En die heb ik jaren later ook nog eens voorin zien rijden tijdens een georganiseerde cross, in het bijprogramma van de Grand Prix 500 cc in Lichtenvoorde.
In de jaren zeventig heb ik met Tineke diverse motorwedstrijden bezocht, vooral op Assen, maar ook zijn we naar België geweest. Over de wegraces zal ik het in enkele volgende delen hebben, maar eerst een stukje cross en om te beginnen: Lichtenvoorde.

Ver verwijderd van Huizen en met openbaar vervoer bijna niet te doen. De bus, de trein. Overstappen, overstappen. Zijn we nog wel op tijd? Ergens midden in het (achter)land uit een boemeltje worden geladen. En dan met zijn allen wandelend naar het circuit dat gelegen is in een prachtig bosperceel. Op tijd voor de start van de eerste races.
Het is romantiek en heroïek. Prachtige verre sprongen worden er gemaakt op de schans. Het zand spuit onder de banden weg. De banden trekken diepe sporen in datzelfde mulle zand. De coureurs zijn naarmate de wedstrijd vordert steeds minder herkenbaar. Goed naar de speaker luisteren helpt om het wedstrijdverloop te volgen. En in het programmablad zit steevast een kolom waarop je via het invullen van de rugnummers kan bijhouden, wie op welke plaats rijdt.








Het is de tijd van Gerrit Wolsink, de vliegende tandarts die het opneemt tegen de bijna onverslaanbare Roger De Coster. In zijn achtertuin in de Achterhoek is Wolsink als zandhaas vaak in het voordeel. Maar de wereldtitel gaat hem aan zijn neus voorbij. De enige coureur die er echt in slaagt om De Coster te weerstaan en verslaan is de Fin Heikki Mikkola. Andere bekende Nederlandse namen uit die tijd: Frans(je) Sigmans en Gerard Rond.


Roger De Coster









Heikki Mikkola


Frans Sigmans








Een verhaal apart zijn de zijspannen. Ook bij de cross. De naam Broer Dirkx, die eigenlijk Mathijs heet en ook in de soloklasse voorin reed, ken ik vooral van de radio, krantenartikelen en televisiebeelden. ‘Broer’ reed jarenlang met nummer H12, zowel solo als zijspan en had de bijnaam De Buldog, vanwege zijn postuur.

Om de familie Van Heugten, ja die van de Heuga-tapijtjes, kun je eigenlijk niet heen. Echte sportlui, gek van motoren en doerakken zijn het ook wel een beetje. Hier een portret van Ton van Heugten.
Kijk maar eens op http://www.heugacrossers.nl/.


Het is nostalgie!
Wat is daar mis mee?

7 augustus 2007

Luxemburg

Driemaal ben ik naar Luxemburg geweest en dan bedoel ik het land. De eerste keer is in mijn schooltijd. Ik zit in de derde klas van de ULO en raak verliefd op een klasgenote. Kalverliefde, zou de overleden Robert Long het genoemd kunnen hebben.




Het schoolreisje naar Echternach heb ik al een keer kort aangehaald in een verhaal over mijn schooltijd. We zaten toen in de jeugdherberg.


De wandeling door de kloven zoals de Teufelschlucht en grotten, maar ook langs het beroemde watervalletje Schiessentümpel hebben toen grote indruk op me gemaakt. Die wandeling tijdens het schoolreisje zou ik best nog wel eens over willen doen, maar om die tocht zonder begeleiding of zonder wandelroute/boekje maken is vermoedelijk niet mogelijk. Er zijn wel wandelroutes in het gebied,we hebben daar later ook een stukje van gelopen. Maar dat is toch niet hetzelfde als die tocht van toen.








Uiteraard heeft toen een bezoekje aan de hoofdstad niet ontbroken.

Halverwege de jaren zeventig ben ik met Tineke naar Luxemburg geweest. Om preciezer te zijn, we zitten, kamperen in Nommern. Niet op de grote Euro-camping maar we zijn neergestreken op een kleinere familiecamping. Bijna iedere avond brengen we kaartend in de kantine van de camping door. Aan het eind van de vakantie komen we daar in contact met een paar Marokkaanse of Algerijnse jongeren en daarbij komt het (toen nog niet verleerde schoolfrans) uitstekend van pas.
Vanuit Nommern maken we diverse tochten met de auto, onder andere naar de hierboven al vermelde waterval, maar ook naar Echternach, dat toen een bijzonder verlaten indruk op ons maakt. Om de grote Willibrord-abdij, uit de zevende eeuw, kun je bijna niet heen, figuurlijk gesproken dan. En Tineke heeft daar, ook tijdens ons tweede bezoek van Luxemburg, een kaarsje gebrand.

De prachtige ligging van Esch sur Sûre in het westen is me altijd bijgebleven. De bochtige rivier met tussen de oevers ingeklemd dit plaatsje. Een bezoek aan het zuiden met de hoofdstad mag niet ontbreken. Door de parken slenteren en op afstand gehouden worden, omdat de groothertog (?) uit rijden gaat. Zo fantaseren wij er in ieder geval op los en houden dat voor de waarheid. De kazematten van de hoofdstad hebben we alleen vanaf de buitenkant gezien.

Ook hebben we tijdens die vakantie een bezoekje aan het noorden gebracht, door de Luxemburgse Ardennen. We bereiken het prachtige kasteel van Bourscheid, waar men ijverig bezig is met restauratiewerkzaamheden. Het kasteel is wel open. Het beheerst de omgeving, de omliggende heuvels en het dal van de Sûre, dat zo’n 150 meter onder de voet van het kasteel stroomt.

Wat ook niet onvermeld mag blijven zijn de borden die de richting aangeven. Ze zijn er wel, maar je ziet ze niet. Of beter je ziet ze meestal te laat. We hebben een redelijke kaart, die ik gebruik om overal te komen. Maar het gaat toch, in de dorpen en steden regelmatig mis. De Luxemburgers hebben de gewoonte om de borden laag bij de weg neer te zetten. En meestal zo dat je er al voorbij bent en achterom moet kijken om te zien wat erop staat. Natuurlijk midden op de weg stoppen is ook een mogelijkheid, maar dat nemen de Luxemburgers je niet in dank af. Ze razen net als de Belgen ons toch al vlak voor bochten voorbij en van zomaar stoppen houden ze helemaal niet. De gok nemen dat we goed zitten bij een afslag in een dorp pakt niet altijd goed uit, maar levert wel enerzijds een lachwekkend tafereel op, maar anderzijds schamen wij ons op dat moment om Nederlander te zijn.
Na een verkeerde afslag komen we op een prachtige weg uit, we rijden tussen de velden door naar beneden. Op zeker moment zien we een auto half in de greppel staan. Nederlands kenteken; stoppen dus.
Onze landgenoot denkt slim te zijn, door tijdens de afdaling de motor uit te schakelen wil hij benzine besparen. Zijn zoontje is behulpzaam en haalt de sleutel uit het contactslot. De auto springt meteen in het stuurslot, er is geen houden meer aan en het voertuig is niet op de weg te houden. Een dranklucht komt ons tegemoet op het moment dat wij de uitleg horen. Natuurlijk begrijpen wij dat er geen politie bijgehaald moet worden, maar op brandstof besparen om zo nog een neut te kunnen kopen staat ons ook tegen. We kunnen niets doen, ook de auto uit de greppel trekken zal ons niet lukken, zodat wij ietwat beschaamd en toch ook gierend van het lachen onze tocht voortzetten.

Jaren later, begin jaren negentig, gaan we nog een keer naar dit prachtige land. Het is een beetje schipperen, maar het lukt. Naomi gaat op voetbalkamp en Raema zit gelijktijdig in het hoge noorden waar ze bij een manege een paardenkamp heeft.
Wij huren een huisje in Rosport, aan de oever van de lage Sûre, de Saur op zijn Duits of is het toch de Moezel. Tot op de dag van vandaag weet ik het niet. Vanuit dit dorp maken we enkel prachtige wandelingen en zoals meestal raken we daarbij ook de weg kwijt dus wandelen we kilometers te veel in de verzengende zon en smachten naar een verfrissing, die we in een onooglijk dorpje, langs de weg vinden.
Tijdens de vakantie maken we opnieuw een autotocht naar het zuiden. We bezoeken een oude kolenmijn en belanden ook weer in de stad Luxemburg, waar het ditmaal een stuk drukker is en kijken naar de prachtige oude en moderne bruggen in en half over de stad, nog zuidelijker komen we in Schengen, dat inmiddels al bekend is van zijn verdrag. En inderdaad we rijden ook zomaar zonder grens/controle Frankrijk binnen.
Nee, Frankrijk is niet mijn land. Ook toen al.

Op onze noordelijke route belanden we bij het kasteel van ridder Pekjas in Vianden. Persoonlijk vind ik dat van Bourscheid toch indrukwekkender. In Vianden besluiten we een hapje te eten. Bij een restaurant op een terras, met meerdere afdelingen De kaart geeft diverse mogelijkheden aan, van redelijk aan de prijs tot duur. De ligging van het terras blijkt daarbij bepalend te zijn, maar dat merken we pas veel later. We gaan op het rustige gedeelte zitten, ook nog eens lekker in de zon. En krijgen een kaart met haute-cuisine voor onze neus. Nee, we laten ons niet kennen. En bestellen. En eten een bolletje rijst, twee worteltjes en een stukje vlees, dat net niet in een holle kies past. Ja, het bierglas heb ik meegenomen. Wel gevraagd aan de ober.
De prijs van deze maaltijd? Ik ben het echt vergeten, maar normaal eten we daar twee of drie dagen van.

Het bezoek aan Echternach pakt ditmaal beter uit. Het is er ook een stuk drukker. We gaan zelfs tweemaal op een dag. Omdat er ’s avonds een fraai cultureel festival is. Met overal muziek, plus een open luchtconcert. Dat willen we best meepakken.
Luxemburg een klein land, waar de bewoners best trots op mogen zijn.

4 augustus 2007

Lia Bosch

Onderstaand artikel komt uit:

De Gooi en Eemlander van dinsdag 31 juli 2007
Ik vind dat dit artikel op mijn weblog thuishoort.

Emotie bijzonder belangrijk in werk van Almeerse
Lia Bosch vecht tegen ziekte van Ménière

,,Door de ziekte van Ménière kan ik drie weken heel veel en twee weken helemaal niets. Ik ben nu eenmaal iemand die tot het gaatje gaat en soms een stapje te ver gaat. Ik noem mezelf invalide. Dat voelt zo, op het moment dat ik volledig ben uitgeschakeld.’’

Aan het woord is Lia Bosch, een Almeerse, 51 jaar, moeder van drie kinderen. Haar twee dochters leven nog, haar zoon Wouter is iets meer dan tien jaar geleden overleden, na een bromfietsongeluk.

Haar creatieve gaven kwamen te pas als er geholpen moest worden op de basisscholen waar haar echtgenoot les gaf, maar ook tijdens de feestdagen om de woning aan de Middenhof en later Sportmark te versieren.
,,Door mijn ziekte werd ik volledig op mezelf teruggeworpen. Het is heel vervelend, ik durfde geen afspraken meer te maken, omdat de kans bestond dat ik moest afzeggen. Je bent niet betrouwbaar.’’
De ziekte van Ménière wordt gekenmerkt door een combinatie van draaiduizelingen, slechthorendheid en oorsuizen. Tegen de verdrukking in ontwikkelde zij haar gaven. Als kind tekende Bosch al veel. Zo’n 24 jaar geleden begon zij met het boetseren van kleine oude mannetjes. Zij nam les en moest wel naar buiten. ,,Soms deed ik gewoon teveel en dan kon ik een tijdje helemaal niets meer.’’

Bosch ontwikkelde zich tot poppenmaakster, porseleinen poppen die hun weg vonden over de gehele wereld. ,,Ik had zelfs een eigen agent, die de verkoop regelde. Er was een enorme vraag naar. Sommige poppen waren al een kwartier nadat ze op internet waren gezet verkocht. De Amerikanen kwamen altijd met wensen, wilden het mooier hebben. Maar daar heb ik nooit aan willen toegeven. Het moesten mijn creaties blijven.’’

Haar kennis gaf Bosch door via cursussen. Door de ziekte van Ménière was dat lastig. Vijf jaar geleden is zij gestopt met het maken van die poppen. ,,Omdat ik hartstikke ziek was, ik had een periode van twee jaar waarin het heel slecht ging.’’ Om zich te ontwikkelen volgde zij diverse opleidingen en rondde onlangs een tweejarige opleiding tekenen en schilderen af aan de Leeuwenburghacademie in Amsterdam. En straks gaat ze naar Gouda voor een vervolgopleiding glazuren.

Wie naar haar werk kijkt, ziet veel non-verbale communicatie. ,,Omdat ik in snel tempo volledig doof aan het worden ben.’’ En veel emotie, waarbij tot voor kort verdriet bijna altijd de overhand had. Maar ook liefde, moederliefde voor haar kinderen en sinds kort kleinkinderen. ,,Dat is genieten, net zoals de eerste jaren toen we nog een onbezorgd gezinnetje vormden. Nieuw leven is zo belangrijk.’’

Een paar maanden geleden kon zij dat vertalen in een schilderij. ,,Nee, eerder was niet mogelijk.’’ Bosch liet zich inspireren door haar dochter Annemieke en kleindochter Emma. ,,Anderhalf jaar geleden zijn we naar Australië op vakantie geweest. Emma was acht maanden toen we terugkwamen. Ze zat op de arm van haar moeder en keek me aan. Heel voorzichtig zei ik: ’Hoi liefje, dag mooi meisje’. Bang dat ze me niet meer zou kennen. Ze keek en keek en toen kwamen die twee handjes, zachtjes pakte ze me bij mijn gezicht. Haar handjes dwaalden en voelden. Het was goed, ze wist nog wie ik was. Ik huilde, dat zachte lieve gebaar, van zo’n baby, zo vol herkenning. Ze nestelde zich op mijn arm, als vanouds.’’

Informatie over de ziekte van Ménière kunt u vinden op: www.kno.nl/voorlichting/meniere Werk van Lia Bosch kunt u vinden op www.liabosch.nl

3 augustus 2007

De pijn

Sport is mijn leven. Zowel actief als passief. Uiteraard zit daar verschil tussen. De bevrediging na een bereikte prestatie is ongekend hoog en bijna orgastisch te noemen.
Mijn mooiste tochten kunnen worden vergeleken met stevige rozen. Fraaie bloemen met gemene stekels aan de stengel, waaraan de vingers worden opgehaald tijdens het schikken in de vaas.
De prikken zijn weer vergeten als de vaas een eigen plaatsje krijgt en de rozen staan te pronken op de tafel.

De zelfpijniging op mijn oude vertrouwde Koga Myata, die eigenlijk aan vervanging toe is, heeft ook zoiets masochistisch.
De pijn na een volbrachte tocht.
Pijn in de voetzolen door de voortdurende druk op de pedalen.
Pijn in de rechterkuit vanwege kramp omdat ik op het randje – en soms daar zelfs over – heb gereden.
Pijn in de bovenbenen wijzen op een verkeerde fietshouding.
Pijn aan het zitvlak omdat het oude witte zadel veel te hard is en eigenlijk moet worden vervangen door een zachter exemplaar.
Pijn in de onderrug leert dat mijn rug nog steeds kwetsbaar is.
Pijn in de handen, die te lang boven op het stuur hebben gedrukt, omdat ik niet echt in de beugels kan hangen.
Pijn tussen de schouders die tegensputteren nadat zij langdurig hebben toegestaan dat het hoofd in een ongewone houding heeft gestaan.
Te lang mis ik dit gevoel al weer. De pijn, omdat ik onvoldoende ben getraind, na een ritje van 45 kilometer in maart van dit jaar had niet de zalvende werking. Gaf geen bevrediging. De pijn zit uiteraard tussen de oren. Geeft mij een excuus om niet te (hoeven) fietsen.
Slecht weer. En vooral: geen tijd.

Op slecht weer kan ik me kleden. Een extra (regen)jas aantrekken bij regen. Een extra shirt, trui of dikke handschoenen tegen de koude. Maar daar begin ik niet aan, want mijn evenwicht is hopeloos verstoord. De balans ontbreekt. De vele (over)uren beginnen zich te wreken.
Mijn lijf smacht naar rust.
Mijn geest stribbelt tegen.
Achttien jaar schrijven over sport heeft zijn sporen achtergelaten.
Het einde nadert. Ik voel het aan mijn botten. In mijn ziel. Maar ik kan geen afstand en geen afscheid nemen. Wil het ook niet.
Ik ben nog niet klaar. Wil nog zoveel doen. Er komt nog dagelijks zoveel nieuws op mij af. En er komen nog zoveel nieuwe dingen op mij af.
Sporten op het hoogste niveau.
Landskampioenschappen.
Europa ontdekken.
Betaald voetbal.

Een ander neemt de beslissing voor mij. Sneller dan gedacht. Het Dagblad stopt per 1 januari. Dat doet pijn. Maar de boosheid overheerst. De ontkenning van die datum door hoofdredactie en directie - anderhalve maand voordat de beslissing werd bekendgemaakt - is van geen enkele waarde gebleken… De hoge kosten wegen niet op tegen de baten. Begrijpelijk.
Maar de hoge heren hebben nooit willen investeren.
Almere heeft er altijd bij gehangen.
En nu wordt de steker uit het stopcontact getrokken.
Triest.
Voor mij. Voor mijn medewerkers, die een extra zakcentje door de neus wordt geboord. Maar vooral voor de lezers, die in het nieuwe jaar nauwelijks meer aan hun trekken zullen komen. Minachtend zijn zij aanvankelijk onnadenkend opzijgeschoven.

Bang voor een verlies van tien procent van het lezersbestand krijgen de abonnees een nieuw oud product aangeboden. Er verandert niets. Alleen de naam. Lezen de lezers in een brief van de directie. Verstopt is het woordje bijna. Slechts een enkeling heeft dit tussenwoord gevonden. Beseft dat hij uit winstbejag voor het lapje wordt gehouden door boekhouders, centenneukers. Het is volksverlakkerij ter meerdere eer en glorie van het grote geld. Het woord rendement is bestemd voor de aandeelhouders die niets geven om de Almeerse bevolking. Geen gevoel hebben bij een krant. Geen waarde hechten aan een onafhankelijke pers. En niet stilstaan bij het kleine leed, dat zij de gewone man aandoen. Maar ook mij. Ze hebben mij mijn hobby afgepakt.

‘Weet je ook iets van voetbal’, werd mij achttien jaar geleden gevraagd. ‘Wil je voor ons in het weekend komen schrijven.’ Van het een kwam het andere. Een hobby werd een beroep. En nu is alles in een klap voorbij. De pijn zit diep in me. Maar ik heb geprobeerd alles wel netjes af te sluiten. Iedereen bedanken. Een allerlaatste keer Omniworld bezoeken. Mijn laatste artikel. De laatste woorden: ‘Het verhaal is over.’

De vele lieve reacties van lezers, sportbestuurders, trainers en sporters doen mij goed. Een fles wijn ontvangen van Ron Zwerver in een bomvolle sporthal Waterwijk voor aanvang van de volleybaltopper van Omniworld tegen Dynamo Apeldoorn. En een van Eelco Derks na de basketbalwedstrijd tegen Weert, nadat ik me tussen het publiek heb verstopt. Dat deed me goed.
Het in de schijnwerper staan gaat me minder goed af. Blozen. Laat mij maar in de schaduw werken. Ik ben niet belangrijk. De waarderende woorden van Henk Staats - in het clubblad van de BVA – zijn typerend. Komen rechtstreeks uit zijn hart en passen bij tevens mijn bescheidenheid.

Maar niet alles is even fraai. Van de collega’s van het huis-aan-huisblad krijg ik een schop na. Zij houden de bevolking voor dat zij niets hoeven te missen van het sportnieuws na het verdwijnen van het Dagblad. Stuur uw eigen sportverslagen maar per e-mail door. Dan wordt het blindelings geplaatst. Na het overschrijven komt nu het doorplaatsen. Lang leve de onafhankelijke pers.

Zelf moet ik nu weer gaan werken. Alles opnieuw opbouwen. Een nieuw netwerk opzetten. Achter nieuws aanjagen. Is dat wreed of wrang? Neen.
Maar hoe lang mag ik zoiets doen. Enige zekerheid is er namelijk niet. Want de geldwolven willen dat er koppen rollen. Nog twintig hoofden moeten worden afgehakt. Ook die van mij? De tijd zal het leren.
En die tijd gaat razendsnel voorbij.

26 december 2002

PS Dit stuk kwam ik onlangs tegen en kan het niet ongelezen in mijn computer laten staan.

2 augustus 2007

Oostende

Van mijn eerste vakantie met Tineke kan ik me niet zo gek veel meer herinneren. Het is in 1974 en de reis gaat naar Oostende in België. Ik ben net een paar jaar de dienst uit en we zijn nog niet getrouwd.
Ik vraag me de laatste tijd steeds vaker af, was dat onze eigenlijke einddoel of was het zomaar een gok; ergens langs de Belgische kust. Oom Henny, een oom van Tineke, geeft ons een zwieper naar het zuiden en zet ons ergens in België af langs een snelweg. Vanaf dat moment gaan we liftend verder. In mijn belevenis heeft het heel lang geduurd voor we beet hadden. En zijn we uiteindelijk door iemand in een aftands autootje meegenomen. Hoe het ook zei, we komen aan in Oostende en zoeken daar een gunstige locatie om de nachten door te brengen.
Hoe lang we er waren? Ik zou het echt niet meer weten.

We verbleven in Hotel Telstar. Niet veel bijzonders, maar voor onze smalle vakantiebeurs in ieder geval wel betaalbaar. Het belangrijkste was dat er een bed in stond en er was een douche. In het hotel, de receptie was zelden bemand, stond in de hal ook een radio. Daarop heb ik met veel moeite een Nederlandse zender kunnen vinden, waardoor ik er met nog meer moeite achterkwam dat sv Huizen algemeen amateur-kampioen wist te worden door Elinkwijk op een gelijkspel te houden.

Oostende had enkele leuke kroegjes, waar we ’s avonds regelmatig te vinden waren. In een van die tentjes schonken sangria met vers fruit, heerlijk verfrissend.
Echt geluk met het weer hadden we niet, zodat er geen echt strandbezoek in zat. Voor Tineke was dat misschien wel sneu, maar ook toen al was ik geen strandslaper.












De haven vond ik veel interessanter. De grote stomers en ferry’s voor de overtocht naar Engeland heb ik er toen niet kunnen ontdekken, maar die deden de zeehaven van Oostende zeker aan. Indrukwekkend vonden we toen het opleidingsschip De Mercator. Tineke wilde daar het zeegat wel mee uitvaren.



Indrukwekkend was ook een bijeenkomst bij een van de monumenten. Het Nationaal monument voor de Zeelieden. Iedere paasmaandag wordt hier traditioneel een hulde gebracht aan iedereen die het leven liet op zee. Ook de zogenaamde zee-inwijding gebeurt bij dit monument. Verder hebben we de ruiterstandbeelden van Leopold I en II gezien.
Op cultuurgebied spraak ook het oorlogsmuseum ons aan, want ook hier in de omgeving heeft men te lijden gehad onder de oorlogen.














Oostende had ook enkele mooie parken. En in een van die parken gingen we dagelijks midgetgolfen. Eerlijk toegeven, Tineke was mij meestal de baas.












Oostende. De vakantie was best leuk, allemaal nieuw voor ons. Tegenwoordig kan ik rustig stellen dat er mooiere (Belgische) plaatsen zijn, waar het ook goed toeven is. Een keer terug?
Waarom niet. Nostalgie!
De terugreis verliep overigens met de trein, via Antwerpen en Roosendaal of Bergen op Zoom.
Ook die herinnering is vervaagd.

1 augustus 2007

Omniworld 3

Met dit stuk sluit ik (voorlopig?) het hoofdstuk Omniworld en tevens het hoofdstuk van mijn sportverslaggeverij af. Na het Dagblad ben ik nog wel twee jaar actief geweest als sportverslaggever bij ‘moeder’ Gooi en Eemlander en ik heb daar aardige en bijzondere mensen ontmoet, maar het haalt toch niet bij mijn tijd in Almere. Dat plezier heb ik in Hilversum nooit ondervonden,

Het derde hoofdstuk Omniworld gaat over volleybal.
Wie het hoofdstuk historie op de website van Omniworld bekijkt wordt helaas opgezadeld met een pertinente leugen, die al jaren door een groepje leden van het voormalige Alstavo’81 wordt uitgedragen.
Ik citeer:
Hoe is vc Omniworld ontstaan?
Begin jaren ‘80 heeft een aantal in Almere Stad woonachtige leden zich van volleybalvereniging Almere Haven afgesplitst en zijn een eigen vereniging gestart.
Grrrr. Hoe zit de zaak wel in elkaar. Juist om te voorkomen dat er bij de komst van een volleybalvereniging in Stad een groep leden uit dat stadsdeel zou vertrekken, noem dat gerust een afsplitsing, heeft het bestuur van vv Almere-Haven (met streepje) erop aangedrongen om daar een club op te zetten. In Stad werd dat door een enkeling gevoeld als: wij zijn niet welkom. Dat werd rondgebazuind maar was absoluut niet waar. Een kleine bestuursdelegatie uit Haven heeft zelfs tijdens een informatiebijeenkomst, vanuit de afdeling sportzaken was Mike Boelijn aanwezig, tekst en uitleg gegeven over talloze zaken, onder andere uitgelegd waarom Almere-Haven in het Gooi en niet in Amsterdam speelde. Tevens werd alle hulp aangeboden om iets van de grond te helpen. Tijdens die bijeenkomst werd besloten een vereniging te beginnen en werd ook de naam Alstavo genoemd. Dit heb ik niet uit de tweede hand, want ik was erbij. Als secretaris van Almere-Haven.

Genoeg over dat gedeelte.
In 1999 is de organisatie Omniworld gaan samenwerken met AMVJ. In de beginfase werd die naam ook aan de club gelinkt, omdat de Amstelveense vereniging over de eredivisielicentie beschikte. Er waren in die periode gesprekken tussen de diverse volleybalclubs in Almere om samen te gaan werken. Mede door de komst van AMVJ is dat nooit van de grond gekomen. In 2001 is armlastige Alstavo’81 opgegaan in Omniworld, zodat er ook breedtesport onder de noemer Omniworld valt.

Zoals ik ook het basketbalartikel met een coach ben begonnen, zo begin ik ook het spelers/trainersgedeelte met een trainer. Martin Teffer geeft vier jaar leiding aan Omniworld en haalt het uiterste uit de spelersgroep. Talloze jonge gasten maakt hij beter en als geen ander weet hij een hechte groep van het spelersmateriaal te smeden.
Bijna onbewogen staat Teffer meestal langs de kant, maar niet altijd weet hij zich in toom te houden en een enkele keer ziet men hem langs de lijn ontploffen. Stoom afblazen doet hij meteen na afloop, met een sigaretje. Soms staat hij toe dat ik een shaggie meepaf, maar niet praten en zeker niet over volleybal is het devies. Hij beleeft dan de wedstrijd nogmaals en kan en wil pas na een kwartier met de pers praten. Als Olof van der Meulen bij de selectie komt, roken die twee samen na afloop een peuk. Na vier jaar Almere zet Teffer zijn trainerscarrière in Frankrijk voort.

Ik noem een tweede coach: Toon Gerbrands, toen van Dynamo uit Apeldoorn tegenwoordig actief bij het poenerige AZ uit Alkmaar. Dynamo is de toonaangevende vereniging van Nederland in die tijd met heel wat meer geld te besteden dan de Almeerse club. Omniworld weet een paar keer te stunten tegen de Apeldoorners en wordt zelfs op de duur gelijkwaardig. Gerbrands is een slecht verliezer, dat is al langer bekend. Na iedere nederlaag zoekt hij valse excuses zonder eens naar de realiteit te willen kijken. Na de verloren wedstrijd om de Supercup in 2002, op een stormachtige dag in Amsterdam, laat hij zijn herinneringsmedaille boos op de tribune liggen. Verongelijkt omdat zijn club door de arbitrage is benadeeld. Terwijl eigenlijk een van zijn spelers wel heel erg ongemanierd bezig was.
Ik heb de medaille opgeraapt. Hij hang bij mij aan een boekenkast op zolder.
Toon je kunt hem nog steeds bij me afhalen.

De eerste spelersgroep in Almere was redelijk onervaren met bijvoorbeeld tweede spelverdeler Jelle Scheurwater, Edward Kamphuis en Bas Hellinga. Bas is kwalitatief niet de beste volleyballer van de groep, maar de passer-loper heeft wel een uitstekende wedstrijdmentaliteit en past daarom heel goed in het plaatje dat Teffer bij Omniworld voor ogen heeft. Hij heeft bovendien een keiharde service, waarmee hij vooral in de beginfase redelijk veel scoort. Toch maakt hij daarmee ook veel fouten en de coach geeft hem opdracht meer variatie aan te brengen. Hellinga luistert bijna altijd en voert ook die opdracht uit. Voor de pers is het bovendien een gouden knaap, die altijd bereid is zijn mening te vertellen.

Eerste spelverdeler is het eerste seizoen Henk Jansma, een ex-collega van Naomi. Hij wordt later opgevolgd door Scott Newcomb, Australisch international. Newcomb is op dat moment misschien wel de beste spelverdeler in de Nederlandse eredivisie en kan als geen ander een wedstrijd lezen. Hij heeft een aparte opslag en verbaast zowel vriend als vijand. In 2002 verlaat hij de club.

Een jaar eerder is diagonaalspeler Olof van der Meulen bij Omniworld gekomen. Een van de gouden mannen van de Olympische Spelen van 1996. Van der Meulen was prof in Japan voor hij terugkeerde naar Nederland en een contract bij Omniworld tekende. Voor hij een wedstrijd in het Omniworld-shirt heeft gespeeld heb ik mijn eerste gesprek met hem. In Sneek in een café. Met de bus – de Interliner – leg ik de weg van Almere naar Sneek af. Later heb ik nog heel wat gesprekken met deze sympathieke speler, die met Omniworld in 2002 de titel pakt, gevoerd. Een belangrijke rol in het team speelt in die periode ook nog de Japanse libero Go Urano, een heerlijk joch en een uitmuntende verdediger. In 2004 sluit hij zijn actieve loopbaan als speler af en zijn shirt met nummer twaalf wordt als eerbetoon in de hal opgehangen.

Een andere man uit het gouden Olympische team is Ron Zwerver. Die is enige tijd aan Omniworld verbonden als directeur, maar verantwoordelijk voor het aantrekken van sponsors. Hij is erbij als ik mijn laatste wedstrijd als verslaggever uitzit en ik krijg op de laatste speeldag van het jaar een fraaie fles wijn en enkele goedbedoelde afscheidswoorden. Het spel zelf blijft trekken bij Zwerver, die dit jaar bij Nesselande aan de slag gaat als coach.

Na mijn afscheid als sportverslaggever in Almere ga ik met Naomi nog een keer terug en bekijken een wedstrijd uit de Top Teams Cup. Omniworld haalt de finale en wordt daarin verslagen.

29 juli 2007

Omniworld 2

In dit deel heb ik het over een aantal mensen bij de basketbaltak van Omniworld. Ik begin met Jan Eggens, de eerste coach van Omniworld. De Meppeler overleed vorig jaar op 49-jarige leeftijd. Een man die geen blad voor zijn mond nam. Hij had een aantal jaren bij Red Giants in Meppel gewerkt en was ook enkele jaren bondscoach geweest. Maar bovenal kon hij uitstekend leiding geven aan jeugd. Dat was een van de redenen om hem in 1998 bij de start aan Omniworld te linken. Doordat hij te lastig was, mocht hij het karwei in Almere niet afmaken en moest hij weg.
Niet alleen zijn mondigheid speelde Eggens parten. Kritiek kreeg hij ook omdat hij volgens de een de jongeren onvoldoende speeltijd gaf, terwijl anderen juist weer op hem afgaven omdat hij er niet voor terugdeinsde om falende ‘vedetten’ naar de kant te halen. Het was een bijzonder man.

Eggens werd opgevolgd door Jan Willem Jansen, tegenwoordig topsportcoördinator bij de basketbalbond. Jansen had net als zijn voorganger een uitstekende reputatie wat betreft omgaan met de jeugd. Voor de pers was Jansen net zo toegankelijk als Eggens. Toch was hij een heel ander persoon. Urenlang zit hij in zijn kantoortje in sporthal Waterwijk. Daar bekijkt hij video-opnames van wedstrijden en trainingen, praat hij met spelers en lees. Nee, geen thrillers of sportboeken, maar literatuur. Nadenken over bijzonder mooie gedichten, over het leven filosoferen. Ook daar gaan de gesprekken met Jansen over.

Cees van Rootselaar, ook enige tijd coach van Omniworld is voor mij echter vooral de guard, de spelbepaler. Een man met een grote staat van dienst, bij het nationale team en Den Helder. Hij komt afbouwen bij Omniworld, of toch niet? Nee, Cees komt zeker zijn zakken niet vullen in Almere. Door menigeen is hij al afgeschreven als hij naar Omniworld komt, maar hij is nog zo gedreven en bijna een slavendrijver voor zijn teamgenoten. Zijn kritiek is vaak niet mals; ook voor de jongere spelers. Ook buiten het basketbal om is Van Rootselaar veel in de sporthal te vinden. Met de jongens van het sportcafé heeft hij al snel een hechte band en regelmatig is hij daar achter de bar te vinden.
Als coach heeft Van Rootselaar het moeilijk; zeker bij Omniworld. Het valt ook niet mee om boven de spelers te staan, waar je eerst midden tussenstond.

Het gaat (in de beginjaren) deels om het opleiden van jonge spelers. Ook de huidige coach Marco van den Berg heeft daar zijn mening over. Maar daar kan ik niet over oordelen. In de beginjaren zitten de jongens bijna allemaal bij elkaar in een woning. Sommige zaken worden voor hen geregeld, maar niet alles. Er zijn spelers die naast het basketballen hard studeren, maar dat valt niet voor iedereen mee. Djoenie Steenvoorde blijft het langst (zeven jaar) bij de Almeerse club hangen, haalt ook het nationale team, maar de guard breekt maar niet door en blijft te lang een talent. Niels Vorenhout heeft moeite om zichzelf in de hand te houden, is misschien wel de talentvolste speler uit die tijd, maar moet met onmiddellijke ingang vertrekken na een drugsincident. Ardan Cusell stopt in 2004 met topbasketbal vanwege zijn studie. Maar bovendien is Cusell vaak te bescheiden. Cusell kan loepzuiver schieten en is een begenadigd driepuntschutter. Helaas geeft hij liever de bal af dan het schot zelf te nemen. Tenslotte noem ik Niels Meijer nog. Blessuregevoelig is de center, die nog bezig is aan een groeistuip. Hierdoor komt Meijer onvoldoende aan spelen toe. Hij is in zijn Omniworld-tijd ook nog aan de lichte kant. Via het opleidingsteam van Astronauts haalt hij daarna in Amsterdam toch de nationale top.

De jongeren moeten steunen op een groep ervaren spelers. Cees van Rootselaar heb ik al genoemd. Maar er zijn ook andere Nederlanders zoals Jerome de Vries en Harm van Woerkom, die in Almere nooit hun top halen en moeite hebben met het systeem, verder Ronald ‘Kuifje’ van Velzen, die vaak verguisd wordt.

En natuurlijk een heel regiment buitenlanders. Echt geluk heeft Omniworld in die beginfase niet met het aantrekken van spelers. Het mag ook geen of beter gezegd weinig geld kosten. Ja, dan haal je natuurlijk ook geen kwaliteit, hoewel – eerlijk toegegeven – een enkeling ook echt wel zijn stinkende best doet. Kwaliteit heeft de stille Eric ‘Lord’ Nelson wel. Zoveel kwaliteit dat het zonde is dat hij bij Omniworld blijft. Hij vertrekt naar Eiffel Towers in Nijmegen waar de forward een zeer gewaardeerde kracht wordt. Nelson heeft overzicht, is een goede rebounder en heeft ook een uitstekend schot. Quasi verontwaardigd pakt de Amerikaan zijn p’tjes, maar hij lokt er ook veel uit. Veel praten doet hij niet, ook niet na de wedstrijden.

Met Derrick Tilmon en Travis Young (topscorer van het seizoen heeft Omniworld twee Amerikanen waaraan het veel plezier beleeft. De club haalt in 2003 (niet voor het eerst overigens) de play-offs en komt ook heel ver. Het hoogtepunt blijft echter net uit. In de finale is Nijmegen met 4-1 duidelijk te sterk.


Ik eindig met het noemen van Rob Weber, vanaf de start als scout verbonden aan het team. Bij het woord scout moet je niet denken aan iemand die op zoek gaat naar (verborgen) talenten om die voor de vereniging binnen te halen. Weber zit tijdens de wedstrijden bij het team en noteert alles wat er gebeurt. De scores, de missers, de passes, de fouten. En dat gaat allemaal de computer in en wordt na afloop aan coaches, spelers en pers uitgedeeld, de cijfertjes worden ook naar ANP en baketbalsites gezonden. Met die statistieken gaat dan weer veel mensen aan de slag, bijvoorbeeld voor hun verslagen (werk) of gewoon voor hun plezier. Een scout kan het werk niet alleen af. Soms werkt hij samen met de scout van de tegenstander, maar meestal heeft hij iemand naast zich. Tegenwoordig is dat Elles Bartels, inderdaad een van de slager.