6 juli 2010

Doop

Deel 21 zaterdag 29 mei 2010
Wandelen of? De laatste zaterdag in Pilion. We kiezen ervoor om naar Volos te gaan met de bus. Op zaterdag zijn er aangepaste reistijden. Vanuit Kalá Nerá vertrekt de bus om elf uur. Tijd genoeg om naar de bakker te gaan, ontbijt te maken, vaat te doen en de auto in te leveren. Die komen ze overigens halen, zonder zich bij ons te melden. Hoe dat met betalen gaat?
Als we naar de bushalte vertrekken – bij de bakker aan de hoofdweg – weten we dat nog steeds niet. De bus is lekker vlot. We stappen - op mijn verzoek - vooraan in Volos uit. Niet om naar het archeologisch museum te gaan, maar gewoon om lekker langs de kust te lopen. De Aghia Triada is open en heeft een aparte ikonostase. Alles heel modern en licht. Langs de kust staat een aantal hotels met zwembad, waarvan druk gebruik wordt gemaakt. Het lijkt wel iets op het hotel waarin wij in Alexandropouli hebben gelogeerd, al bijna een mensenleven terug. Zo voelt dat althans.
Aan de rand van de hotels, zijn wat strandjes. Het contrast is bijna schrijnend. Moeders met kinderen, ouderen, armoezaaiers? We lopen over een smal pad en arriveren bij de Agios Konstantinos. Ook die is open. Hier is het druk. Buiten staan veel mensen. Binnen is net een doopplechtigheid geweest. Jammer?
Nee, want de rode versiering wordt opgeruimd en maakt plaats voor roze versiering. Er volgt nog een doop, een orthodoxe doop. Van de schone Helena. En dat is toch iets aparts. Ook dat hier – zeker in deze kerk – niet naar kleding wordt gekeken.
De schouders onbedekt, Daar kijkt niemand van op. De dames lopen hooggehakt, de rokken zijn soms superkort. De vader regelt en regelt. De moeder heeft vooral oog voor de camera. De peettante (een zusje van de vader) volgt gedwee in alles, en is apetrots, voelt zich soms echter ook wat ongelukkig als de dopeling het op een brullen zet en bijna niet is te stoppen.
De hulppriester is geduldig, in alles. Maar ook de (doop)pappas is een schatje. De mensen in de kerk zijn bijzonder vriendelijk voor ons. Geven ons alle ruimte om te kijken en foto’s te maken. Tineke krijgt een mooi zilveren speldje met wit lint opgespeld. Zij is erbij geweest.
Driemaal gaat Helena kopje onder, het gezelschap maakt ook driemaal een rondje rond het doopfont. En als alles achter de rug is krijgen de aanwezige kinderen allemaal een cadeautje en de volwassen een ijsje. Wij trekken ons via een zijdeur terug. Verheugd dat wij dit hebben mogen meemaken. Dit is voor ons een cadeautje.
We wandelen langs het Konstantionospark waarin diverse beelden staan opgesteld en besluiten vervolgens om door te steken naar Ermou, de winkel/wandelstraat van Volos. Hier is het bij de cafés bijzonder druk. Er is geen plekje meer vrij.
Tineke heeft trek gekregen en wil iets eten. Ik zie in de zijstraatjes wel enkele eetgelegenheden, maar (omdat Tineke voor mij uitloopt) gaan we daaraan voorbij. Uiteindelijk lopen we terug naar de haven en kiezen voor een plekje bij O Giorgos. Ook hier hebben de Grieken niet alles wat erop het menu staat. Hier zijn verschillende redenen voor. Het is nog vroeg in het (vakantie)seizoen, er zijn minder toeristen dan normaal en de Grieken zelf hebben minder te besteden. We eten saganaki (Henk) en garnalen (Tineke).
We hebben nog tijd zat en gaan op souvenirjacht. Dat valt niet mee, zeker niet op de Ermou waar de rust terugkeert. De Agios Nikolaos Mitropoli staat in de zon te schitteren. Veel winkels zijn al dicht. De zitjes bij de cafés worden opgeruimd. Voor later. We lopen maar weer terug naar de haven en Tineke ontdekt boven een taveerne het Nederlands consulaat in Volos. Bewijs dat dit voor Nederland toch een redelijk belangrijke stad is. Het waarom? Daar blijf ik het antwoord op schuldig.
Omdat we nog tijd genoeg hebben gaan we nog een keer langs bij het prachtige Joodse monument en wippen even aan bij het treinstation van Volos. Net als de stationnetjes van Miliés en Ano Lexónia overheerst hier de kleur geel. De gebouwtjes hebben bovendien allemaal ongeveer dezelfde bouwstijl. Die van Volos is uiteraard groter.
Op het terrein staan bovendien een aantal totaal verroeste locomotieven gestald. Klaar om gesloopt te worden? Of worden ze opgeknapt voor een tweede leven als stoomtrein.
Achter het station is de Plaia Volos, een van de opgravingen hier. Of zijn de kruiken misschien ingegraven voor argeloze toeristen, die overal in geloven. Er liggen immers ook flesjes cola en andere frisdrankflesjes. Toch niet echt iets uit de oudheid.
Nou het wordt tijd om naar het busstation te gaan. We hebben nog ongeveer twintig minuten voor de bus vertrekt. Ik koop de kaartjes (3,20 euro), terwijl de temperatuur in de schaduw oploopt naar 29 en zelfs 30 graden Celsius. De bus naar Neoxori vertrekt als eerste, van de bussen die naar het zuiden van Pilion gaan. Een geparkeerde bestelbus zorgt onderweg voor oponthoud. Met de parkeerregels neemt men het in Griekenland niet zo nauw. Maar oh wee, als het fluitje van oom of tante agent klink… In Agria moet de bus slalommen, omdat een deel van het dorp is afgesloten vanwege een autorally die hier start en finish heeft. Het is de laatste onderbreking op weg naar Kalá Nerá.
Bij Kamèlia zitten diverse medelanders in de tuin, met Maria. Ik wacht op Henny om te vragen hoe het nu eigenlijk zit met de auto. Zij zegt dat alles in orde is en heeft het reçu van de verhuurder bij zich. Dat werpt toch wel enkele vraagtekens op betreffende de betrouwbaarheid van het gebruik van creditcards, want hiervoor hebben wij geen toestemming gegeven. In Nederland toch maar eens informeren.
Aanvankelijk hebben we het plan om bij Kanarinia te gaan eten, maar we laten dat varen en besluiten om even na negenen naar Pagasitikos te gaan. Door bestellen we in de keuken. Tineke kiest voor lamb met aardappels en ik krijg de imam, de laatste die er vandaag nog is. Oh, gebakken courgette vooraf en een Fischer als drinken, terwijl de mini-magnum als toetje wordt geserveerd. De allergie steekt weer de kop op, maar Tineke weet et redelijk te onderdrukken, terwijl de Eurovisiesongfestivalgeluiden (wat een woord) door de geluidsboxen schallen en de beelden van een groot beeldschermen flikkeren. Laat maar.

4 juli 2010

Zwemmen

Deel 20 vrijdag 28 mei 2010
De tijd gaat nu snel. Het is de laatste dag dat wij de auto tot onze beschikking hebben. Maar eerst naar de b… voor een brood. De jam gaat op, het laatste beetje wordt uit de pot geschraapt. Zo komt aan alles een einde. Voor veel dingen en plaatsen in Pilion is geen tijd meer. Nog een keer terugkomen? Ik denk het niet. En gebeurt het wel dan is het vermoedelijk om ook nog eens plaatsjes als Afétes te bezoeken, tussen Korópi en Afissos. Een lieflijk dorpje tegen de helling aangeplakt, dat vroeger de Slavische Niáou (Sheepfold) droeg en nog een werkende olijfpers heeft, de oude Aghia Giannis-kerk, die in 1802 was gebouwd door Dimos Zapionitis, met een prachtige houten ikonostase en fresco’s aan de muur, maar ook de oude bruggen moeten iets bijzonders zijn. En zo zijn er nog wel meer plekjes om te ontdekken en te bekijken.
We, Tineke eigenlijk, kiezen nu voor een tripje naar de zuidpunt. Een bekende route waarvoor ik de kaart niet meer hoef open te slaan. Net onder Milína stoppen we aan de kust, bij een van de vele vissershaventjes. Iets verderop naar het zuiden liggen de zeiljachten van commerciële clubs en particulieren. Ook zijn hier nog enkele campings gevestigd, om mensen met hun sleurhut of camper een slaapplaats aan te bieden. Ze maken gebruik van de beschutting van het Alatas-eiland in de Ormos Valtoúdi.
Op de flanken van Tissaío-bergen, met de top Korifës (620) worden veel geiten gehouden. En als je verse geitenkeutels – nog niet platgereden door de auto’s – ziet liggen, hoed je dan, neem gas terug, want de kans dat je midden in een kudde geiten terechtkomt is niet ondenkbeeldig. Natuurlijk kun je extra gas geven, omdat je trek hebt in een maaltje verse geit, maar de geitenhoeder zal je dat niet in dank afnemen.
Op weg naar Tríkeri kom je langs Kóttes. Op een zonnige dag even de afslag nemen kan geen kwaad. Dit dorpje helpt mee om de bewoners van Tríkeri van vis te voorzien. Er zijn diverse mooie taveernes aan het water, maar bovenal is het er stil. Een enkeling gooit zijn/haar klosje garen uit in de hoop een visje te verschalken. Aan de waterkant snijdt een man een tonijn in moten.
De katten liggen er loom bij, die hebben hun portie al gehad of weten zich verzekerd van een maaltje, want zij bedelen niet. De meeste toeristen rijden er doorn. De Byzantijnse Aghia Apostoli dateert uit 1800. Hier in Kóttes zijn gebruiksvoorwerpen gevonden uit de Stenen tijd en er staan nog enkele huisjes uit de Romeinse periode.
Nou Tríkeri geloven we wel. We hebben er al twee keer doorheen gereden en doen dat ook nu. Misschien iets voor een herhaald bezoek aan Pilion? Het einddoel is Aghia Kiriakí, aan Ormos Trixeríou. Op de parkeerplaats boven het dorp maakt Tineke een stop en ik wandel zonder vrees en blaam via een pad naar beneden en kom aan de achterzijde van de scheepswerf terecht.
Tineke wacht vol ongeduld op mijn terugkeer. Zij heeft zichzelf op het terras van Manolas een maaltje vis (sardientjes) beloofd. De Fisheggsalade is er niet, wel tonijnsalade, die in de praktijk slechts stukjes tonijn in olie gedrenkt blijkt te zijn. Mijn saganaki wordt een stuk féta uit de oven en versierd met wat tomaat en paprika. Met het drinken zijn we toch bijna twintig euro kwijt voor dit koningsmaal. De restjes zijn voor de kat, die er haar buikje aan vol eet.
Wij proberen de nieuwe weg en moeten daarvoor door Aghia Kirakí laveren.
De hoek aan het begin van het dorp geeft nog wat problemen en daarna is het rustig doorrijden, vooral omdat er geen tegenliggers komen. Passeren is hier niet te doen. Het laatste stuk – bij enkele woningen in aanbouw - is nog niet geasfalteerd voor we bij een parkeerplaats komen, een grote parkeerplaats om de drukte van het zomerseizoen op te vangen. De nieuwe weg is een stuk korter en even later vraag ik aan Tineke om langs de kant van de weg te stoppen. Bij Panaghia-kerk, aan de Paralia Panaghiá.
Een geitenhoeder put hier water voor zijn dieren, die zoals bijna overal vrij rond lopen. Een mager hondje houdt de wacht. De hoeder crosst even later om zijn motor tegen de steile helling omhoog en wij hebben het rij alleen. Met de dieren. Het water is heerlijk warm. De kust loopt snel af. Tineke vindt het heerlijk om te lezen en is daarom al snel weer terug (op aarde).
Ik zwem en zwem, eerst een stukje naar links en daarna terug. Niet te ver gaan, waarschuwt mijn lief. Nee, ik zorg dat ik vlak bij de kust blijf. Ik zeg er echter niet bij dat ik van plan ben om in ieder geval de lengte van het strand af te zwemmen, voorbij het wit geklakte kerkje. De geiten dwalen naar beneden en laven zich aan het zoute water.. Wat heeft het waterputten dan eigenlijk voor zin. Ik zwem verder, langs de rotsen, tot een stuk dat wit is uitgeslagen door gestorte kalk. Nog maar iets verder, op mijn rug, tot ik op een omhoog stekende rots beland. Even de schrik, een lichte paniek zelfs. Maar ik kom er heelhuids vanaf en zwem door, alsmaar verder. Tot de kaap.
Ik hoor fluiten. En nogmaals gefluit. Ik hang tegen de rotsen, probeer er op te klimmen, haal mijn hand open, zo scherp zijn ze. Tineke ziet mij niet, geroep. Ik antwoord dat ik eraan kom. Dan is het goed. Ik steek (althans dat probeer ik) de baai diagonaal over. Net voor het strand verschijnt onverwacht een klein bootje. Waar die zo snel vandaan is gekomen? Ik heb echt geen idee.
Terug bij het beginpunt laat ik me opdrogen in de zon. Wat is dit Griekse leven goed. Maar eeuwig hier blijven? Nee, toch maar niet. Omkleden en terug, lopend langs het kerkje en als we bijna boven zijn komt ook de geitenhoeder al ronkend.terug.
Op de terugweg koop ik bij een kiosk in Milína nog wat water en citroenlimonade. Tineke vindt dat prik maar niets. Onderweg nog even tanken, slechts voor tien euro, zodat de verhuurder ons geen verwijten kan maken. De benzineprijzen schommelen hier wel heel erg. Bij Trikíri zien we een bedrag van 1,63 en even voorbij Kato Gatzéa kun je voor 1,41 al terecht. Bij de meeste plaatsen ligt de benzineprijs euro95 zo tussen de 1,51 en 1.56.
In Kalá Nerá doen we nog een keer boodschappen en zetten daarna de auto weg. Die wordt morgen weer opgehaald. ’s Avonds eten we bij Paris, inclusief welkomstdrank. Tineke kiest voor (een doorgekookte) Briam. Henk eet een arnaki en samen hebben we een taramosalata vooraf. Het toetje? Dat laten we. Of er nog wensen zijn vraagt de Hollandse kelner. Ja, snel de rekening, want Tineke heeft weer een allergische reactie. Dat heeft ze hier wel vaker. Niets ernstigs, maar er zit iets bloeiends in de lucht. En dan loopt ze helemaal vol. Op weg naar ons appartement is dat al weer over. Gelukkig maar. De volle maan komt ook net kijken. Zo zie je maar alles komt weer op zijn pootjes terecht.

3 juli 2010

Balkon van Volos

Deel 19 donderdag 27 mei 2010
Opnieuw vroeg wakker en lezen. Voor ik naar de bakker ga en het ontbijt verzorg. Tineke stelt voor om vandaag de rit naar het noorden te maken. Prima, ik bekijk de kaart en zie dat het niet helemaal nodig is om volledig rond te rijden, langs de oostkust en dan naar beneden. Wel moeten we door Volos rijden. Die door mij uitgestippelde weg is echter niet noodzakelijk. Dat zie ik als we de weg - voor ik er erg in heb – voorbijrijden en zie dat we door rechtdoor te rijden langs het stadion van Olympiakos Volos op de ring uitkomen. Dat is ook goed. Daar zal ongetwijfeld een aanwijzing te vinden zijn voor de weg naar Makrínitsa of Xánia. De aanwijzing Zagorá is ook goed.
We verlaten Iolkos en op de grote weg worden de afslagen prima aangegeven. Daarna heel rustig rijden en de aanduiding (op kleine bordjes) naar Makrinítsa volgen. De berg opent zich voor ons. En dat geldt ook voor het dorp. Dit dorp wordt wel het Balkon van Volos genoemd. Het waarom wordt niet alleen van beneden naar boven kijkend duidelijk, maar ook als je vanuit de top van het dorp je blik langs de woningen naar beneden laat gaan.
Daar ver in de diepte ligt Volos, een compacte stad, die in 1955 door een aardbeving is verwoest en daarna volgens een Amerikaans principe – met rechte elkaar kruisende wegen – weer is opgebouwd. De pier en de havenblokken zijn ook heel goed zichtbaar.
Parkeren op een van de grote parkeerplaatsen buiten het dorp wordt ons aangeraden. Dus wordt de auto snel aan de kant gezet, lopen we langs de Magdalenakerk, door twee bochten en dan… Stop. ‘Zo zijn we nog wel een uurtje bezig’, zegt Tineke. Heel terecht, die opmerking. Het hoogteverschil tussen de benedenwoningen en de top bedraagt maar liefst 350 meter. En dit wandelend afleggen kan toch niet de bedoeling zijn. Voor ons heel ver in de hoogte ligt het centrum. We wandelen terug en halen de auto op. Dichterbij het centrum moet ook parkeergelegenheid zijn. En dat is er ook.
Busladingen mensen worden er hier gedropt. Vooral vrouwen en kinderen. Voor de bussen is zelfs een apart keerpunt ingericht. Op het pleintje, vlak voor je het centrum inloopt, zetten wij de auto neer. We worden bijna naar de Plateia gedragen. Volg het grote aantal souvenirwinkeltjes en je komt vanzelf bij de eeuwig stromende fontein.
De vier leeuwenkoppen op de fontein dateren al uit 1809.
De Magdalenakerk had ik al genoemd, verder zijn er nog kerken voor de Heilige Maagd Maria, Athanassios, Nikolaos en Georgios. De belangrijkste kerk staat naast de oude plataan op het plein. De kerk van Johannes de Dooper, die in 1800 is gebouwd volgens de normen die in Pilion golden. Behalve de oude houten ikonostase is er een prachtige wandschildering, met het hoofd van Johannes op een schaal.
Ook de buitenkant van het kerkje ziet er met enkele schilderingen en versieringen mooi uit.
De zoektocht naar het huis met de wandschildering van Theofilos loopt op niets uit. Vermoedelijk gaat het om de taveerne met de naam van deze schilder afkomstig van Lesvos. Die taveerne is echter dicht.
In het oude patriciërshuis van de familie Topali is tegenwoordig een museum ingericht. Een folkloristisch museum. Toen de familie het huis om die reden aan de bevolking schonk waren er iets meer dan 300 voorwerpen, dat aantal is nu vervijfvoudigd. Je ziet er oude wapens, oude gebruiksvoorwerpen, munt- en papiergeld, kleding meubels, maar ook enkele hedendaagse schilderijen.
Genoeg over Makrinítsa. Door naar Portária, waar we enkele tomaten kopen en enkele bekende kunstwerken zien hangen. Kunstwerken die horen bij een serie, waarvan een deel ook bij Naomi en Martin aan de muur hangt. De prijzen hier zijn ons te gortig, dus we laten ze rustig hangen. Sorry kinders, maar volgend jaar nemen jullie zelf maar iets mee uit Molyvos.
In het begin van de twintigste eeuw was hotel Theoxeni het meest luxueuze en grootste hotel van de hele Balkan. Tegenwoordig heeft Portária een groot deel van haar commerciële glans verloren. Het dorp dankt haar naam aan het klooster van de Maagd Maria van Portareas. Veel van de patriciërshuizen zijn omgebouwd tot hotel op appartementencomplex. Die huizen zijn gebouwd door Grieken die hun land zijn ontvlucht tijdens de Turkse overheersing en hun heil hadden gezocht in Egypte.
We trekken door naar Xánia. We klimmen naar een hoogte van ongeveer twaalfhonderd meter. Links liggen de grote jongens met namen als Pyrgáki (1303), Pliasídi (1547), Aidonáki (1533) en daarachter ligt nog Pourianós Stavrós, ook wel Xefórti genaamd met een top van 1624 meter. Dit is Mount Pilion het gebied van de centaurs.
Xánia is vooral een skidorp, iets ten zuiden ligt de Agriólefkes (1470), met diverse skihellingen. De afslag naar Drákia kom je al eerder tegen en missen we compleet. Als ik dat door heb, heeft Tineke geen zin om weer omhoog te rijden. Het was aanvankelijk de bedoeling om via Drákia naar Agriá te rijden en via dit fruitgebied een plekje langs de kust op te zoeken om te gaan zwemmen. Nu rijden we echter door naar de oostkust naar Makriráchi.
Dit bergdorp staat bekend vanwege haar bloemen; gardenia, magnolia en camelia. Verder is het de toegangspoort naar de stranden van Saránda, Bánikas, Pláka en het beroemde Aghia Ioánnis. Wij moeten echter door en passeren ook Kissós met zijn mooie watervallen en doen ditmaal drie dorpjes van Tsangaráda aan voor we via Miliés terugkeren naar ons appartement. Tineke is het duidelijk zat. Een hele rit, vol draaien en keren. Niet zo gek dus dat het avondeten ditmaal bestaat uit wat brood en een cup-a-soup op de kamer.

2 juli 2010

Bedding

Deel 18 woensdag 26 mei 2010
Het weer is prima als ik opsta, na eerst nog een uurtje gelezen te hebben. Vroeg wakker worden na laat naar bed gaan is geen straf. De gang naar de bakker, die mij al aan ziet komen. Letterlijk (dubbel), figuurlijk. Ach die tachtig eurocent zitten weer in de knip, zoals een bakker in Almere Haven steevast orakelde.
Vandaag gaan we naar het noorden, tenminste dat is de bedoeling. Als Tineke de kaart heeft gezien en weet dat er geen ontkomen aan is – we moeten door Volos - proef ik al snel dat die route tot later order is uitgesteld. Nou ik ben soms wel snel van mijn stuk te brengen, maar slaag er toch snel in om een andere route te fabriceren. Meerdere routes zelfs, en allemaal in zuidelijke richting. Maar ook in oostelijke richting, waarbij Argalastí, de poort naar het zuiden. Op weg naar het oosten nemen we eerst nog een verkeerde afslag, maar zitten daarna al snel op de route, die ons naar de kust voert. De omgeving doet ons aan Kythira denken. Vanwege de glooiing in het landschap, maar ook vanwege de verscheidenheid van flora, met hier en daar wat naaldboombosjes.
Onderweg zien we diverse dode dieren. Ik denk zelfs een dode hond te zien. Een roofvogel pikt een kronkelende slang van de weg. Het beest (de slang) is ongeveer twee meter lang en hangt gevouwen tussen de poten van de vogel. Deze slang kan ons/Tineke geen kwaad (meer) doen.
De mooie route via Gountliká durft Tineke niet aan, omdat de weg onverhard (wel stevig) is. Zij vindt dat je daarvoor in een terreinwagen moet zitten. Het zij zo. Nu rijden we door en bereiken via Kouraíika de kust van Páltsi, waar een mooi strand is. Voor ons komt dat nog te vroeg we rijden door en moeten een bergstroompje oversteken. Heel gewoon voor Grieken, maar het is toch weer even slikken. Hier moet je heel geleidelijk doorrijden. Niet ineens gas geven, want de kans dat je dan weg slipt is zeer aannemelijk. Aan de overkant van heet watertje staan allerlei woningen en de bewoners maken deze gang dagelijks. Ik vraag mij af of zij dat ook doen als het stroompje zijn lieflijkheid kwijt is en doldriest van de heuvels richting zee dendert.
Iets verderop wordt de weg weer onverhard en omdat ik een bordje met acht kilometer naar Katigióris ben tegengekomen – en niet weet waar dat ligt – besluit Tineke om te keren. Later vertelt de kaart mij dat dit vissersplaatsje heel eenvoudig bereikt had kunnen worden.
Het plaatsje ligt tussen rotsen met verscholen strandjes. Paardenliefhebbers gaan hier veelal naar toe om een paard te huren en door de pijnboombossen te rijden. Maar eerst kom je dan nog in Mortiás, met zijn bijna rode rotsen, waar ook al diverse (ongestoorde) zwemmogelijkheden zijn.
Wij laten het aan ons voorbijgaan en rijden terug naar Argalastí en zakken nu door naar Lafkos. Hier maken we een korte stop voor wat drinken en rijden daarna door naar Plataniás. Veel toeristen gaan hierheen voor het Mikrostrand, dat er ditmaal verlaten bijligt.Om tien uur ’s morgens vertrekt hiervandaan een boot naar Skiathos en keert aan het eind van de middag weer terug. Volgens de kaart is er ook een oversteek naar Evvia mogelijk.
In de haven ligt een grote vissersboot, waarop de was hangt te drogen. Dit is een van de schuiten waarop vissers uit Mediteranesische landen (vooral Egyptenaren) aanmonsteren en die de zeeën van Griekenland leegvissen. Tot verdriet van de kleine schnabbelaar, die hier al bijna niet meer te vinden is. Onder een groepje bomen maken wij een broodje met tomaat soldaat en keren terug noordwaarts om ergens een plekje aan een strand te veroveren.
We rijden terug via Lafkos naar Milína, maar naar dat strand gaat onze voorkeur niet uit. Het liefst een baai, maar daar zijn er hier in het westen van Pilion niet veel van. Hórto – met zijn openluchttheater en oude visserswoningen - rijden we voorbij. De afslag naar Páou missen we en dan maar naar Kálamos.
Dit is een lieftallige gemeenschap vol vakantiehuisjes, helaas voor ons is er geen parkeerruimte langs de smalle strandweg. Laat staan dat er een parkeerplaats is. Een plek die daarvoor kan doorgaan is afgesloten. Iets verderop is nog een stuk strand, bij een doodlopende weg. We steken een bruggetje over en belanden tussen de huizen. En dan ineens – uit het niets – de woorden ‘No Parking’. We gaan niet door tot het eind en draaien bij de eerste de beste gelegenheid en zien het strand niet. Het is niet de laatste kans op strand. Boven Argalastí ligt bijvoorbeeld de afslag naar Lefókastro.
De weg kronkelt naar beneden en bij het strand is ook voldoende parkeerplek. Aan de linkerkant en het middenstuk van het strand liggen diverse mensen. Rechts – iets minder mooi – bij de rotsen is vrij. Het zand is bezaaid met rotzooi. Tineke rolt haar matje uit en heeft er daardoor nauwelijks last van. Ik leg mijn badlaken neer en we gaan te water.
Ik zwem een tijdje langs de rotsen tot ik bij een plek kom waar een woning boven de rotsen staat. Een pad daalt af naar het water en de bewoners hebben er zelfs een romantisch zitje gecreëerd. Nee, aan land ga ik niet. Het is tijd om terug te zwemmen en nog een tijdje te zonnen, waarbij ik in slaap val.
Verbranden? Gelukkig niet. Via de strandweg rijden we door naar Afissos en doen in Kalá Nerá nog wat boodschappen. Ik wandel nog even naar Enalion voor een mailtje en het laatste nieuws.
Tegen negenen wandelen we naar het dorp, waar een gezellige zomersfeer hangt. Bij het industriegebouw wordt hout verbrand. Het vonkt lekker handig in dit hete klimaat, waar een bosbrand snel uit de hand kan lopen. We eten bij Nirvana. Tineke eet een spaghetti.Henk een tzoutzoukakia en we hebben er rode bieten bij, op de groene bietensla. Het eten is er zoals altijd goed, de bediening ver beneden peil en de sfeer – omdat wij aan het water zitten – goed.
Van afstand zie ik dat Robin van Persie scoort tegen Mexico. De tweede helft maken wij niet meer mee. Gelukkig is Naomi er om ons (via sms) op de hoogte te houden van de 2-1-zege.

30 juni 2010

Sirtaki

Deel 17 dinsdag 25 mei 2010
Vandaag staat een bezoek aan de oostkust op het programma. Waar Pilion de Aegische Zee raakt. Maar de dag begint met de gang naar de bakker en het ontbijt, vervolgens de vaat en een donkere was. De laatste donkere was voor mij hier in Kalá Nerá.
Tineke neemt haar BOX 5837 in ontvangst, opnieuw een rode Gertz, duidelijk minder getekend en zelfs met - op de achterruit - een sticker van het verhuurbedrijf Union Rental.
Nog even de laatste dingen op ruimen, bed opmaken en daarna kunnen we op pad. Zwemspullen mee, voor je weet maar nooit. We hebben bovendien niet voor niets hier in Griekenland nog snel zwemschoentjes aangeschaft. Die moet je dan toch een keer gebruiken.
Maar goed naar het oosten dus, eerst afzakken langs Korópi en Afétes en daarna bij het grote kruispunt links aanhouden, rechtdoor rijden vind ik ook prima. We rijden naar Neochóri en - het wordt soms eentonig als je vaak naar Griekenland gaat - kom je vanzelf de bewijzen van natuurbranden tegen. De bodem heeft zich al weer hersteld en het is soms een wonder als je ziet dat de ene boom wel is gespaard en de ander niet. Woningen schijnen soms in vlammen op te gaan, maar daar kunnen we hier niets van ontdekken. Terwijl twee jaar geleden ook delen van Pilion een grote vuurmassa waren. En mensen uit het midden van Pilion zijn geëvacueerd naar Volos.
Neochóri rijden we voorbij. Hier in de buurt zijn veel bedrijfjes die hun geld verdienen met de verkoop van leisteen. Het plaatsje zelf staat hierom ook bekend maar ook vanwege het in terrassen(hoogteverschil) opgedeelde plein. Het eerste zien we, het tweede laten wij aan ons voorbijgaan.
In de buurt van Kalamáki staat een Nederlandse camper op een parkeerplaats. Tineke stuurt haar auto erachter en we maken een kort praatje. Nederlands met een pensioentje trekken er steeds vaker opuit. Zes weekjes toeren. Via Igoumenitsa Griekenland inrijden, langs het noorden via de oostkust en de Pelopónesos weer omhoog door naar Epirus naar het startpunt. Wij zien voor de kust een stukje van de Sporaden liggen. Dit moeten Skiathos en Skopelos zijn. Wat was het heet, toen wij op Skiathos zaten. Geen eiland waar we snel naar zullen terugkeren of het moet zijn vanwege een bezoekje aan Alonissos, ook al zo'n apart eiland. Groen, met heel veel vriendelijke mensen.
Na een extra rondje - langs Kalamáki - stuur ik Tineke de goede weg op naar Lambinoú. Hier moeten we wat drinken kopen. Maar we zijn er al voorbij voor we er erg in hebben en passeren het klooster van Panaghias Lambidónas. Volgens een legende is hier een boot gered. In een vreselijke storm geraakt leidde een goddelijk licht het scheepje tussen alle ondieptes en rotsen door naar de baai. Als dank voor die steun bouwde de kapitein dit kloostertje. Het is deels gerestaureerd, maar nog niet klaar.
Voor Tineke een reden om niet te stoppen en door te rijden naar die baai, waar zij pootje baadt en anderhalf uur lang de zon op zich laat inwerken. Ik ga onder. Wel koud, maar ik houd het toch minimaal een halfuur vol. De waterschoentjes krijg ik niet aan. De hoge wreef speelt mij parten. Het walsen over het grind is pijnlijk, volgende keer toch nog maar eens die schoentjes proberen.
Tijd om te vertrekken naar ons hoofddoel Tsagkaráda. Eigenlijk zijn dit vier dorpen. Aghia Kiriakí, Aghia Stéfanos, Aghia Paraskeví en Taxiárches. In het laatste deel staat een ongeveer duizend jaar oude plataan naast een eeuwig spuitende fontein. Maar ja waar is dat ding. Ongetwijfeld op het plein, maar dat staat nergens aangegeven. Op zoek naar water slaan we af en komen bij de kust.
Mylopótamos heet het hier. De weg houdt op. Er zijn hier een prachtige stranden. Nee, alleen ben je daar niet. Wij eten bij Angelika op het terras, dat boven een tien meter diepe afgrond zweeft. En stampen op de houten vloer mag ik niet. Want er liggen enkele verrotte dikke balken. Onder mijn voeten. Ons maal bestaat uit tzatziki en worstjes, plus een niet bestelde xoriatiki. Maar er wel voor betalen. Hoe dat zo komt, gewoon de Griekse toevoeging bij de worstjes klinkt bijna als het woord voor de Griekse salade. Omdat we aan eten toe zijn, komt het toch wel op.
Op pad maar weer. De ruim duizend jaar oude plataan in Aghia Paraskeví - meer dan veertien meter dik volgens de overlevering - zien we ook niet. Wij rijden terug. Tineke moet tanken, draait netjes het station, maar de Griek die achter ons rijdt heeft andere bedoelingen. Hij moet ook tanken en steekt zijn auto voor die van Tineke naar binnen. Ja niet iedere Griek neemt overal zijn tijd voor. Zet een Griek achter het stuur van een auto en hij verandert in een snelheidsmonster. Zelfs de doodgraver heeft hier haast en jakkert ons - vlak voor een bocht - voorbij. Nee de doden zelf hebben geen haast.
We rijden via Miliés terug en doen in Kalá Nerá boodschappen. Vullen wat vocht aan en nemen vleeswaren mee en sap voor het ontbijt mee. '
's Avonds gaan we om een uur of negen naar Pagasitikos. Daar is het hartstikke druk. Een bus met Grieken zit hier binnen. De bus niet, maar de bejaardenclub wel. Voor een ander Hollands stel wordt er nog een tafeltje gehaald en wij kunnen even later plaatsnemen op een leeg gekomen plekje. Dat is het voordeel als je niet al te vroeg gaat eten. Ik kies voor een melitsanasalata (vooraf) en een Kleftiko, Tineke neemt de lambstifado.
De oudjes zorgen voor veel reuring. In de goede betekenis. Zij vragen om muziek - als hun eten is verorberd en dansen de sirtaki. Niet het bekende sirtakinummer maar de muziek. Steeds weer, in andere samenstellingen. Vooral de vrouwen houden zich hiermee bezig. Een enkele man laat zich verleiden tot een dansje, tot een macho de dansvloer betreedt en als een stier de vrouwen probeert te verleiden. Wij genieten. Tineke heel zichtbaar, en zij ondergaat de avances van een Griek. Het wordt vanzelf laat en het is toch tegen twaalven dat wij teruggaan. Pas nadat Henk een tweede Fischer naar binnen heeft laten glijden.