Woensdag 10 september 2008
De bakker begint zelf al over een olyki als ik binnenkom. Hij kent zijn pappenheimers. Ik koop ook nog een wit bolletje, zodat we onderweg weer een stukje brood met tomaat kunnen nemen. Na het ontbijt doet Tineke nog een was. De tijd om nog naar Arta te gaan vervliegt. Bovendien wat moet je met die hitte in een stad? Slenteren? Aangezien ik moet bepalen waar we heen rijden, waar ik Tineke heen laat rijden, verander ik het programma.
Ik kies voor een bezoek aan Nikópoli, vlak boven Préveza. Dat scheelt al gauw zo’n zeventig tot tachtig kilometer rijden. Maar wel met het risico dat er geklaagd wordt over de zoveelste berg stenen, want ook hier ligt een opgraving. Als geldig excuus telt nog dat het een opgraving is uit het boekje met schatten uit Griekenland en daarom behoort tot de plaatsen die we hebben uitgezocht om te bezoeken.
De eenvoudigste manier om er te komen is langs de kust rijden, tot de afslag naar Arta en dan doorsteken richting de golf van Amrakikos. Maar wat doe je met grote brullende vrachtwagens op je weg? Dan steek je binnendoor.
Dat doen we bij Rizá, waar we een allerliefst kerkje aan de buitenkant, want gesloten, op de foto zetten, terwijl de mannen van Rizá op een steenworp afstand de politiek bespreken, de laatste roddels uitwisselen – niet alleen vrouwen roddelen – of hun kansen in de liefde en het gokcircuit doornemen. Als je even niet oplet zit je hier op de weg naar Chimadió. En daar moeten we niet zijn. Gelukkig zie ik op tijd het gebrekkige bordje dat verwijst naar de bosrijke omgeving van Μυρσίνη. Het is even schrikken, maar het lukt en niet veel later toeren we door een prachtig gebied tot we bij Kato Mirsiní bij een andere hoofdweg belanden. Daar valt ook niet aan te ontkomen. Op hoofdwegen rijden.Tot opluchting gaan de vrachtwagens allemaal de andere kant op en blijven ze ook nog eens allemaal aan hun eigen kant, want geen enkele chauffeur schijnt op deze weg de behoefte te hebben om een ander in te halen en halsbrekende toeren uit te halen, waarbij ze hun cruisecontrole moeten loslaten.
De archeologische vindplaats van Nikópoli staat goed aangegeven. Denk ik. Hoewel? Maar dat komt later wel. Er wordt gewerkt aan een groot parkeerterrein. Een meisje zit aan de kant van de weg, half in de greppel, aan een tafeltje. Daarop ligt een boek met plaatjes, van munten. Munten uit vervlogen tijden. Nee, echt bezichtigen is niet mogelijk vanwege de restauratie. Ja, de arena aan de andere kant van de weg wel. En bovenop de heuvel staat nog het monument van Augustus. Of we daar al zijn geweest.
De arena stelt niet veel voor. Hier werden in vervlogen de Aktische Spelen gehouden, ter ere van Apollo.
Tegen de waarschuwingen in kruip ik toch door de muur van het theater naar binnen. Wandelen is overigens een beter woord, want kruipen hoef ik niet. Toch is het wel oppassen, want sommige muren staan flink schuin en ik besef dat je hier niet moet zijn bij een aardbeving. Iets wat in Griekenland toch regelmatig gebeurt. Wie daar de hand in heeft? Zeuss? Poseidon? Hades? Die vraag blijft onbeantwoord.
Maar waar is de rest van de opgraving? Er moet hier toch meer zijn. Verdwenen onder de parkeerplaats? Of ligt het achter het theater verscholen. Op een plaats waar je inderdaad niet kunt komen.
Het is niet anders, dus bezoeken we boven het monument ter ere van Augustus. Twee jongedames houden hier in de schaduw de wacht.
Hier is de rest van de opgravingen van Nikópoli in ieder geval niet. Toch denk ik nog steeds heel eigenwijs dat de rest van de oude stad hier ergens moet liggen. Wel zie ik ergens in de diepte een lange muur.
‘Zullen we daar nog even kijken’, zegt Tineke, die bij het theater niet eens haar auto uitkwam. Mijn hart slaag een keer over. Dit heb ik niet durven voorstellen. Ze koppelt aan het bezoek aan de muur meteen onze lunch.Als we beneden staan heb ik er wel schik in. Hier ligt dus de echte vesting, de oude stad. In de nabijgelegen golf vond op 2 september van het jaar 31 voor Christus een belangrijke zeeslag plaats. Tussen enerzijds Octavianus en aan de andere kant Cleopatra, de dame met de scherpe neus en haar vriendje Antonius. Toen Cleopatra zestig van haar schepen terugtrok en Antonius haar volgde was de strijd beslecht in het voordeel van Octavianus, die een paar jaar later de eretitel Augustus kreeg.
Ter ere van zijn overwinning stichtte Octavianus, Augustus dus, Nikópoli dat hij wijdde aan Apollo een zoon van Zeuss. Die tempel heeft gestaan waar nu het monument ter ere van Augustus staat opgesteld. Op de heuvel Mikalitsi.
Maar ook in Rome werd voor Apollo een tempel door keizer Augustus opgericht. Verder liet hij tempels bouwen voor Poseidon (Neptunus) en Ares (Mars). Zijn liefdesleven beperkte zich niet tot vrouwen, maar ook tot het mannelijke geslacht voelde Apollo zich aangetrokken.Door de Romeinen werden de bewoners van Ambrakia (Arta), Akarnania en Aetolie gedwongen naar Nikópoli te verhuizen. Op het hoogtepunt woonden hier 300.000 mensen. En van torenflats hadden ze nog nooit gehoord.
In deze stad schreef de apostel Paulus zijn brief aan Titus, die hij had achtergelaten op Kreta, waar hij bisschop was. Na twee eeuwen van welvaart raakte de stad in verval. Julianus zorgde nog voor een opleving, maar hierna werd de stad geplunderd eerst door Vandalen en later door Oostgoten.In de zesde eeuw werd de stad herbouwd door keizer Justianus tot Nikópoli uiteindelijk in 1034 opnieuw en definitief werd neergehaald, ditmaal na een Bulgaarse inval.
Een deel van de muren staat nog overeind, evenals van het Romeinse badhuis en van het Odeon, dat deels is gerestaureerd en voor culturele doeleinden werd gebruikt.
Voor de rest is het vooral een kwestie van veel fundamenten. Bij de stad zijn een zestal basilieken ontdekt. Met prachtige vloermozaïeken.Twee van die basilieken liggen nog onder het puin. Ook het nageslacht moet nog iets te vorsen hebben.
En er staat nog een oud aquaduct.Voor de terugweg plan ik een route door de heuvels. Twee mogelijke afslagen zijn er. De eerste – bij Oropés - mis ik en de tweede is bij verkeerslichten! We worden om het centrum van Loúros geleid en weten de buitenkant van dit dorp te vinden. Daarna wordt het gokken. Mijn intuïtie laat mij in de steek en we dwalen door een dorpje. Of zijn het er twee? Als je eenmaal aan het dwalen bent, dan kun je maar beter drinken bij je hebben en daarom stoppen we bij een kiosk waar Tineke water en frisdrank inslaat. Waar we heen moeten geen idee. Er zijn wel voldoende kruispunten, maar geen verkeersborden. En de zon als uitgangspunt nemen heeft me ook niet veel goed gebracht. Daardoor dwalen we. En dan ineens staan we bij de weg van Préveza naar Arta, bij de afslag naar Oropós. De afslag die we de eerste keer hebben genomen licht een paar honderd meter verder. Dat schiet niet op.
Nog een keer een rondje. Nee, niet wenselijk, want ik heb werkelijk geen idee waar we straks uitkomen. Misschien belanden we wel ergens in de onderwereld. Dit is Épiros en je weet maar nooit. Dus de hoofdweg, met het risico van opstomende logge beesten en voort kruipende nog loggere bakbeesten. We worden op onze weg naar Kanalláki met alle twee de soorten geconfronteerd. Het warme weer maakt me loom. Tineke weet zelf ook wel de weg en ik sukkel zo in slaap, tegen de zijkant van de Ibiza.In Kanalláki word ik weer wakker en zie in het centrum een prachtige beeldengroep staan. We zijn er voorbij voor ik er erg in heb. In Mesopótamo moet ik even opletten, twee keer afslaan en dan richting hoofdweg. We duiken onder de E55 door naar Ammoudiá.
Op zoek naar een T-shirt van de rivier Acheron. Maar die kunnen we hier niet krijgen. Een verkoper komt daarom maar met een shirt van Che Gueverra aan, ook een bevrijder van geesten. Die raakt hij hier echter aan de straatstenen niet kwijt. Kun je denken. Als het nou nog Charon was.Aan de rand van het laagland kijken we naar een groep witte vogels. Voor pelikanen is de snavel te spits.
Reigers misschien. In ieder geval zijn het geen ooievaars.We rijden hierna terug. Ik ben het zat. De warmte heeft me in zijn greep en ik heb ook geen zin meer in het strand. ’s Avonds het dorp maar weer in. De paintbrusher is verdwenen en heeft plaats gemaakt voor een levend standbeeld. De drukkende warmte laat zijn invloed achter op de toeristen, die loom voortschrijden.
De terrasjes zitten tot laat vol.
Het Nekromanteion dateert uit de vierde eeuw voor Christus, en lag aan de westoever van het drooggevallen meer Acherousia. De god Hermes, was behalve boodschapper voor zijn vader Zeuss er ook verantwoordelijk voor dat de zielen van overledenen in de onderwereld terechtkwamen. Daarvoor had Hermes Charon aangesteld, die tegen betaling van een obool de doden over het Acherousia en de Acheron, naar het rijk van Hades bracht. De Acheron stroomt samen met de Styx en de Lethe door het dodenrijk.
Bevrijd van zijn lichaam kreeg de ziel van de overledene bovennatuurlijke krachten en kon in de toekomst kijken. Uiteraard trok dat levende zielen aan. Om in contact te komen met de doden moesten zij zich daarop voorbereiden. Voor een periode van 29 dagen, de cyclus van de maan trok een pelgrim zich terug uit het daglicht om in die periode toe te kunnen treden tot een onbekende wereld.
In de twee slaapruimtes en de badkamer werden zij door de priesters lichamelijk en geestelijk voorbereid op het contact met de doden. Ze kregen daarbij varkensvlees, bonen en mosselen te eten+ de gerechten van het dodenrijk. Daarnaast dronken zij melk en water. De priesters prevelden raadselachtige gebeden in een taal die alleen zij zelf verstonden. Of misschien wel verzonnen hadden. Om alle verkeerde invloeden uit te bannen gooide de pelgrim een steen op een steenhoop, moest meermalen zijn handen wassen als reinigingssymbool en offerde in een gat in de grond een schaap.
Vervolgens werd de pelgrim door het labyrint geleid, waarmee werd gesuggereerd dat hij was verdwaald in het duistere rijk van Hades. Drie ijzeren deuren scheiden hem vervolgens nog van het heiligdom. Door het eten van de zaadjes van de lupine en de gele tijloos raakte hij in trance en begon te hallucineren. Het is dan tijd om de doden op te roepen. Omdat niet iedereen in de waarde van het orakel geloofde, bedachten de priesters een foefje. Met ijzeren raderen, zwengels en botten die tegen bronzen ketels werden geslagen, creëerden zij een spannend sfeertje, waardoor het zelfs leek of je Cerberus, de driekoppige wachthond van het dodenrijk die door zijn aanblik mensen kon laten verstenen, kon horen blaffen.
Boven dit alles staat een kerk. Niemand zeurt hier over flitslicht die de muurschilderingen verpesten. Het fotograferen wordt zelfs toegejuicht. Al is het alleen maar om te laten zien dat latere overheersers er alles aan hebben gedaan om die christelijke muurschilderingen te vernietigen.
Hier en daar zijn ogen uitgestoken en de muren zijn over gesaust. Veelal door moslimoverheersers, volgelingen van Mohammed. Een bewijs van ontheiliging of zit Wilders hier achter? Heel voorzichtig is in de loop de jaren het sauslaagje grotendeels weer verwijderd zodat de oorspronkelijke tekeningen deels weer te zien zijn.
Ik moet verder, ook met dit verhaal. Terug naar Ammoudiá, waar we een boottripje kunnen maken voor vijf euro. Een klein stukje de zee op, langs hoge door water uitgesleten grotten. Door de hoge golven danst het bootje op en neer. Bakboord is voor fotograferen niet de beste plek, omdat het bootje dwars blijft liggen en op en neer deint, zie ik vooral hoofden. Mede door de langere sluitertijd en een verkeerde inschatting van tijd.
Het tochtje over de Acheron maakt dat goed. Veel schaatsenrijders scheren over het water. En er wordt niet eens een alternatieve elfstedentocht verreden.
De struiken en bomen weerspiegelen in het water. De twee nesten van de nachtegaal krijg ik niet op de foto. Verkeerde kant, bakboord. En op de terugweg gaat het zo rap dat we er al voorbij zijn voor ik kan reageren. Op de heenweg zie ik de nesten van ijsvogels in de wand.
Op de terugweg schiet deze veelkleurige vogel een paar keer langs ons bootje. Tineke waagt een poging. Nooit geschoten is altijd mis, om met Johan Cruijff te spreken.
Ammoudiá is slechts een tussenstop, want van de monding van de Acheron gaat het naar de bronnen. In de bus vertelt de Griekse gids Anastássi honderduit. We rijden daarvoor door de laagvlakte waar Tineke en ik al eerder doorheen zijn gereden. Ditmaal op weg naar Glikí, waar de militaire brug over de Acheron wordt vervangen door een burgerbrug. De militaire brug is vanwege de ontspanning in de wereld niet echt meer nodig. Net zoals er heel veel legerplaatsen al zijn opgedoekt. Ondanks dat we niet zo ver van de Albanese grens verwijderd zijn, hebben we bijvoorbeeld slechts een kazerne gezien.
In Glikí, aan de boorden van de rivier krijgen we een lunch aangeboden. Wij kiezen voor choriatiki en saganaki (gebakken kaas) en genieten van de rust om ons heen.
Niet voor lang, want daarna wordt het wandelen, eerst langs de oevers en daarna waden we door de rivier, door ijskoud water, afkomstig uit diverse bronnen. Een groepje paarden komt door het water gedraafd.
Recht op mij af. En spettert mij onder. We wandelen tot een punt waar er moet worden gezwommen. Ik heb mijn camera bij me. Niet waterproof dus zwemmen is er niet bij. Bovendien wat moet ik met mijn oren. Uitdoen en achterlaten? Nee, dan maar zelf achterblijven.
Ik krijg nog drie camera’s in mijn handen gestopt van mensen die doorgaan. Door lopen tot? Zwemmen tot? Tineke besluit op het laatste moment om toch maar mee te gaan met de zwemmers, wandelt, waadt en klautert.
Het water wordt verderop warmer. Is dat de invloed van de Styx, de hellerivier?
Samen met nog enkele mensen blijf ik wachten. Wachten tot ik een ons weeg? Dat is wel heel lang. Maar anderhalf uur is het zeker.
Mijn voeten wennen wel iets aan het koude water en dat is maar goed ook, want anders zou ik hier nu met een paar ijsklompjes zitten. Om een uur of vier ga ik terug. Denk aan de verhalen dat de doden een munt in de mond meekregen of juist op de ogen gelegd voor hun reis naar het dodenrijk, dat ik ver achter me laat. Op de plaatsen waar het water vanuit de rotsen de kloof en de rivier instroomt, voelt het toch weer ijskoud aan.
Zo gewend ben ik er dus niet aan. Het is helder water; koel helder water. Wie zong daar ooit over?
Niet eens zolang nadat ik ben teruggekeerd bij ons vertrekpunt. We moeten nog twee mensen afzetten in Ammoudiá. Het bezoek aan een ouzofabriek komt te vervallen. Terwijl die wel staat aangekondigd.
’s Avonds eten we bij Kryoneri, een taveerne waar vaak alle tafels tot laat zijn bezet. Kryoneri ligt in de richting van ‘Birds’. We beginnen met twee salades, meer een mousse; een van aubergine en een van vis.
Tineke kiest verder voor spaghetti met daarop gegarneerd een hoeveelheid zeedieren, zoals garnalen. Ach geef mij maar een lapje vlees.
Na het ontbijt de boel afruimen, de vaat doen en nog even naar Madelijn, praten over de huwelijksvoltrekking. Wij zijn overigens ook gezien en gehoord door andere gasten bij onze trip omhoog naar Dimokastro.
De grote kerk in het dorp wordt gerestaureerd. Het dak is er zelfs af. De heiligdommen staan afgedekt onder zeildoek buiten. De ikonostase staat nog binnen de kerkmuren.
De pappas komt een kijkje nemen. Oh wee, oh wee. Hij weet het niet meer. Zo’n ontzielde kerk geeft hem een bijzonder verdrietig gevoel. Als dit allemaal nog maar goed komt.
Maar Margaríti zal ook dit wel weer te boven komen, zoals het ook de ramp van 1944 te boven is gekomen. Terugtrekkende Duitsers branden het dorp toen volledig plat. Op het dorpsplein staat nog een gedenkteken.
De huidige toerist kijkt daar naar en ziet niets. Ziet niet wat zoiets bij de bevolking heeft aangericht. De Grieken zijn echter niet haatdragend en zijn later massaal naar Duitsland verhuisd om geld te verdienen. Ook uit Margaríti. En met het zuurverdiende geld is menigeen teruggekomen en een eigen zaak begonnen.
De minaret, die boven het dorp uittorent herinnert aan de Turkse tijd. In Épiros zijn er maar weinig bewaard gebleven. Ook in de provinciehoofdstad zijn nog herinneringen aan de tijd van de Moslimoverheersing te herkennen.
Bij onze rondgang door het dorp ontdekken we een kinderopvang. De scholen zijn nog niet begonnen en niet overal zijn opa en oma er voor de kinderopvang. De kleintjes zitten binnen en het opgeschoten grut is samen geklonterd op straat bezig met een balspel. Bij gebrek aan een basketbalring worden de gebogen armen voor het lichaam gehouden. En dan van afstand maar raakschieten.
Iets verderop wordt Tineke aangesproken door een man als zij door een openstaand poortje kijkt. Hier wordt een woning gerestaureerd en ingericht als Turks huis.
Uit het verleden, met de kleden op de grond, een gat in een hoek fungeert als toilet, veel foto’s aan de muur. Hier moeten we rond kijken. Trots wordt gewezen op een oud weefgetouw. Of eigenlijk alleen maar wat balken, die straks samen weer een weefgetouw gaan vormen, als alle onderdelen compleet zijn.
In het souterrain kunnen wij niet rechtop staan. Dat geldt uiteraard niet alleen voor ons. In het midden staat een eenzame stoel. We bedanken de man die ons een rondleiding heeft gegeven. En trots is op wat er al tot stand is gebracht.
We hebben veel ervaring met het uitzoeken van het verkeerde terras, een gesloten terras. Daar slagen we ook in Margaríti in. Naast ons ligt een terras dat wel open is. Is er iemand die ons een goede raad kan verschaffen. Hoe we in een keer de juiste keuze kunnen maken.
Ach, laat ook maar. Het is eigenlijk ook best leuk. Het hoort gewoon bij ons. De frappé is bijna van voor de euro prijzen. Nee, niet dat we zoveel betalen, want er gaan heel wat drachmes in een euro. Nee, de ijskoffie – gemixt met ijs en suiker – krijgen we hier bijna voor niets, en nog een show toe. De prijs voor twee glazen water en twee frappé twee euro, samen. Tegenwoordig moet je al blij zijn als je voor dat bedrag een frappe krijgt.
En de show? Die wordt opgevoerd door de kleinzoon van de eigenaresse, samen met zijn vriendje. Hun spel met autootjes en later een bal wordt wilder en wilder. En eindigt ermee dat het vriendje naar huis moet. Hij wordt uitbundig uitgezwaaid en zwaait net zo uitbundig terug.
Circe antwoordde: Odysseus maak je geen zorgen over een gids om je schip te geleiden. Richt de mast op en spreid de witte zeilen en zet je neer in je schip. De adem van de noordenwind zal het voortdrijven. Wanneer je de Okeanos bent overgestoken, kom je bij een smalle kuststrook en het heilige woud van Persephone, hoge populieren en slechts kort dragende wilgen. Leg daar je schip voor anker aan de diepe koken van Okeanos en ga zelf op weg naar het dompige huis van de Hades. Bij de rots waar de Pyriphlegethon en de Kokytos, een zijarm van de Styx, zich verenigen, stromen deze beide rivieren met donderend geweld in de Acheron.’
Tineke plaatst haar Ibiza ook onder de bomen en we besluiten bij O Thomas een hapje te gaan eten. Echt schoon ziet het er niet uit. Maar goed aan een choriatiki kan je niet veel verknallen.
We zoeken het strand Ioannaki maar weer eens op. Na het zwemmen ga ik – boven op het terras in de schaduw – nog een tijdje lezen.
’s Avonds eten we bij Birds of Paradise. Vooraf tzatziki en gebakken courgette en gemista (gevulde tomaat en gevulde paprika) zonder patat voor Tineke. Het varkensvlees overgoten met een heerlijke saus met champignons is voor mij. Nee, ik ben geen Bourgondiër, zie er misschien wel zo uit. Ik ben gewoon een lekkerbek.
Blijven lang in onze studio hangen. Schuifelen zo rond het middaguur het dorp in en schieten bij Oisters het terras op voor een glas frappé en een hap zoetigheid. Nee, appelgebak is er niets voorradig en Tineke kiest bijna blind iets van de beperkte kaart. Nee dat heeft hij niet. Milkpie, dat is er wel. Nou, doe er dan maar twee van. Voor ieder van ons een. Het is een forse hap bladerdeeg met daarin spijs; heel erg zoet. Tineke schuift de helft van haar gebak op mijn bordje. Ik bedank voor die eer. Ik heb genoeg aan mijn eigen zoetigheid. Een van mijn sandalen, zes euro bij Piet Kerkhofs, begeeft het zelfs. Dus moeten we op zoek naar vervangend schoeisel. En natuurlijk nog even een mailtje versturen.
De internetservice is dicht tussen de middag. Verder heeft Párga wel iets weg van Almere, dat zich heeft uitgeroepen tot een toeristisch plekpleister. In het centrum mogen daarom de winkels iedere zondag open zijn en dat is ook hier het geval. En de zoektocht levert ook nog een deugdelijk paar nieuwe sandalen op. Een maatje te groot weliswaar, maar met mijn hoge wreef is de juiste maat ook nauwelijks te vinden. En misschien wel helemaal niet. Op maatwerk kan ik bovendien niet wachten, dus de koop is snel gesloten.
Bij terugkeer zit de toeristenservice, inclusief internetplek, nog steeds dicht. Boven de deur loert een webcam naar toeristen, die naar het thuisfront zwaaien. Daar ook afspraken over maken. ‘Ik sta er om twaalf uur.’ Aan die gekte doen wij niet mee en lopen terug naar de winkeltjes en zoeken een sleutelhanger van Párga, waarmee we onze verzameling prullaria in het trappenhuis willen aanvullen. Die zoektocht levert geen succes op. Dan maar twee strandmatjes kopen. Samen vier euro. Nee, het geld brandt niet in onze zakken. Maar zo’n matje is gewoon makkelijk voor als we naar het strand gaan. Nee, niet vandaag. Want de auto laten we staan en Krioneri en Piso Krioneri dat zijn niet onze stranden.
Na het middagdutje pak ik The Monsters of Grammery Park van Danny Leigh. De tsiporou is straf en daar word je vanzelf weer slaperig van.
Wij eten bij Nafsika. Veel mensen verlaten deze taveerne zeer tevreden, maar ik niet. Je zit met veel mensen samengeperst in een kleine ruimte. De aangeboden olijven zijn niet meer je dat. De dolmadakia is prima, niets op aan te merken. Op het waterglas zit een ferme aanslag. Het bier krijg ik in een warm glas aangeboden en dat slaat prompt dood. Ik laat het staan. De gemista is prima, de patatjes zijn flets en slap en hongeren naar zout. De patat komt Tineke overigens sowieso al de neusgaten uit, omdat je ze bijna overal bij krijgt aangeboden en zelden stevig en op smaak zijn. De kleftiko van Tineke is voorzien van een dik dak bladerdeeg en dat wordt er afgeschept. Blijft liggen. Ik had me voorgenomen om onze maaltijd af te sluiten met een toetje van Griekse yoghurt met honing. Nee, laat maar zitten voor vanavond. Daar zal ook wel iets mis mee zijn. Teleurgesteld druipen wij af.