21 juni 2009

Olijfolie

Zaterdag 23 mei 2009
Ik ga naar de bakker. Een vertrouwd ritueel. Die is op zondag dicht, meldt de bakkersvrouw nog maar eens. Ik heb daar al rekening mee gehouden en neem voor twee dagen brood mee. En doe het ’s morgens rustig aan. Tineke zorgt ervoor dat zij ‘haar auto’ op tijd ophaalt.Geen telefoontje dus ditmaal, dat de auto klaar staat. Zij krijgt haar vertrouwde kamikaze mee. Driemaal Raema wordt door haar teruggebracht tot een keer Raema. De 5 en de 4 van het nummerbord KMK5427 is samen 9, de maand waarop onze jongste is geboren. Inderdaad ook nog eens op de 27ste. Denken jullie eraan? Aan een kaartje voor onze paardrijdster. Ze heeft het toch al moeilijk genoeg met die pakpaarden.
Bij My Car heeft Tineke nog een ontdekking gedaan. Er zit een barst in de spiegel. Aan de bestuurderskant. Of daar even een aantekening van kan worden gemaakt. Die barst zat er trouwens niet in toen zij de Astra afleverde.
We rijden vandaag naar Oítilo. Gelegen boven de baai van Oítilo. In de diepte, aan het water liggen Karavostási, Neo Oítilo en Liméni. Op de tegenoverliggende heuvel staan de muren van een oud fort nog overeind. Kelethá, gebouwd door de Turken, voor de huisvesting van een groot leger. Maar tegen de Mánioten zijn zij niet opgewassen.
Net voor de ingang van Oítilo is een steenhouwerij gevestigd. Hier worden beelden gehouwen, niet alleen voor de toeristen maar ook voor de bevolking. Bustes, hoofden en andere versierselen voor in en buiten de woning. Tineke parkeert de auto aan de buitenzijde van het dorpje. We bewonderen een fraaie woontoren. De bewoonster is terecht trots op haar huis. De woontorens worden nog steeds gebouwd. Uiteraard zijn ze nu wel van alle gemakken voorzien. Worden de ingangen niet meer verstopt tegen overvallers. En wordt er niet geheimzinnig meer gedaan over de (woon)indeling. Met die indeling hoopten de bewoners vroeger overvallers om de tuin te leiden, zodat ze of een veilig heenkomen konden vinden, dan wel hun aanvallers in de rug konden treffen.
We volgen niet de doorgaande weg door het dorp, maar nemen een route binnendoor. Op het grote plein staat een gedenkteken. Voor de slachtoffers van een grote ramp die de Máni deed beven. Het dorp heeft toen steun gekregen uit een Frans dorp en de burgemeester uit die gemeente legt samen met het bestuur van Oítilo in 1991 deze steen.
We dwalen door het dorp. Op zoek naar de weg naar het beroemde Dekoulouklooster. Pas als we weer in de auto zitten, zie ik een verwijzing naar het complex. We volgen de weg en even later staan we door de dichte deur. Er is geen mens te bekennen. Toch is het bewoond. Een hond houdt de wacht. In de kerk van dit klooster bevinden zich fraaie fresco’s, uit 1765. Toch dankt het klooster daar niet zijn bekendheid aan. Nee, hier heeft een ontmoeting plaatsgevonden tussen Mánioten en de Russische broers Alexis en Theodore Orlov, die hun diensten aanbieden in de strijd tegen de Turken. De vergadering levert niet het verwachte resultaat op. Het werkt zelfs averechts. De Turken roepen de hulp in van Albanezen en versterken zo hun macht.
Op de terugweg komen we weer door Thalámes. Hier is de doorgaande (asfalt)weg al enige tijd opgebroken. Steentje voor steentje komen er sierstenen voor in de plaats. Midden in het dorp parkeren we voor een taveerne.Aan de overkant van de weg ligt de olijffabriek Moreo. We kopen een flesje olijfolie en ik wandel het magazijn in. Daar staan de persen werkeloos. Gewoon de tijd van het jaar. Hoog opgestapeld staan de volle blikken met olie. Soms gemixt met kruiden om er een speciale smaak aan te geven.Langs de kant van de weg wordt honing verkocht. Tineke neemt een pot mee, plus nog een flesje olijfolie.
In Nomitsí, iets verderop, stoppen we weer.Ditmaal om een paar oude kerkjes te bezichtigen. De deur van de Anargyoi-kerk mist het bovenste paneel. Ik loop eerst een stukje terug naar de Agia Giorgios-kerk uit de elfde eeuw. De fresco’s ontbreken niet, terwijl de kolommen versierd zijn. Terug naar de eerste kerk met zijn stenen altaar.De naam van de kerk kan worden vertaald als ‘zonder zilver’. De wandschilderingen zijn zwaar beschadigd en door het ontbreken van een deel van de deur heeft het daglicht vrij spel en dat doet het inwendige ook geen goed. Dit kerkje, gebouwd in de dertiende eeuw, heeft zijn beste tijd gehad. En er moet echt iets gedaan worden, om de huidige staat te behouden. Maar wie neemt het initiatief? Het instituut kerk niet. Dat is duidelijk.
Wij besluiten naar het strand te gaan en kunnen terecht bij de rots. Na het zwemmen en opdrogen worden we aangesproken door Stefános, een vriend van de familie Dimitréas, die zich afvraagt waarom Nederlanders hun geld naar landen als Frankrijk, Italië en Griekenland brengen. Ze hebben zelf toch alles: ‘vrouwen en drugs’. We moeten vooral de groeten doen aan Fotini. De dochter des huizes. Als we dat doen reageert ze bijzonder eigenaardig. Ja, ze kent hem wel. En een vriend des huizes is het ook. Ja, ja.
Maar voor de groeten doen, eerst nog een mailtje opstellen voor het thuisfront. Vanuit Stoúpa, waar de ietwat louche ogende eigenaar van het internetcafé ligt te slapen op een bank. Tineke doet in die tijd snel wat boodschappen bij de buren, waarna we terugrijden naar Várdia.
Terwijl we met Fotini aan het praten zijn laat ik de tas met de honing en de aan de straat gekochte olijfolie vallen. De fles olijfolie is stuk. Ik wil de zooi zelf opruimen, maar dat doet Mariána voor mij. Tegen de schrik drink ik een Classe Royale op ons balkon.
’s Avonds eten we bij Perivólis. Bij een eerder bezoek was hier geen enkel tafeltje bezet en zijn we maar doorgelopen. Nu zit er veel volk. Zij horen bij elkaar. Zitten echter wel verdeeld over tafels, steeds met een man of negen. Nou ja man, vooral veel vrouwen. Ik bestel briam en Tineke rundvlees met stukjes paprika en tomaat. Als toetje krijgen we cake met chocoladesaus.Een violist zorgt voor wat extra sfeer. Later loopt hij ook elders in het dorp. Het voorafje, een auberginedip, wordt gelijk met het hoofdgerecht geserveerd. Alles gaat hier in hoog tempo. Het eten is goed, maar terugkeren?
Ja voor ons wel, naar Várdia. Via de weg. Tineke heeft even genoeg van slangen.Ik lig om half elf plat.

20 juni 2009

Droom

Vrijdag 22 mei 2009
Om zes uur op. Snel het ontbijt maken. Tineke helpt bij de afwas, want we moeten om tien voor half acht al op het plein zijn. Voor onze reis naar Olympia. En we halen dat ruimschoots.
Ondanks een klein oponthoud. We nemen de trap naar beneden.Buiten het terrein van Várdia liggen nog enkele treden en daarna moeten we door wat ruiger terrein, vol stenen, zand, bladeren. Een slangetje steekt het pad over. Onder mijn voeten? Achter mij. Voor Tineke, die de schrik te pakken heeft. Geen gifslang. Maar weet-ie dat zelf wel? Snel door met kloppend hart.
Op het plein ontmoeten we Johan en Ankie, een Fries koppel dat wij op onze reis naar Monemvásia ook al hebben ontmoet. Zij verblijven in Skardamóula, bij het restaurant met dezelfde naam. We trekken een groot deel van de dag met hen op.
Aanvankelijk is het de bedoeling dat de laatste deelnemers, uit Koróni, zich bij het busstation van Kalamáta bij ons voegen. Daar staat ook een korte koffiestop gepland. De plannen zijn echter veranderd. Nu stoppen we bij Gardénia, waar zij door taxi’s worden afgezet. Het is een ongezellig punt. Zo ongezellig dat er bijna niets anders op zit dan om even iets te drinken. Voor een kleine wandeling is het hier langs de doorgaande weg te saai. Het fototoestel blijft in de tas.
Op onze reis, westwaarts naar de Ionische kust, worden we enige tijd vergezeld door spoorrails. Enkelspoor. Soms over hoge bruggen. De trein die daarover rijdt, moet rijden, sjokt langzamer dan de bus. Misschien is de trein daarom niet zo’n populair vervoermiddel.
Ook nu zien wij weer de gevolgen van branden op de Pelopónnesos. Branden van ongeveer anderhalf jaar geleden. Voor Zacháro zijn de gevolgen zwaar. Het zorgt voor grote veranderingen. En niet alleen in de natuur. Veel mensen verdienen aan de olijfoogst. Maar daar is niets meer van over. Hier en daar is begonnen met het herplanten van olijfbomen.Maar voor die bomen vrucht dragen zijn we jaren verder. De olijfindustrie in dit gedeelte van het land heeft een geweldige opdonder gekregen. Minder export van olie en bijproducten. Geen inkomsten en dat voor een langere periode. De vraag is bovendien of ieder slachtoffer het beloofde zoethoudertje heeft ontvangen. En als er al iets is uitgegeven, hoeveel dan? Is er niets aan de strijkstok blijven hangen?
Niet alleen de olijfindustrie heeft klappen gekregen. Ook de honingverwerkers hebben tikken gekregen. De lage vegetatie herstelt zich echter stukken sneller. Je ziet al weer veel wilde bloemen terug. Bloemen waar de bij zijn voedsel uithaalt. Voedsel dat in de bijenkasten van de imker op de raten wordt afgezet.
Een andere vorm van industrie begint zich in dit gebied te ontwikkelen. Toerisme. Niet zo gek met een lange kust bij de hand. Appartementencomplexen worden in rap tempo gebouwd. Een militairvliegveld wordt omgebouwd voor de burgerluchtvaart om al die toeristen straks in te kunnen vliegen. Maar nu nog niet. Want ook Griekenland heeft last van de crisis. Mensen houden de hand op de knip. Gaan niet op vakantie. En gaan ze, dan blijven de meeste mensen in hun eigen land.
Bij het naderen van Olympia neemt de spanning in mijn lijf toe. De jongensdroom wordt werkelijkheid. De droom van kleine Henkie. De droom om een keer in mijn leven op de heilige grond van Olympia te kunnen staan.De grond waar duizenden jaren geleden de Olympische Spelen zijn begonnen. En ik ben niet alleen. Duizenden mensen stromen toe. Iedere dag weer. In bussen. In auto’s. Taxi’s staan in rijen geparkeerd.
Olympia, het dorp Olympia, teert op de zak van de toerist.Zonder de toerist geen Olympia. Zonder de Spelen geen Olympia. Zonder de goden geen Olympia.
Want Olympia is ooit gebouwd als een eerbetoon aan Zeus, de oppergod. Zijn tempel stond hier opgesteld. Naast de tempel van zijn gemalin Hera.Over het ontstaan van het gebied en de Spelen doen diverse verhalen de rond. Zo zou de landstreek zijn ontstaan toen Heracles de loop van de rivieren Alphaeus en Peneus veranderde om het vijfde van zijn twaalf werken te kunnen voltooien. Het reinigen van de Augeïas-stal. Heracles werd daarna verbannen uit Elis. Heracles nam wraak door de koning te doden en stichtte ter ere van Pelops de Spelen. Aan de bron van de Donau haalde Heracles een wilde olijfboom, omdat er hier geen schaduw was. De winnaars van de Spelen werden vervolgens gekroond met een tak van die boom.
Een ander verhaal gaat over de kindertijd van Zeus. De Kureten zorgden voor hem op Kreta. Later verhuisden zij naar Elis en hun onderlinge hardloopwedstrijden waren het begin van de Spelen.
Nog een mythe. Koning Oiromous wilde voorkomen dat zijn dochter Hyppodamia zou trouwen omdat er was voorspeld dat zijn schoonzoon hem zou doden. De koning schreef wagenrennen uit. De menner/eigenaar van het vierspan dat zijn paarden zou verslaan, kreeg de hand van de dochter. Oiromous had een vierspan dat zo snel was als de wind. De huwelijkskandidaat was bovendien in het nadeel omdat hij Hyppodamia mee moest nemen op zijn span. Dertien keer had de uitdager verloren. En daarmee ook zijn hoofd, want dat ging er meteen aan. Pelops de zoon van Tantalus vroeg aan zijn minnaar Poseidon om een span gevleugelde paarden en wist de menner Myrtilus te verslaan.
Veel rond het ontstaan van de oude Spelen is een mysterie. Wel is duidelijk dat de eerste Spelen in 776 voor Christus zijn gehouden.Slechts een hardloopwedstrijd over een afstand van 192 meter, zeshonderd Dorische voet, de lengte van het stadion. Pas 52 jaar later kwam er een onderdeel bij. Diaulos, de loop over tweemaal de lengte van het stadion. Vier jaar later kwam er een duurloop bij en in 708 voor Christus werd de eerste pentathlon gehouden. Langzaam maar zeker werd het programma verder uitgebouwd, met bijvoorbeeld wagenrennen en boksen. Maar er was ook ruimte voor culturele onderdelen. Alleen Grieken mochten aan de Spelen meedoen. De Griekse staten verklaarden de Spelen heilig, zodat er tijdens de Spelen geen oorlog gevoerd mocht worden. De staat Sparta kreeg opdracht om daar op toe te zien.
Lange tijd krijgen de winnaars alleen een palmtak. Later komen er professionele sporters aan de start. Vaak ingehuurd door een staat, of familie. De eerste winnaars komen allemaal uit Elis. Daarna komen ze ook uit andere delen van de Pelopónnesos. Winnaars komen vervolgens ook uit Griekse gebieden in West-Azie en tenslotte ook uit de westelijke staten. De namen van de eerste winnaars zijn niet bekend, wel waar zij vandaan komen.Vrouwen mogen niet aanwezig zijn. Waarom niet? Ik weet het niet, maar het heeft niets te maken met het feit dat de deelnemers volledig naakt zijn en ook de toeschouwers zijn ongekleed. Waarom dat? Ook daar heb ik geen verklaring voor.
Toch is er altijd minimaal een vrouw aanwezig. Een priesteres van Demeter, de godin van de landbouw.Voor haar staat aan de linkerzijde van het stadion een troon, recht tegenover de plaats van de juryleden. En er hebben wel degelijk vrouwen meegedaan. En gewonnen zelfs. Alleen de eer kwam altijd toe aan een ander. Zij menden het span paarden namens hun heer of vader. Zoals Cynisca, de dochter van koning Agesilaus II van Sparta, die zowel in 396 als 392 voor Christus het wagenrennen won. Een paar jaar eerder was de weduwe van een balling uit Rhodos als trainer verkleed aanwezig. Zij wilde haar zoon zien boksen en toen hij won sprong zij uit enthousiasme over de omheining. Daarmee verraadde zij zichzelf. Omdat haar man en vader ex-winnaars zijn en er ook anderen uit haar familie grote prestaties hebben geleverd, komt zij er zonder straf vanaf. De trainers moeten echter vanaf nu ook naakt aanwezig zijn.
In 394 na Christus verbiedt de Romeinse keizer Theodosius de Spelen. Niet alleen die van Olympia, maar alle spelen die in het Romeinse keizerrijk worden gehouden. Mede daardoor raakt het terrein in Olympia, waar ook trainingsgebouwen en faciliteiten voor toeschouwers staan, in verval. Zelfs de plaats waar de Spelen zijn gehouden verdwijnt. Verdwijnt uit het geheugen van de mensen. De Brit Richard Chandler ontdekt in 1778 bij toeval de exacte locatie van Olympia.In 1829 gaat een Franse groep onderzoekers tevergeefs graven. In 1874 sluiten Griekenland en Duitsland een verdrag over de opgravingen, die onder leiding van professor Ernst Curtius tussen 1875 en 1881 plaatsvinden. De resultaten van die opgravingen worden gepubliceerd en tegenwoordig zien wij er iets van terug. Want er worden nog steeds ontdekkingen gedaan. Op het terrein zelf, en in de nabijheid.
Net naast het oude Olympia staan twee musea.De een vrij te bezichtigen. Voor de ander moet worden betaald. Een vroegere burgemeester van Olympia, Angelios, leidt ons rond over de oude locatie en door een van de musea. De akoestiek is slecht, zodat onze gids moeilijk is te verstaan. Zijn woorden gaan bovendien verloren in het geschreeuw van kinderen. Gelukkig ken ik een deel van het verhaal van Olympia.
Zoals het feit dat de vrouwen op een zeker moment hun eigen Spelen krijgen, uiteraard gewijd aan Hera. De tempel van Hera is vermoedelijk het eerste monumentale bouwwerk dat in het gebied verschijnt. Nog voor de tempel van Zeus. Helaas is de vrije tijd te kort om de betekenis van alle restanten van gebouwen na te gaan. Ik wil zoveel mogelijk vastleggen. Voor ‘Ik ben er geweest.’ Het is bijna een race tegen de klok. Een race die begint voor de poorten van het stadion.En als dan ook nog eens de batterijen van het fototoestel moeten worden vervangen, dan wordt de tijd wel heel erg krap. Maar ik moet het niet vergeten. Ik ben hier niet alleen. Ik ben hier met velen. Ik ben hier met Tineke, die haar eigen toestel rijkelijk laat klikken. En haar toestel gebruik ik weer in het museum. Omdat ik daar toch niets kan horen.
Tussen het bezoek aan de oude plaats en het betaalmuseum happen we een tosti weg en na het bezoek peuzel ik een crêpe met feta op. Tineke heeft voor een drankje gekozen. En daarna begint de terugweg. Eerst weer naar Gardénia. En vervolgens naar Kardamíli. Het meegenomen boek blijft onberoerd in de tas. Dat geldt ook voor mijn schrijfblok. Ik laat de indrukken wegzakken. En schrijf pas veel later.
Tineke verwerkt haar eigen indrukken. Wil op haar berg blijven.Ik koop in het dorp twee pizza’s. Slaap al om acht uur. De pizza’s blijven onberoerd in het vriesvak liggen.

19 juni 2009

Show

Donderdag 21 mei 2009
Naar beneden, naar de bakker en extra brood meenemen. Voor morgenochtend, omdat ik dan geen tijd heb om brood te halen voor ontbijt. Vanwege een excursie naar Olympia. Dan moeten we weer vroeg op. Nu niet.We hebben geen grote plannen en dus kan Tineke weer een uurtje gaan hardlopen. Onder de Griekse zon. Zelf lees ik, probeer me te ontspannen.
Na het middaguur verlaten we Várdia. Doen een poging om vanuit Kardamíli een stukje door de Viróskloof te lopen. Geen geslaagd experiment.Allereerst valt het niet mee om een begaanbare toegang te vinden. Daarna lopen we misschien tweehonderd meter over de hobbelige bodem. De witte bijna ronde keien liggen bijna lange na niet allemaal vast. Een bron ligt er op 3,5 kilometer. Dat halen wij nooit heelheids en wij besluiten al snel om maar via dezelfde route terug te keren. We klimmen nog voor de brug bij het dorp weer naar de veilige oever. Zonder struikelen. Zonder vallen. Heelhuids terug.We lopen een stukje noordwaarts over de hoofdweg en besluiten het bordje Melitsina te volgen. Tineke wil mij een stuk van de route laten zien, die zij rennend afloopt. Dat is niet dit stukje weg. Deze weg kent zij ook niet.We komen langs het politiebureau en de weg eindigt bij de kust, bij de taveerne Gialos. Hier slaan we rechtsaf. Langs de kust staan diverse campers. Die zie je op de eilanden minder vaak, campers. Maar op het vaste land is het een geliefd vervoermiddel voor toeristen. Die zich vervolgens op het strand proberen te vermaken.Een hele dag in de zon liggen. En zo nu en dan, heel kort, het water in. En tussendoor uiteraard een terrasje pakken.
We wandelen voorbij het Beachhotel. De weg eindigt bij een appartementencomplex. Het complex wacht op zijn bezoekers. Die zijn nu nog niet welkom. Een hek verspert ons en eventuele gasten de weg.We moeten terug. Dat heeft Tineke ook al aangegeven. Bij een taveerne slaan we af. Iets verderop gaat de weg stijl omhoog. Maar eerst een broodje tomaat.
Onderweg hebben de gelegenheid om nog een keer af te buigen van onze route. Een wandelroute die doorloopt naar Málta. Daar zijn we tien jaar geleden geweest. De luchtdoop voor Tineke. Of vergis ik me nu heel sterk. Heeft dit Málta niets met het eilandstaatje van doen?
Ik ga het niet uitvogelen. En volg trouw mijn partner. In de bergwand links ontdek ik meerdere holen.Sommige grotten worden gebruikt voor de opvang van dieren. Andere gaten dienen als opslagplaats. Rechts van de weg klingelen de bellen van geiten. De geitenfarm zelf is nergens te vinden.
De weg gaat glooiend naar beneden. Mijn knie steekt. Toch loop ik door. Even kijken in de souvenirshops, die hier niet veel voor stellen. Er wordt beweerd dat het toerisme in Kardamíli een grote vlucht neemt. Ik kan dat niet ontdekken. Niet beamen. De meest bijzondere zaak wordt gerund door een Duitssprekende dame. Die is nu gesloten. Ze opent vanavond weer haar deuren. Doet het op zijn Grieks. Op het heetst van de dag dicht.
Via de weg wandelen we terug naar Várdia. Waar we rustig aandoen. Op het balkon drink ik een Henninger Lager. ’s Avonds gaan we uit eten, bij Kiki. Maar eerst stoppen we bij het plein. Een reuzenslang ligt daar loom als blikvanger van een theatershow voor kinderen. Oei, hij beweegt richting Tineke. Twee meter scheiden slechts.Zij verblikt of verbloost niet. ‘Hij krijgt voldoende te eten.’
Wij ook. Choriatiki vooraf en stifado voor mij. Tineke kiest voor geit en krijgt daar groente bij in plaats van de slappe zoutloze patat, die bijna overal en bijna alles wordt geserveerd. Nee geen toetje voor ons. Bij Kiki zitten onze buren uit het appartement. Met twee verveeld kijkende pubermeiden. Zij zijn al weg als wij ook opstappen. We maken nog even een tussenstop op het plein. Voor het einde van de voorstelling. Een goochelaar tovert een wit konijn uit de zak. Kinderen joelen.De centenbak van Theater Zoon gaat rond. Vooral bij de ouders, die zich - op gepaste afstand - rond het plein hebben genesteld. Ik hijs me omhoog, 163 treden. Benny Lie, mijn fysiotherapeut, mag op mij trots zijn. Ik ben het niet. Mijn knie steekt meer en meer. Om half elf gaat mijn bedlampje uit.

18 juni 2009

Pakpaarden

Woensdag 20 mei 2009
Ik ben vroeg wakker. Al om een uur of vier. Voor het eerst deze vakantie. Net een klein kind die voor het eerst op schoolreisje gaat. Tineke heeft de wekker van haar GSM en de gewone wekker gezet. Op zes uur, omdat we om half acht worden opgehaald op het plein. Voor de excursie naar Monemvásia. En bij een excursie hoor je niet te laat te komen.
Dat zijn we ook niet. Het pleintje in Kardamíli is de eerste stop voor de bus van de bus van Doufexis Travel. De bus die wordt bestuurd door Giorgos. Terry, een gepensioneerde Engelse ingenieur, zorgt voor de begeleiding. We halen nog mensen op bij Kalamitsi en bij een drietal haltes in Stoúpa. De meeste deelnemers aan deze rit komen uit Nederland. Verder zijn er nog Fransen en Engelsen aan boord.
De gids legt snel en zakelijk uit wat we vandaag gaan doen en vertelt daarna iets over de geschiedenis van enkele dorpjes waar we doorheen komen. Bij Agios Nikonas denk ik gelijk aan een of andere heilige, maar dit dorpje is gesticht door een voormalige piraat, die ook zijn naam aan het gehucht heeft gegeven. Oítilo heeft eveneens een band met piraten. Veel Mánioten waren overigens vroeger piraat. Zij brachten hun slaven hier aan land. Jules Verne schreef over Oítilo als ‘Groot Algiers’.Oítilo was ooit de hoofdstad van de Máni, zover je van een hoofdstad kunt spreken. Later ging die titel over naar Tsimova, zoals de Slavische naam van Areópoli luidt. Maar eerst nog iets over Oítilo. Het lag op de route tussen noord en zuid en oost en west. De Turken bouwden er daarom hun eigen fort: Kelafa. Aan de baai Ormos Limeriou liggen verder de plaatsen Karavostási, Neo Oítilo en Liméni. Aan de zuidkant wordt gebouwd aan prachtige toeristencomplexen. Geheel in de oude stijl als een versterkt fort.
Tijd om te stoppen.In Areópoli. Hier is iedere zaterdag markt. Maar het is nu woensdag, dus daar zien we niets van. We hebben ook maar een half uur. Net genoeg voor een bak koffie en de gang naar het toilet. Of wat ook een mogelijkheid is, snel even wat foto’s maken. Dat doen wij dus rond het grote plein. Dat wordt gedomineerd door het vrijheidsbeeld dat ter ere van Mavromichalis en het begin van de opstand tegen de Turken is geplaatst. Op de plaats waar die vrijheidsstrijd begon. Op 17 maart 1821.Petrobey Mavromichalis plant op die dag de Griekse vlag. Zijn troepen trekken hierna noordwaarts. Eerst naar Kardamíli. En daarna door naar Kalamáta. Ze hanteren het motto van overwinning of de dood. In 1836 krijgt de stad haar huidige naam. Die zoals ik al in een eerder verhaal heb vermeld gekoppeld is aan de oorlogsgod Ares.
Terry bedankt ons voor het feit dat we allemaal ‘prompt’ terug zijn bij de bus. We steken de Máni over naar Gýthio. Eerder deze week is het me niet zo opgevallen, maar in deze regio zien we heel nadrukkelijk de gevolgen van de branden van anderhalf jaar geleden op de Pelopónnesos. De bodem is overigens al weer aardig aan het herstellen. Na Gýthio gaat het een stukje noordoostwaarts, langs de kust van Lakonikós Kolpos. Een coastertje is op het strand gelopen. Jaren geleden. Leeggehaald. Wegroestend.Aan de noordzijde van de golf is de grond uitermate geschikt voor het verbouwen van citrusfruit. De Betuwe van Griekenland. Met boomgaarden met citroenen en sinaasappelen. Voorbij Skála houden we een oostelijke richting aan. Via Vlachiótis en Molai naderen we de oostkust van de Pelopónnesos, dat daar de Aegische Zee raakt. Ons einddoel daar is Monemvásia.De rots Monemvásia. Het eiland Monemvásia. Het dorp Monemvásia. Een uniek iets, door de ligging en zijn vorm. Over het ontstaan is men het niet eens. De een beweert dat het altijd een eiland is geweest. Anderen zeggen dat het ooit tot het vaste land heeft behoord. Dat het is losgescheurd van het vaste land tijdens zware aardbevingen, zo rond 1500 voor Christus. Misschien zelfs wel in combinatie met een vulkaanuitbarsting. De eerste tekenen van bewoning stammen uit de tijd van het Byzantijnse bewind onder keizer Mauricius.
Veel partijen hebben daarna geprobeerd het eiland en het gebied van Monemvásia te onderwerpen. Dat lukt alleen de Turken. Na een driejarig beleg moeten de bewoners zich wel overgeven. Omdat de laatste muizen zijn opgegeten. Als voedsel hebben zij alleen elkaar nog over. Bijna alle bewoners vertrekken na de overgave. De meeste eilanders nestelen zich op Kerkira (Corfu). Met andere overheersers worden - voor een grote mate van zelfstandigheid - contracten afgesloten. Door allerlei volmachten kent Monemvásia een lange periode van grote welvaart.
Na de tweede Turkse overheersing is Monemvásia nooit meer de oude geworden. Een verlaten dorp, verscholen achter een rots. Een aantal kunstenaars heeft zijn intrek genomen in het dorp. Horeca heeft zich genesteld in de belangrijkste straat naar het plein. Het is zelfs mogelijk om te overnachten in Monemvásia. Het toerisme bloeit en groeit. Nog steeds worden er huizen opgeknapt. Gered van de sloop. Of juist weer van de grond af opgebouwd.Het bouwmateriaal wordt met paarden aangeleverd. Autoverkeer is niet mogelijk. De toegang tot Monemvásia bestaat uit een enkele poort, met halverwege een knik van negentig graden.
In het dorp staan nog talloze kerken en overblijfselen van kerken. Boven op de rotsen bevindt zich de Aghia Sóphia. Nee, zover zijn wij niet gegaan. Op het centrale plein staat de Elkomenoskerk. Fotograferen is hier verboden. Nee, niet op het plein, maar in de kerk zelf. Op het plein ligt nog een loop van een kanon.Voor de toeristen. Een groep Duitse kinderen laat zich hier voor hun nageslacht vastleggen. Enige tijd later nemen zij een bad in de zee.
Behalve kerken bevinden zich ook nog talloze kapelletjes in en op Monemvásia.De Ai-Giánakis is uitgehouwen in de rotsen.
In het dorp ontmoeten we twee Friezinnen, die aan dezelfde excursie meedoen en elkaar in de bus hebben ontmoet. Zij zijn op zoek naar de benedenstad.Ze lopen met ons op naar de stadswallen. Hun mannen zijn naar boven geklommen. Heel diep in mij is er iets, dat zegt: ‘Dat wil ik ook. Ik wil Monemvásia van bovenaf zien.’ Maar mijn rechterknie prikt en klopt. Mijn evenwicht is wankel. Mijn conditie is nul. Ondanks de klauterpartij zijn de mannen al terug op het plein als wij er arriveren. Na een tosti wandelen wij met de Friezen terug over de enige toegangsweg. Terug naar Gefina, waar de bus op ons wacht.Tijd genoeg om nog wat plaatsjes te schieten van dit dorpje met zijn haventje, dat trouw de wacht houdt bij de pier.
Op de terugweg doen we Gýthio weer aan voor een tweede koffiestop. We drinken bij een taveerne op een plein wat fris en lepelen een bordje tzatziki leeg voor we terugwandelen naar de haven. Opnieuw hangt de inktvis te drogen. Het zijn er zelfs meer dan tijdens ons eerste bezoek aan dit stadje.
De bus rijdt terug over de ons al bekende route. Veel mensen doen hun ogen dicht. Het wordt stil. Ik zit ongemakkelijk. Mijn knie steekt. Even staan. Strekken. Het helpt voor een paar minuten. Kardamíli komt niet te vroeg. In Várdia heeft Tineke het ook gehad. Ze wil weer een avondje op ‘haar berg’ blijven. Genieten van het uitzicht.De nacht over Kardamíli zien vallen. Ik vind het prima. Ben bijna gaar en lig om etenstijd, zo rond negen uur, al onder het dekbed.