Besje
Zaterdag 6 september 2008
Vandaag is het grote schoonmaak in het complex. De bovenburen verdwijnen allemaal en daar komen ook weer drie koppels voor terug, waarvan er een in het Zagoriagebied is geweest. We zien ze aan het eind van de middag en begin van de avond voorbij schuifelen.
Wij gaan vandaag naar Ali Pasja, althans naar zijn kasteel, in Anthoússa, vlakbij de afslag naar Tríkorfo.Gemakkelijk te wandelen, je doet daar wel een paar uur over. Een tweede optie is het treintje nemen en anders doe je het gewoon met de eigen auto. Zoals wij. En we belanden op weg omhoog achter de tuftuf, die toeristen voor acht uitgeklede euro’s naar het kasteel rijdt.
De machinist maakt netjes plaats voor ons en even later parkeert Tineke haar toettoet onder de dikke muren van Ali Pasja.
Ali werd in 1741 in Tepelini in Albanië geboren. Een vrijgevochten jongeman. Hij hielp de Turken in 1787 in hun oorlog tegen de Oostenrijkers en werd als dank voor die behulpzaamheid een paar jaar later tot Pasja van Trikala benoemd.
Ali Pasja dus. Hij nam tevens het bestuur van Ioannina over. Met 35.000 inwoners (toen) was dat een belangrijk handelscentrum in de Balkan. Onder zijn heerschappij beleefde Ioannina háár gouden tijd. Maar Ali Pasja was ook bijzonder wreed en onberekenbaar, niet te vertrouwen. Hij vermorzelde bijvoorbeeld de Soulieten, die van het beeld bij Zalongou. Een ander feit; Ali Pasja sloot in 1797 een verdrag met Napoleon, die van Bonaparte. Je weet wel, de slag bij Waterloo. Ondanks dat verdrag verdreef Ali Pasja na een jaar de Fransen uit Préveza, vermoordde ze en stuurde de hoofden op naar Sultan van Konstantinopel.
Maar hij maakte het uiteindelijk toch ook te bont door vanaf 1807 de orders van de sultan naast zich neer te leggen. De sultan accepteerde dat nieten zond troepen om die eigengereide Albanees op zijn nummer te zetten. Ali Pasja trok zich terug in Ioannina en leverde de rest van het land over aan de Turken, die de stad belegerden. Die stad mochten ze ook hebben, alleen zijn paleis wilde hij – met een groep getrouwen – wel verdedigen. Daar lagen ook zijn rijkdommen opgeslagen. De Turkse commandant Ismail Pasja snoerde het net om de Albanees steeds dichter en toen hij nog maar honderd volgelingen over had, opende Ali Pasja na achttien maanden de onderhandelingen met de belegeraar. Die kende echter de reputatie van zijn tegenstander, nam geen halve maatregelen en belazerde Ali Pasja. Die werd gevangen genomen en onthoofd.
Het kasteel van Ali Pasja, hij heeft daar overigens nooit echt gewoond, het diende slechts als uitvalsbasis voor de strijd tegen Párga, geeft een goed beeld van de tijd. Dikke muren. Een binnenmuur en een buitenmuur. Moeilijk te bevechten.
De kanonnen zijn nog steeds gericht op Párga. En tegenwoordig gratis opengesteld voor publiek.
Een oud besje terroriseert er de toeristen. Geen foto’s maken, maar wel drie euro betalen voor een zakje gedroogde kruiden, waar je in Párga slechts een euro voor neertelt. Oh ja, je krijgt ook nog wat verlepte druiven mee, waar een ander drie euro voor betaalt plus nog een rot appeltje. De goedheid zelve. Tineke heeft er wel plezier in. Zeker als ze ziet hoe snel dat wijffie een briefje van twintig euro weet te wisselen.
Maar goed, ik houd het voor gezien en bekijk de omgeving van een hoog standpunt aan de kust en laat het onderhandelen maar aan mijn eigen vrouw over. Ze wordt er overigens geen cent wijzer van en daar hebben ze eigenlijk alle twee best schik om.
Op ons programma staat nog het bezoek aan een opgraving. Volgens de hostess moet het vlak bij Aríllas liggen. De eerste afslag die we nemen is te vroeg. Vermoedelijk kom je er zo ook wel, maar goed wij rijden terug, naar de buitenwijk van Pérdika en volgen dan de weg naar Sívota. Al snel doemt dan een bord met de verwijzing naar een archeologische opgraving op. Een tweede verwijzing volgt en daarna is het zoeken. Ja, er loopt een gevaarlijke trap heen. En er is nog een weg. Linksom? Dan beland je in de dorenstruiken. Rechtsom? Die weg eindigt tussen de campers. Vlakbij het strand.
Dus de trap blijft over. Met ieder een flesje water gaan we omhoog. Het is zwaar. Het is bovendien de heetste dag van ons verblijf in Épiros tot nu toe. Fantastisch uitgezocht.
Bij de onderkant van de stadswallen van Dinokastro hebben we een prachtig uitzicht op de baai van Karovostasi.Tineke blijft hier achter en ga ik alleen verder. Het kan niet ver meer zijn. Ik hijg en puf.
De trap is niet helemaal afgewerkt. Het laatste stukje is rul zand. Ik moet door een hek heen en klauter over een muur.
Boven op de heuvel liggen de restanten van een tempel afkomstig uit de vierde eeuw voor Christus. Ik pas, maak die tocht omhoog niet meer.
Boven staan mensen. Ze zwaaien. Ik zwaai terug. Ik heb Tineke lang genoeg alleen gelaten.
Ik daal af, bel dat ik eraan kom. Heb geen bereik. Samen dalen we verder. Tot we een tegenligger ontmoeten. Als ik zeg dat het nog wel zo’n twintig minuten klimmen naar boven is, gaat de man op een holletje naar beneden. Naar zijn vriendin en een stoere jeep. Daarin vertrekken ze samen.
Ik heb ondertussen trek gekregen in een pitabroodje gyros. Die moeten we maar in Pérdika halen. Die tent die wij uitzoeken verkoopt ze; ’s avonds. Ja we kunnen wel wat drinken. Bij de buren verstrekken ze volledige maaltijden. En daar hebben we geen zin in. Het pleintje ziet er knus uit, maar kan wel wat mensen gebruiken.
Het fonteintje wordt uitgezet en dat is het teken voor de winkeltjes om de deuren te sluiten. Pérdika begint aan zijn middagdutje. Zelfs het gokhuis gaat op slot. Net op tijd weten wij nog een broodje te bestellen. Een met worst voor mij en een hamburger voor Tineke. En dat geserveerd met patat. Patat met zout! Erg veel zout, de verkoper is duidelijk uitgeschoten.
Dat is overigens niet de reden dat Tineke bij een kiosk nog wat water inslaat. Zonder water overleef je niet in Griekenland. En niet overal komt het water uit de muur.
En wat moeten we verder. In een verlaten dorp, waar zelfs prikbord-Cornelios zich niet laat zien. Niets dus. Dan maar naar een strand, een klein strand. Daar zijn er genoeg van hier in de omgeving. Ik noem er maar een paar; Agali en Stavrolimenas. Wij kiezen echter voor Sarakiniko. Hier schuilden vroeger Noord-Afrikaanse piraten. En nu is het een geliefde plek voor strandgangers. Aan de rand van het strand hebben zich diverse taveernes genesteld. En iets daarboven liggen enkele appartementen. Zo rol je bijna rechtstreeks van je bed het water in. Wel oppassen, want het loopt hier snel af en er staat een flinke golfslag. Het strand zelf heeft grove steenslag, zodat een ligbed geen overbodige luxe is. Of een matje gebruiken.
Tineke is vlotter dan in het water dan ik. Geen kunst voor zo’n jong ding. Maar ik houd het op mijn beurt langer vol in het water. Dat is aangenamer dan op het droge waar de zon onbarmhartig op onze lijven brandt. De zeewind zorgt ervoor dat je dat branden niet voelt.
Oppassen dus. Dat weten we en daarom houden we het snel voor gezien.
Bij Aléca lopen de meiden van Paraskeví er fantastisch uit. Zij zijn bruidsmeisjes. O Christos, die weer terug is uit de hoofdstad, en Paraskeví zien er zelf heel wat minder feestelijk uit. Met zijn vieren kruipen ze op een scooter.
’s Avonds eten bij Birds of Paradise. Aan tafel dertien. Daar moet nog worden gedekt. Heel behulpzaam til ik de map op die op tafel ligt. En daar rollen de euro’s meteen uit. Het mapje met de rekening van de vorige gasten. Dat heb ik weer. Ach, nummer dertien en het is niet eens vrijdag. Even later gaat bij een andere tafel de azijn en de olie om. De serveerster kan er wel om lachen en ligt even later dubbel als een gast een letterlijk flitsende groene bril op zet.
En het eten prima. En het ijs, lekker koud, zoals ijs hoort te zijn.
Zaterdag 6 september 2008
Vandaag is het grote schoonmaak in het complex. De bovenburen verdwijnen allemaal en daar komen ook weer drie koppels voor terug, waarvan er een in het Zagoriagebied is geweest. We zien ze aan het eind van de middag en begin van de avond voorbij schuifelen.
Wij gaan vandaag naar Ali Pasja, althans naar zijn kasteel, in Anthoússa, vlakbij de afslag naar Tríkorfo.Gemakkelijk te wandelen, je doet daar wel een paar uur over. Een tweede optie is het treintje nemen en anders doe je het gewoon met de eigen auto. Zoals wij. En we belanden op weg omhoog achter de tuftuf, die toeristen voor acht uitgeklede euro’s naar het kasteel rijdt.
De machinist maakt netjes plaats voor ons en even later parkeert Tineke haar toettoet onder de dikke muren van Ali Pasja.Ali werd in 1741 in Tepelini in Albanië geboren. Een vrijgevochten jongeman. Hij hielp de Turken in 1787 in hun oorlog tegen de Oostenrijkers en werd als dank voor die behulpzaamheid een paar jaar later tot Pasja van Trikala benoemd.
Ali Pasja dus. Hij nam tevens het bestuur van Ioannina over. Met 35.000 inwoners (toen) was dat een belangrijk handelscentrum in de Balkan. Onder zijn heerschappij beleefde Ioannina háár gouden tijd. Maar Ali Pasja was ook bijzonder wreed en onberekenbaar, niet te vertrouwen. Hij vermorzelde bijvoorbeeld de Soulieten, die van het beeld bij Zalongou. Een ander feit; Ali Pasja sloot in 1797 een verdrag met Napoleon, die van Bonaparte. Je weet wel, de slag bij Waterloo. Ondanks dat verdrag verdreef Ali Pasja na een jaar de Fransen uit Préveza, vermoordde ze en stuurde de hoofden op naar Sultan van Konstantinopel.
Maar hij maakte het uiteindelijk toch ook te bont door vanaf 1807 de orders van de sultan naast zich neer te leggen. De sultan accepteerde dat nieten zond troepen om die eigengereide Albanees op zijn nummer te zetten. Ali Pasja trok zich terug in Ioannina en leverde de rest van het land over aan de Turken, die de stad belegerden. Die stad mochten ze ook hebben, alleen zijn paleis wilde hij – met een groep getrouwen – wel verdedigen. Daar lagen ook zijn rijkdommen opgeslagen. De Turkse commandant Ismail Pasja snoerde het net om de Albanees steeds dichter en toen hij nog maar honderd volgelingen over had, opende Ali Pasja na achttien maanden de onderhandelingen met de belegeraar. Die kende echter de reputatie van zijn tegenstander, nam geen halve maatregelen en belazerde Ali Pasja. Die werd gevangen genomen en onthoofd.
Het kasteel van Ali Pasja, hij heeft daar overigens nooit echt gewoond, het diende slechts als uitvalsbasis voor de strijd tegen Párga, geeft een goed beeld van de tijd. Dikke muren. Een binnenmuur en een buitenmuur. Moeilijk te bevechten.
De kanonnen zijn nog steeds gericht op Párga. En tegenwoordig gratis opengesteld voor publiek.Een oud besje terroriseert er de toeristen. Geen foto’s maken, maar wel drie euro betalen voor een zakje gedroogde kruiden, waar je in Párga slechts een euro voor neertelt. Oh ja, je krijgt ook nog wat verlepte druiven mee, waar een ander drie euro voor betaalt plus nog een rot appeltje. De goedheid zelve. Tineke heeft er wel plezier in. Zeker als ze ziet hoe snel dat wijffie een briefje van twintig euro weet te wisselen.
Maar goed, ik houd het voor gezien en bekijk de omgeving van een hoog standpunt aan de kust en laat het onderhandelen maar aan mijn eigen vrouw over. Ze wordt er overigens geen cent wijzer van en daar hebben ze eigenlijk alle twee best schik om.
Op ons programma staat nog het bezoek aan een opgraving. Volgens de hostess moet het vlak bij Aríllas liggen. De eerste afslag die we nemen is te vroeg. Vermoedelijk kom je er zo ook wel, maar goed wij rijden terug, naar de buitenwijk van Pérdika en volgen dan de weg naar Sívota. Al snel doemt dan een bord met de verwijzing naar een archeologische opgraving op. Een tweede verwijzing volgt en daarna is het zoeken. Ja, er loopt een gevaarlijke trap heen. En er is nog een weg. Linksom? Dan beland je in de dorenstruiken. Rechtsom? Die weg eindigt tussen de campers. Vlakbij het strand.
Dus de trap blijft over. Met ieder een flesje water gaan we omhoog. Het is zwaar. Het is bovendien de heetste dag van ons verblijf in Épiros tot nu toe. Fantastisch uitgezocht.
Bij de onderkant van de stadswallen van Dinokastro hebben we een prachtig uitzicht op de baai van Karovostasi.Tineke blijft hier achter en ga ik alleen verder. Het kan niet ver meer zijn. Ik hijg en puf.
De trap is niet helemaal afgewerkt. Het laatste stukje is rul zand. Ik moet door een hek heen en klauter over een muur.
Boven op de heuvel liggen de restanten van een tempel afkomstig uit de vierde eeuw voor Christus. Ik pas, maak die tocht omhoog niet meer.
Boven staan mensen. Ze zwaaien. Ik zwaai terug. Ik heb Tineke lang genoeg alleen gelaten.
Ik daal af, bel dat ik eraan kom. Heb geen bereik. Samen dalen we verder. Tot we een tegenligger ontmoeten. Als ik zeg dat het nog wel zo’n twintig minuten klimmen naar boven is, gaat de man op een holletje naar beneden. Naar zijn vriendin en een stoere jeep. Daarin vertrekken ze samen.Ik heb ondertussen trek gekregen in een pitabroodje gyros. Die moeten we maar in Pérdika halen. Die tent die wij uitzoeken verkoopt ze; ’s avonds. Ja we kunnen wel wat drinken. Bij de buren verstrekken ze volledige maaltijden. En daar hebben we geen zin in. Het pleintje ziet er knus uit, maar kan wel wat mensen gebruiken.
Het fonteintje wordt uitgezet en dat is het teken voor de winkeltjes om de deuren te sluiten. Pérdika begint aan zijn middagdutje. Zelfs het gokhuis gaat op slot. Net op tijd weten wij nog een broodje te bestellen. Een met worst voor mij en een hamburger voor Tineke. En dat geserveerd met patat. Patat met zout! Erg veel zout, de verkoper is duidelijk uitgeschoten.
Dat is overigens niet de reden dat Tineke bij een kiosk nog wat water inslaat. Zonder water overleef je niet in Griekenland. En niet overal komt het water uit de muur.
En wat moeten we verder. In een verlaten dorp, waar zelfs prikbord-Cornelios zich niet laat zien. Niets dus. Dan maar naar een strand, een klein strand. Daar zijn er genoeg van hier in de omgeving. Ik noem er maar een paar; Agali en Stavrolimenas. Wij kiezen echter voor Sarakiniko. Hier schuilden vroeger Noord-Afrikaanse piraten. En nu is het een geliefde plek voor strandgangers. Aan de rand van het strand hebben zich diverse taveernes genesteld. En iets daarboven liggen enkele appartementen. Zo rol je bijna rechtstreeks van je bed het water in. Wel oppassen, want het loopt hier snel af en er staat een flinke golfslag. Het strand zelf heeft grove steenslag, zodat een ligbed geen overbodige luxe is. Of een matje gebruiken.
Tineke is vlotter dan in het water dan ik. Geen kunst voor zo’n jong ding. Maar ik houd het op mijn beurt langer vol in het water. Dat is aangenamer dan op het droge waar de zon onbarmhartig op onze lijven brandt. De zeewind zorgt ervoor dat je dat branden niet voelt.
Oppassen dus. Dat weten we en daarom houden we het snel voor gezien.Bij Aléca lopen de meiden van Paraskeví er fantastisch uit. Zij zijn bruidsmeisjes. O Christos, die weer terug is uit de hoofdstad, en Paraskeví zien er zelf heel wat minder feestelijk uit. Met zijn vieren kruipen ze op een scooter.
’s Avonds eten bij Birds of Paradise. Aan tafel dertien. Daar moet nog worden gedekt. Heel behulpzaam til ik de map op die op tafel ligt. En daar rollen de euro’s meteen uit. Het mapje met de rekening van de vorige gasten. Dat heb ik weer. Ach, nummer dertien en het is niet eens vrijdag. Even later gaat bij een andere tafel de azijn en de olie om. De serveerster kan er wel om lachen en ligt even later dubbel als een gast een letterlijk flitsende groene bril op zet.
En het eten prima. En het ijs, lekker koud, zoals ijs hoort te zijn.
Om daar te komen nemen we de weg naar Paramithiá. Zoals ons al eerder al is overkomen raken we al snel verdoofd, door de adembenemende rust, nemen bij Morfi de verkeerde afslag en draaien een honderd verder, om op de juiste weg uit te komen. Net voorbij Paramithiá komen we in de drukte terecht, de gekte van het verkeer dat klimmend en draaiend op weg is naar de snelweg van het noorden. Met z’n allen achter een Italiaanse bestelbus, dat in een bocht nagenoeg stil staat. Achter ons begint de rij zich te roeren. De gril van een boosaardige vrachtwagen torent hoog boven de bumper van onze grijze Ibiza uit. De chauffeur laat de claxon loeien. Dan denk je maar aan een ding: aan de kant. Dat doen zowel de bestelbus als Tineke, zodra er een afrit voor zandwagens opdoemt. En weg spuit de rij macho’s.
Dat wordt door menigeen beschouwd als de oudste van de Griekse wereld. Volgens de bekende Herodotus is het gesticht door een van de twee priesteressen, die door de Feniciërs uit het oude Egypte zijn meegenomen. De ander is verkocht in Libië en sticht daar het Ammon-orakel, in de oase Siwa.
Het orakel is veelvuldig geraadpleegd in de achtste en zevende eeuw voor Christus. Uit die tijd stammen vondsten van driepoten, wapens en beeldjes. In die vierde eeuw is Dodóni het centrum van de Melossische bond, hierin zijn de schaapherderstammen verenigd. Later wordt het door koning Pyrrhus verbouwd, geplunderd door de Aetoliërs en met zeventig centra in Épiros door Lucius Aemilius Paullus verwoest als straf voor hun steun aan Perseus. Ook daarna is het nog opgebouwd en verwoest. Heel normaal eigenlijk voor oude Griekse centra.
Over zo’n plek moet niet al te lichtvaardig worden gedacht. Het is niet alleen een tempelcomplex, maar het is de voedingsbodem voor een hele stad. Die bebouwing is nog steeds toegedekt met een flinke lading grond, zodat ook de archeologen uit de toekomst nog iets te spitten en te vegen hebben. Bij een stad hoort een arena, waarin – in het geval van Dodóni – tot de in derde eeuw na Christus de Naia-spelen zijn gehouden.
Het onderste deel rust op de helling van de heuvel waarop Dodóni is gebouwd. Het bovenste deel wordt gestut door twee muren en versterkt door zes torenvormige steunberen.
Onder die boom stonden vroeger diverse driepoten met daarop bronzen ketels. Aan de takken van de boom waren botten gebonden, die bij ieder zuchtje wind tegen de ketels sloegen en dan geluid voortbrachten. Ik hoor het denken, daar komt dus de windgong vandaan. Heel simpel eigenlijk. Maar niet voor die tijd. De priesters interpreteren de geluiden als de antwoorden op de vragen aan de god.
En uiteraard ontbreken de tempels voor de gade Dione en de dochters Aphrodite en Themis niet. Verder is er een tempel gewijd aan Heracles ontdekt en staat er op het terrein de restanten van een christelijke basiliek.
De komst van het christendom in de streek betekent overigens ook het einde van het orakel. Begrijpelijk. Maar dan ook die eik moet worden omgehakt? Zo erg is dat toch niet. Dat gebeurt in 392. En daar blijft het niet bij. Heidens geloof moet je met wortel en al uitroeien en dus graaf je wortels uit, zodat er niets meer over is.
Ook in Dodóni wordt weer hard gewerkt door archeologen en hun hulpjes. Overal ontsieren hard-oranjekleurige netten de omgeving. Hadden ze niet voor een neutralere kleur kunnen kiezen. Legergroen bijvoorbeeld. Of Zeuss draait zich bij het zien van die afschrikwekkende netten alsnog om, of hij houdt van Oranje.
Vergeten behalve door de bewoners zelf, die via een folkloristisch museum zichzelf en hun families een plekje in de historie te geven. Het museum is gesloten als wij er komen. Even bellen naar een van de twee nummers die staan vermeld of de sleutel ophalen bij het café naast de kerk. Maar dat is dicht, gezien een groot officieel plakkaat op de deur. Op last van de belastinginspecteur?
Een buurman biedt uitkomst. Hij belt de sleutelbewaarster, die even later komt aandrentelen. Ze opent een wereld, zoals die er van onze voorvaderen heeft uitgezien. Een wereld van houten en ijzeren gebruiksvoorwerpen, zoals eggen, zagen en schaven, strijkbouten en kleding die tot vijftig jaar geleden nog hier in het dorp door de dorpelingen wordt gedragen. Als welkom krijg ik een glaasje eigen gestookte tsiporou. Tineke bedankt voor de eer; zij moet nog rijden. En bekijkt vooral de foto’s langs de muur, die een deel van de geschiedenis van de bevolking vertelt.
Er is zelfs een boekje verschenen, in 1995. Te koop voor het luttele bedrag van zes euro. Er ligt nog een stapeltje. Die van mij ligt veilig opgeborgen.
De terugweg is simpel. Nou ja, als je de grote weg neem. Maar wij duiken onderlangs. Vanaf Tiriá komen we door plaatsjes met namen als Kato Asprochóri en Artopoúla, komen twee keer door Pardalítsa. Die naam lijkt ook wel heel veel op Paramithiá, qua schrijfwijze op zijn Grieks dan - Παραμυθιά en Παρδαλίτσα – zodat ik de twee namen in het voorbijsnellen door elkaar haal. Het rondje bergopwaarts is hiermee wel verklaard en de opmerking van Tineke ‘Hier ben ik al geweest’, daar is geen speld tussen te krijgen.
Daar doe ik een wasje en waag een tweede poging, vanuit een ander adres zonder hinderlijke firefox, om een mailtje te versturen aan onze vakantievolgers. Die weten dat onze vakanties niet saai zijn. Het verhaal dat ik eerder deze week schreef samen met Tineke kan ik niet terugvinden in de verzonden items. Vind hem ook niet in mijn mailbox als ontvangen bericht. Maar mailen lukt wel. In een verkorte versie doe ik mijn gehaaste verhaal over het paspoort, het schildpad en de vrachtwagencombinatie, waarna ik beloof om snel weer samen aan de slag te gaan.
Eten doen we vanavond bij Akroudas (de beer) en die staat met Noors shirt op tafel. Ik dol wat, door bij het dekken van de tafel de beer te ontvoeren. Dat shirt is overigens heel begrijpelijk want de echtgenote van de Griekse eigenaar is een pur sang Noorse en haar kinderen zijn al net zo blond. Nee, gewoon blond. Niet dom. Die twee knaapjes kunnen over een paar jaar ieder Grieks meisje krijgen die ze maar willen. Of een jongen, niet discrimineren.
Tineke heeft daarna haar zinnen nog gezet op een ijsje. Dat valt erg groot uit, dus we moeten maar delen. Nog beter ik neem een bescheiden bekertje. En we ruilen, mixen nog wat smaken en laten het smaken.
We gaan eerst naar Longos, de kleinste van de kustdorpjes op dit eiland. De boot laat ons hier alleen maar snuiven, iets proeven van de sfeer van dit eiland, draait in de baai is al weer weg uit de haven van dit pittoreske vissersdorpje voor een deel van het gezelschap beseft waar we zijn.
Nauwelijks te bereiken over land. Een sloep of jetski brengt uitkomst voor de srrandhapper. Die jetski’s zijn ondingen, met hun gigantische snelheden. De golfslag is enorm en daar moet je als ongeoefende zwemmer niet in terechtkomen. Hier rond dit eiland zie ik diverse van die crossmotoren op het water stuiteren.
In Lakka leggen veel jachten aan, gaan een paar nachten voor anker. In een veilige baai. Lakka betekent niet voor niets gat, hol. De bakker doet er goede zaken. Niet iedereen wil bij een taveerne zitten en een kaaspie of spinaziepie smaken ook goed.
Dat is ook de eerste zeegrot, die we met een bezoek vereren. Want wat men in de mythologische tijden niet kan, lukt tegenwoordig wel.
Na Ortholithos tuffen we een tijdje door en laat ik mijn gedachten los, om pas de draad weer op te pakken bij Antipaxos. Nagenoeg onbewoond. De westkust bestaat uit hoge kliffen, in het oosten liggen enkele zandstranden. Doordat Apo en Kato Choria geen appartementencomplexen zijn, zie je op dit eiland eigenlijk alleen maar dagjesmensen, die hier met een boot arriveren. Of bootjesmensen die een dagje of meer voor de kust blijven liggen. De bevolking leeft voornamelijk van de wijnbouw en de visserij.
We worden voor Voutoumi met zijn allen in het water geplonsd en als iedereen veilig terug is aan boord varen we terug naar Paxos en wel naar Gaios, waarvan de geschiedenis nagenoeg parallel loopt aan die van Corfu. De Venetianen heersten hier van de veertiende tot de achttiende eeuw en in die tijd werd ook de burcht Agios Nikolaos op het gelijknamige eilandje gebouwd. De vraag van de kip en het ei doet hier opgeld.
Gaios is de hoofdstad van Paxos en is vernoemd naar de heilige Gaios, een van de discipelen van Paulus. En zo zie je maar weer, niet alleen Jezus had zijn discipelen, maar ook zijn volgelingen beschikten daarover.
In de Agios Apostoli liggen volgens de overlevering de stoffelijke resten van deze Gaios.
In dit plaatsje koop ik een T-shirt voor Gianny en drink iets later een heerlijke Fischer. Een Franse pilsener, met een Hollands tintje, maar heel wat smakelijker dan onze grootste Nederlandse brouwer de toeristen in Griekenland voorzet.
Op de terugweg ronden we Agios Nikolaos, passeren de bocht Manesko waar de grote boten in Gaios aanleggen en glijden langs het kleinere eiland Panagia, met haar gelijknamige klooster.
Op de terugweg wordt de bakboordzijde van het voordek ingenomen door een groepje jongeren, maar aan stuurboord hebben de Italiaanse oudjes het voor het zeggen.
Voor we in Parga kunnen aanmeren moeten we even wachten op een redelijk grote veerboot die een lading mensen afkomstig van Kérkira uitbraakt.
De souvlaki wordt door Tineke als niet gaar bestempeld, maar eerlijker is gewoon om te stellen dat er wat moeite mee heeft, want mij smaakt het prima. Ook de kotelet is hier van prima kwaliteit en met de watermeloen is ook niets mis. Het bevat, zoals het hoort, tientallen pitjes.
We zien een verlaten dorpje liggen, dorpjes en gehuchten zoals er veel meer zijn in Griekenland. We rijden door naar Mesavoúni waar Tineke tankt voor 1,19 euro per liger. Jaloers? Het kan nog goedkoper. We hebben ook prijzen gezien van 1,16. Duurder kan echter ook, 1,31 euro. Een prijsverschil van 15 eurocent. En het kwartje van Kok zit hier niet in.
Ik ga meteen op zoek naar een margriet. Maar die is hier niet. Het meer is grotendeels droog gevallen. Het regenseizoen moet nog beginnen. En hier stroomt geen rivier die het meer dagelijks voedt.
Het meer moet het vooral van regenwater hebben en smeltwater. Dus de winters zijn heel belangrijk. Inderdaad, dan leven veel Grieken hier in het gebied van de wintersport. Wintersport? Ja, hier vlakbij ligt een bekend skigebied. Maar wel opschieten, als je in Griekenland want ook hier veranderen de winters.
Eleia zelf is een Venetiaanse vesting met muren die gemiddeld zes meter hoog zijn en vier meter dik. Onneembaar.
Nou vergeet het maar. In 551 werd de stad door de Goten vernieuwd.
En over een jaar of twee weer te bezichtigen. Als het al niet eerder is, want de eerste busladingen met Scandinaviërs zijn hier al gesignaleerd. De Noorderpoort is redelijk intact gebleven. Overal op het terrein wordt nog gewerkt.
Er komt een informatiecentrum speciaal voor deze vindplaats. Een route loopt door het gebied heen en er zijn al enkele informatiepanelen aangebracht, zoals naar de plek waar de tempel van Naos moet hebben gestaan.
We raken aan de praat met een van de arbeiders. Tineke denkt dat het een Engelsman is, omdat hij die taal echt perfect spreek. Hij bedankt haar daarvoor, maar ontkent het verder. Het is een Griek, die in Rome archeologie heeft gestudeerd. En hier doet hij diverse klusjes. Hij maait het gras, sjouwt met hout en zet met scherven een amfoor in elkaar.
Archeologen zijn echte puzzelaars en die kijken niet op een puzzelstukje meer of minder. Hij vertelt ons verder dat er in 2009 in Igoumenitsa een museum wordt geopend waarin wordt verwezen naar misschien niet alle maar wel naar veel archeologische vindplaatsen in de provincie.
Naar een plek om te lunchen.
We bezoeken voor de tweede achtereenvolgende dag het strand en de baai van Ionakki. Er staat meer wind, dan gisteren. Het water is nu een stuk frisser en Tineke houdt het in zee al snel voor gezien. Ik pak nog lekker een tweede duik mee. De baai is diep en voor de kust borrelt hier water op uit een zoetwaterbron. De wel heeft aan de oppervlakte wel een diameter van enkele tientallen meters. Schepen die hier in het verleden voor anker gingen maakten van deze bron gebruik om water bij te vullen. De baai zelf heeft een kleine uitloper, waar een bootje haar anker heeft uitgeworpen. Vlakbij, op een rots, heeft een man zijn hengel uitgeworpen. Dit strand is opnieuw rustig. Vooral omdat er veel mensen komen, die even het water in gaan, zich laten opdrogen en dan weer vertrekken.
Het avondeten slaan we een keer over.