13 oktober 2008

Besje

Zaterdag 6 september 2008
Vandaag is het grote schoonmaak in het complex. De bovenburen verdwijnen allemaal en daar komen ook weer drie koppels voor terug, waarvan er een in het Zagoriagebied is geweest. We zien ze aan het eind van de middag en begin van de avond voorbij schuifelen.
Wij gaan vandaag naar Ali Pasja, althans naar zijn kasteel, in Anthoússa, vlakbij de afslag naar Tríkorfo.Gemakkelijk te wandelen, je doet daar wel een paar uur over. Een tweede optie is het treintje nemen en anders doe je het gewoon met de eigen auto. Zoals wij. En we belanden op weg omhoog achter de tuftuf, die toeristen voor acht uitgeklede euro’s naar het kasteel rijdt.De machinist maakt netjes plaats voor ons en even later parkeert Tineke haar toettoet onder de dikke muren van Ali Pasja.
Ali werd in 1741 in Tepelini in Albanië geboren. Een vrijgevochten jongeman. Hij hielp de Turken in 1787 in hun oorlog tegen de Oostenrijkers en werd als dank voor die behulpzaamheid een paar jaar later tot Pasja van Trikala benoemd.Ali Pasja dus. Hij nam tevens het bestuur van Ioannina over. Met 35.000 inwoners (toen) was dat een belangrijk handelscentrum in de Balkan. Onder zijn heerschappij beleefde Ioannina háár gouden tijd. Maar Ali Pasja was ook bijzonder wreed en onberekenbaar, niet te vertrouwen. Hij vermorzelde bijvoorbeeld de Soulieten, die van het beeld bij Zalongou. Een ander feit; Ali Pasja sloot in 1797 een verdrag met Napoleon, die van Bonaparte. Je weet wel, de slag bij Waterloo. Ondanks dat verdrag verdreef Ali Pasja na een jaar de Fransen uit Préveza, vermoordde ze en stuurde de hoofden op naar Sultan van Konstantinopel.
Maar hij maakte het uiteindelijk toch ook te bont door vanaf 1807 de orders van de sultan naast zich neer te leggen. De sultan accepteerde dat nieten zond troepen om die eigengereide Albanees op zijn nummer te zetten. Ali Pasja trok zich terug in Ioannina en leverde de rest van het land over aan de Turken, die de stad belegerden. Die stad mochten ze ook hebben, alleen zijn paleis wilde hij – met een groep getrouwen – wel verdedigen. Daar lagen ook zijn rijkdommen opgeslagen. De Turkse commandant Ismail Pasja snoerde het net om de Albanees steeds dichter en toen hij nog maar honderd volgelingen over had, opende Ali Pasja na achttien maanden de onderhandelingen met de belegeraar. Die kende echter de reputatie van zijn tegenstander, nam geen halve maatregelen en belazerde Ali Pasja. Die werd gevangen genomen en onthoofd.
Het kasteel van Ali Pasja, hij heeft daar overigens nooit echt gewoond, het diende slechts als uitvalsbasis voor de strijd tegen Párga, geeft een goed beeld van de tijd. Dikke muren. Een binnenmuur en een buitenmuur. Moeilijk te bevechten.De kanonnen zijn nog steeds gericht op Párga. En tegenwoordig gratis opengesteld voor publiek.
Een oud besje terroriseert er de toeristen. Geen foto’s maken, maar wel drie euro betalen voor een zakje gedroogde kruiden, waar je in Párga slechts een euro voor neertelt. Oh ja, je krijgt ook nog wat verlepte druiven mee, waar een ander drie euro voor betaalt plus nog een rot appeltje. De goedheid zelve. Tineke heeft er wel plezier in. Zeker als ze ziet hoe snel dat wijffie een briefje van twintig euro weet te wisselen.
Maar goed, ik houd het voor gezien en bekijk de omgeving van een hoog standpunt aan de kust en laat het onderhandelen maar aan mijn eigen vrouw over. Ze wordt er overigens geen cent wijzer van en daar hebben ze eigenlijk alle twee best schik om.
Op ons programma staat nog het bezoek aan een opgraving. Volgens de hostess moet het vlak bij Aríllas liggen. De eerste afslag die we nemen is te vroeg. Vermoedelijk kom je er zo ook wel, maar goed wij rijden terug, naar de buitenwijk van Pérdika en volgen dan de weg naar Sívota. Al snel doemt dan een bord met de verwijzing naar een archeologische opgraving op. Een tweede verwijzing volgt en daarna is het zoeken. Ja, er loopt een gevaarlijke trap heen. En er is nog een weg. Linksom? Dan beland je in de dorenstruiken. Rechtsom? Die weg eindigt tussen de campers. Vlakbij het strand.
Dus de trap blijft over. Met ieder een flesje water gaan we omhoog. Het is zwaar. Het is bovendien de heetste dag van ons verblijf in Épiros tot nu toe. Fantastisch uitgezocht.Bij de onderkant van de stadswallen van Dinokastro hebben we een prachtig uitzicht op de baai van Karovostasi.Tineke blijft hier achter en ga ik alleen verder. Het kan niet ver meer zijn. Ik hijg en puf.De trap is niet helemaal afgewerkt. Het laatste stukje is rul zand. Ik moet door een hek heen en klauter over een muur.Boven op de heuvel liggen de restanten van een tempel afkomstig uit de vierde eeuw voor Christus. Ik pas, maak die tocht omhoog niet meer.Boven staan mensen. Ze zwaaien. Ik zwaai terug. Ik heb Tineke lang genoeg alleen gelaten.Ik daal af, bel dat ik eraan kom. Heb geen bereik. Samen dalen we verder. Tot we een tegenligger ontmoeten. Als ik zeg dat het nog wel zo’n twintig minuten klimmen naar boven is, gaat de man op een holletje naar beneden. Naar zijn vriendin en een stoere jeep. Daarin vertrekken ze samen.
Ik heb ondertussen trek gekregen in een pitabroodje gyros. Die moeten we maar in Pérdika halen. Die tent die wij uitzoeken verkoopt ze; ’s avonds. Ja we kunnen wel wat drinken. Bij de buren verstrekken ze volledige maaltijden. En daar hebben we geen zin in. Het pleintje ziet er knus uit, maar kan wel wat mensen gebruiken.Het fonteintje wordt uitgezet en dat is het teken voor de winkeltjes om de deuren te sluiten. Pérdika begint aan zijn middagdutje. Zelfs het gokhuis gaat op slot. Net op tijd weten wij nog een broodje te bestellen. Een met worst voor mij en een hamburger voor Tineke. En dat geserveerd met patat. Patat met zout! Erg veel zout, de verkoper is duidelijk uitgeschoten.Dat is overigens niet de reden dat Tineke bij een kiosk nog wat water inslaat. Zonder water overleef je niet in Griekenland. En niet overal komt het water uit de muur.
En wat moeten we verder. In een verlaten dorp, waar zelfs prikbord-Cornelios zich niet laat zien. Niets dus. Dan maar naar een strand, een klein strand. Daar zijn er genoeg van hier in de omgeving. Ik noem er maar een paar; Agali en Stavrolimenas. Wij kiezen echter voor Sarakiniko. Hier schuilden vroeger Noord-Afrikaanse piraten. En nu is het een geliefde plek voor strandgangers. Aan de rand van het strand hebben zich diverse taveernes genesteld. En iets daarboven liggen enkele appartementen. Zo rol je bijna rechtstreeks van je bed het water in. Wel oppassen, want het loopt hier snel af en er staat een flinke golfslag. Het strand zelf heeft grove steenslag, zodat een ligbed geen overbodige luxe is. Of een matje gebruiken.
Tineke is vlotter dan in het water dan ik. Geen kunst voor zo’n jong ding. Maar ik houd het op mijn beurt langer vol in het water. Dat is aangenamer dan op het droge waar de zon onbarmhartig op onze lijven brandt. De zeewind zorgt ervoor dat je dat branden niet voelt.Oppassen dus. Dat weten we en daarom houden we het snel voor gezien.
Bij Aléca lopen de meiden van Paraskeví er fantastisch uit. Zij zijn bruidsmeisjes. O Christos, die weer terug is uit de hoofdstad, en Paraskeví zien er zelf heel wat minder feestelijk uit. Met zijn vieren kruipen ze op een scooter.
’s Avonds eten bij Birds of Paradise. Aan tafel dertien. Daar moet nog worden gedekt. Heel behulpzaam til ik de map op die op tafel ligt. En daar rollen de euro’s meteen uit. Het mapje met de rekening van de vorige gasten. Dat heb ik weer. Ach, nummer dertien en het is niet eens vrijdag. Even later gaat bij een andere tafel de azijn en de olie om. De serveerster kan er wel om lachen en ligt even later dubbel als een gast een letterlijk flitsende groene bril op zet.En het eten prima. En het ijs, lekker koud, zoals ijs hoort te zijn.

12 oktober 2008

Folklore

Vrijdag 5 september 2008
Zoals iedere andere ochtend wandel ik in alle rust naar de bakker om de hoek voor minimaal een olyki. Neem je er een normaal wit bij, dan ben je 1,70 euro kwijt. Na het ontbijt op ons balkonnetje rijden we weg voor een rit van ongeveer negentig kilometer, naar Dodóni en het orakel van Dodóni.
Om daar te komen nemen we de weg naar Paramithiá. Zoals ons al eerder al is overkomen raken we al snel verdoofd, door de adembenemende rust, nemen bij Morfi de verkeerde afslag en draaien een honderd verder, om op de juiste weg uit te komen. Net voorbij Paramithiá komen we in de drukte terecht, de gekte van het verkeer dat klimmend en draaiend op weg is naar de snelweg van het noorden. Met z’n allen achter een Italiaanse bestelbus, dat in een bocht nagenoeg stil staat. Achter ons begint de rij zich te roeren. De gril van een boosaardige vrachtwagen torent hoog boven de bumper van onze grijze Ibiza uit. De chauffeur laat de claxon loeien. Dan denk je maar aan een ding: aan de kant. Dat doen zowel de bestelbus als Tineke, zodra er een afrit voor zandwagens opdoemt. En weg spuit de rij macho’s.
Op de snelweg neemt de auto een loopje met Tineke. Ze heeft geen grip op het wagentje, zoals de banden nauwelijks grip hebben op het nieuwe asfalt. Een tunnel met een lengte van een kilometer maakt het er niet beter op, zodat het zo’n achttien kilometer zweten wordt, terwijl de ramen van de wagen toch echt vol open staan. Het stuk snelweg eindigt bij Tiriá. Daar is snelweg nog niet klaar en er rest ons niet anders dan de hoofdweg te nemen, een afstand van slechts dertien kilometer. Een fluitje van een drachme naar het orakel van Dodóni.
Dat wordt door menigeen beschouwd als de oudste van de Griekse wereld. Volgens de bekende Herodotus is het gesticht door een van de twee priesteressen, die door de Feniciërs uit het oude Egypte zijn meegenomen. De ander is verkocht in Libië en sticht daar het Ammon-orakel, in de oase Siwa.
Volgens een ander verhaal vliegen er twee duiven weg uit Thebe. Een zwarte naar Siwa en een witte naar Dodóni. Daar draagt de duif met een menselijke stem op een heiligdom voor Zeuss te bouwen.
Oorspronkelijk is het orakel gewijd aan een pré-Hellenistische god, vermoedelijk is dat Gaia (de aarde). Vandaar ook de keuze voor Zeuss Naios, niet te verwarren met de oppergod Zeuss. Hij wordt geflankeerd door zijn vrouw Dione en hun dochters Aphrodite en Themis.
Het eerste bewijs voor het bestaan van dit heiligdom dateert uit de veertiende eeuw voor Christus. Het gaat om resten aardewerk en hutten, die onder de zuilengang van het bouleterion zijn ontdekt.Het orakel is veelvuldig geraadpleegd in de achtste en zevende eeuw voor Christus. Uit die tijd stammen vondsten van driepoten, wapens en beeldjes. In die vierde eeuw is Dodóni het centrum van de Melossische bond, hierin zijn de schaapherderstammen verenigd. Later wordt het door koning Pyrrhus verbouwd, geplunderd door de Aetoliërs en met zeventig centra in Épiros door Lucius Aemilius Paullus verwoest als straf voor hun steun aan Perseus. Ook daarna is het nog opgebouwd en verwoest. Heel normaal eigenlijk voor oude Griekse centra.
Over zo’n plek moet niet al te lichtvaardig worden gedacht. Het is niet alleen een tempelcomplex, maar het is de voedingsbodem voor een hele stad. Die bebouwing is nog steeds toegedekt met een flinke lading grond, zodat ook de archeologen uit de toekomst nog iets te spitten en te vegen hebben. Bij een stad hoort een arena, waarin – in het geval van Dodóni – tot de in derde eeuw na Christus de Naia-spelen zijn gehouden.
Verder behoort er een theater te staan, vermoedelijk gebouwd in de derde eeuw. Dat is het meest massale gedeelte van deze archeologische plek.Het onderste deel rust op de helling van de heuvel waarop Dodóni is gebouwd. Het bovenste deel wordt gestut door twee muren en versterkt door zes torenvormige steunberen.
Zoals gezegd staan hier diverse tempels. Die van Zeuss is de meest bekende met een boom binnen haar muren.Onder die boom stonden vroeger diverse driepoten met daarop bronzen ketels. Aan de takken van de boom waren botten gebonden, die bij ieder zuchtje wind tegen de ketels sloegen en dan geluid voortbrachten. Ik hoor het denken, daar komt dus de windgong vandaan. Heel simpel eigenlijk. Maar niet voor die tijd. De priesters interpreteren de geluiden als de antwoorden op de vragen aan de god.
En uiteraard ontbreken de tempels voor de gade Dione en de dochters Aphrodite en Themis niet. Verder is er een tempel gewijd aan Heracles ontdekt en staat er op het terrein de restanten van een christelijke basiliek.
De komst van het christendom in de streek betekent overigens ook het einde van het orakel. Begrijpelijk. Maar dan ook die eik moet worden omgehakt? Zo erg is dat toch niet. Dat gebeurt in 392. En daar blijft het niet bij. Heidens geloof moet je met wortel en al uitroeien en dus graaf je wortels uit, zodat er niets meer over is.
Ook in Dodóni wordt weer hard gewerkt door archeologen en hun hulpjes. Overal ontsieren hard-oranjekleurige netten de omgeving. Hadden ze niet voor een neutralere kleur kunnen kiezen. Legergroen bijvoorbeeld. Of Zeuss draait zich bij het zien van die afschrikwekkende netten alsnog om, of hij houdt van Oranje.
Vlakbij Dodóni ligt het plaatsje Melingí.Vergeten behalve door de bewoners zelf, die via een folkloristisch museum zichzelf en hun families een plekje in de historie te geven. Het museum is gesloten als wij er komen. Even bellen naar een van de twee nummers die staan vermeld of de sleutel ophalen bij het café naast de kerk. Maar dat is dicht, gezien een groot officieel plakkaat op de deur. Op last van de belastinginspecteur?Een buurman biedt uitkomst. Hij belt de sleutelbewaarster, die even later komt aandrentelen. Ze opent een wereld, zoals die er van onze voorvaderen heeft uitgezien. Een wereld van houten en ijzeren gebruiksvoorwerpen, zoals eggen, zagen en schaven, strijkbouten en kleding die tot vijftig jaar geleden nog hier in het dorp door de dorpelingen wordt gedragen. Als welkom krijg ik een glaasje eigen gestookte tsiporou. Tineke bedankt voor de eer; zij moet nog rijden. En bekijkt vooral de foto’s langs de muur, die een deel van de geschiedenis van de bevolking vertelt.
De sleutelbewaarster is met haar 61 jaar de jongste van het dorp. Ze heeft in Duitsland gewoond, in Frankfurt am Main, samen met haar man die daar les heeft gegeven. Het dorp heeft nu nog ongeveer 130 inwoners, inclusief de mensen in de heuvels. De jongeren zijn allemaal weggetrokken. Haar eigen kinderen naar Thessaloniki en Frankrijk. Als er niets gebeurd, dan is ook dit dorp gedoemd om te verdwijnen.
Entree betalen hoeft niet. De gezamenlijk bewoners zijn trots op wat zij bijeen hebben gebracht. En laten het graag zien. Natuurlijk stellen ze het op prijs als je een of twee ansichtkaarten koopt.Er is zelfs een boekje verschenen, in 1995. Te koop voor het luttele bedrag van zes euro. Er ligt nog een stapeltje. Die van mij ligt veilig opgeborgen.
De terugweg is simpel. Nou ja, als je de grote weg neem. Maar wij duiken onderlangs. Vanaf Tiriá komen we door plaatsjes met namen als Kato Asprochóri en Artopoúla, komen twee keer door Pardalítsa. Die naam lijkt ook wel heel veel op Paramithiá, qua schrijfwijze op zijn Grieks dan - Παραμυθιά en Παρδαλίτσα – zodat ik de twee namen in het voorbijsnellen door elkaar haal. Het rondje bergopwaarts is hiermee wel verklaard en de opmerking van Tineke ‘Hier ben ik al geweest’, daar is geen speld tussen te krijgen.
We komen trouwens wel in Paramithiá en vandaar snellen we door naar Párga. Voor de kust ligt een grote boot.
Daar doe ik een wasje en waag een tweede poging, vanuit een ander adres zonder hinderlijke firefox, om een mailtje te versturen aan onze vakantievolgers. Die weten dat onze vakanties niet saai zijn. Het verhaal dat ik eerder deze week schreef samen met Tineke kan ik niet terugvinden in de verzonden items. Vind hem ook niet in mijn mailbox als ontvangen bericht. Maar mailen lukt wel. In een verkorte versie doe ik mijn gehaaste verhaal over het paspoort, het schildpad en de vrachtwagencombinatie, waarna ik beloof om snel weer samen aan de slag te gaan.
Eten doen we vanavond bij Akroudas (de beer) en die staat met Noors shirt op tafel. Ik dol wat, door bij het dekken van de tafel de beer te ontvoeren. Dat shirt is overigens heel begrijpelijk want de echtgenote van de Griekse eigenaar is een pur sang Noorse en haar kinderen zijn al net zo blond. Nee, gewoon blond. Niet dom. Die twee knaapjes kunnen over een paar jaar ieder Grieks meisje krijgen die ze maar willen. Of een jongen, niet discrimineren.
Tineke kiest voor een Bakaláo Skordatia (gefrituurde vis) en ik doe het met Kokkinistou (gehakt rundvlees). Namens het huis krijgen we watermeloen en een stukje gebak toe. De Griekse gastvrijheid. En echt niet duur.
Tineke heeft daarna haar zinnen nog gezet op een ijsje. Dat valt erg groot uit, dus we moeten maar delen. Nog beter ik neem een bescheiden bekertje. En we ruilen, mixen nog wat smaken en laten het smaken.

10 oktober 2008

Geklep

Woensdag 4 september 2008
De auto blijft een dagje staan. We gaan varen, bootje varen naar de overkant. Met de Vicky F, een van de boten die vanuit Parga een excursie maken naar Paxos en Antipaxos. Twee Ionische Eilanden, die we kunnen bijschrijven op het aantal bezochte eilanden. Maar alles begint uiteraard bij een goed ontbijt.
We moeten twintig minuten voor afvaart bij de haven zijn. Dat lukt ons net niet. Maar, het is goed zo. De mensen die wel op tijd zijn vinden een plekje op het achterdek. En ach, voor ons hoeft dat niet zo. Beneden is plaats zat in de kajuit. Daar is het lekker rustig en je loopt ook nog eens zomaar de voorplecht op. Lekker gemakkelijk voor het fotograferen.
Die rust is overigens maar heel betrekkelijk. We zitten nauwelijks of we worden overvallen, door een gezelschap Italianen op leeftijd. En die kunnen flink kwetteren. Als we Paxos naderen ga ik naar buiten.We gaan eerst naar Longos, de kleinste van de kustdorpjes op dit eiland. De boot laat ons hier alleen maar snuiven, iets proeven van de sfeer van dit eiland, draait in de baai is al weer weg uit de haven van dit pittoreske vissersdorpje voor een deel van het gezelschap beseft waar we zijn.
Langs de kust liggen diverse kleine strandjes.Nauwelijks te bereiken over land. Een sloep of jetski brengt uitkomst voor de srrandhapper. Die jetski’s zijn ondingen, met hun gigantische snelheden. De golfslag is enorm en daar moet je als ongeoefende zwemmer niet in terechtkomen. Hier rond dit eiland zie ik diverse van die crossmotoren op het water stuiteren.
Lakka is het meest noordelijke dorp en daar krijgen we de gelegenheid om te zwemmen. Dit plaatsje trekt vooral in de maand juli veel bezoekers. Dan wordt er een groot cultureel festival gehouden. We zijn twee maanden te laat. De aanplakbiljetten hangen er nog. Ook nu valt er nog iets te beleven; ’s avonds. We zijn te vroeg.In Lakka leggen veel jachten aan, gaan een paar nachten voor anker. In een veilige baai. Lakka betekent niet voor niets gat, hol. De bakker doet er goede zaken. Niet iedereen wil bij een taveerne zitten en een kaaspie of spinaziepie smaken ook goed.
Behalve Longos en Lakka zijn er nog wat gehuchten als Fontana, dat zijn naam inderdaad dankt aan een fontein. Verder heb je Magazia met enkele prachtige kerken. In het midden van het eiland ligt de Agios Isauros, met 250 meter de hoogste berg, van het eiland. Hier liet Poseidon zijn drietand achter. Met die drietand had Poseidon een stuk van de zuidpunt van Kérkira afgeslagen. Dat stuk rots noemen we tegenwoordig Paxos en hier leefde Poseidon ongestoord en niet te vinden (de bladen waren er nog niet maar roddels wel) met de nereide Amphitriti in de grot Ipapanti.Dat is ook de eerste zeegrot, die we met een bezoek vereren. Want wat men in de mythologische tijden niet kan, lukt tegenwoordig wel.
Aan de westkust van Paxos liggen een aantal zogenoemde blauwe grotten en wij brengen aan een drietal een bezoek: Galazio en Ortholithos. Dat moet je de huidige Grieken nageven. Als er ergens door de lichtval in een zeegrot een vreemde gloed waarneembaar is dan wordt dat door hen flink uitgemolken. Nog mooier is het als de boot zo’n grot in kan varen. De Grieken zijn ook maar mensen en geen goden. Sommige van die mensen zijn heel erg inhalig en schaffen een grotere boot aan, zodat er meer mensen van al dat fraais kunnen genieten. Ja en niet iedere boot kan iedere grot in, dus moet je het maar van een afstandje bekijken. Op de Vicky F hebben we daar geen last van en wij dringen ver de grotten in.
Na Ortholithos tuffen we een tijdje door en laat ik mijn gedachten los, om pas de draad weer op te pakken bij Antipaxos. Nagenoeg onbewoond. De westkust bestaat uit hoge kliffen, in het oosten liggen enkele zandstranden. Doordat Apo en Kato Choria geen appartementencomplexen zijn, zie je op dit eiland eigenlijk alleen maar dagjesmensen, die hier met een boot arriveren. Of bootjesmensen die een dagje of meer voor de kust blijven liggen. De bevolking leeft voornamelijk van de wijnbouw en de visserij.
We worden voor Voutoumi met zijn allen in het water geplonsd en als iedereen veilig terug is aan boord varen we terug naar Paxos en wel naar Gaios, waarvan de geschiedenis nagenoeg parallel loopt aan die van Corfu. De Venetianen heersten hier van de veertiende tot de achttiende eeuw en in die tijd werd ook de burcht Agios Nikolaos op het gelijknamige eilandje gebouwd. De vraag van de kip en het ei doet hier opgeld.
In 1537 werd er voor de kust een grote zeeslag uitgevochten, waarbij de christelijke vloot onder leiding van Andrea Doria de Turken versloeg.
Terwijl wij de haven van Gaios binnenvaren verlaten achter elkaar de Marco Polo en de Captain Hook deze plaats. Dit zijn de twee grote jongens uit Párga die bootexcursies maken naar Paxos en Antipoxos. Tussen deze twee bestaat veel rivaliteit, die ook nog eens door toeristen op prikborden wordt opgeklopt. De boten zitten normaal veel voller dan de Vicky F, die op dinsdag en donderdag een uitgebreidere toer naar deze eilanden maakt. Misschien is dat wel de reden dat ‘onze boot’ vandaag duidelijk voller is dan de concurrenten.
Gaios is de hoofdstad van Paxos en is vernoemd naar de heilige Gaios, een van de discipelen van Paulus. En zo zie je maar weer, niet alleen Jezus had zijn discipelen, maar ook zijn volgelingen beschikten daarover.In de Agios Apostoli liggen volgens de overlevering de stoffelijke resten van deze Gaios.
In dit plaatsje koop ik een T-shirt voor Gianny en drink iets later een heerlijke Fischer. Een Franse pilsener, met een Hollands tintje, maar heel wat smakelijker dan onze grootste Nederlandse brouwer de toeristen in Griekenland voorzet.
Op de terugweg ronden we Agios Nikolaos, passeren de bocht Manesko waar de grote boten in Gaios aanleggen en glijden langs het kleinere eiland Panagia, met haar gelijknamige klooster.
Op de terugweg wordt de bakboordzijde van het voordek ingenomen door een groepje jongeren, maar aan stuurboord hebben de Italiaanse oudjes het voor het zeggen.
Zij kleppen en voeren het hoogste woord. De hele reis.Voor we in Parga kunnen aanmeren moeten we even wachten op een redelijk grote veerboot die een lading mensen afkomstig van Kérkira uitbraakt.
’s Avonds eten we bij Dionysos, de god van de wijn en de vreugde. Dat moet wel goed zijn. We zitten hoog, kijken over de baai uit en genieten van de flanerende Griekse bevolking en de toeristen, die voortdurend heen en weer lopen op de boulevard; zien en gezien worden.De souvlaki wordt door Tineke als niet gaar bestempeld, maar eerlijker is gewoon om te stellen dat er wat moeite mee heeft, want mij smaakt het prima. Ook de kotelet is hier van prima kwaliteit en met de watermeloen is ook niets mis. Het bevat, zoals het hoort, tientallen pitjes.

9 oktober 2008

Archeoloog

Woensdag 3 september 2008
Het vaartochtje moet nog een dagje wachten. Tineke stelt voor om nog een poging te wagen om de opgravingen van Eleia te ontdekken. Voor achten sta ik al bij de bakker, de mini-market is nog gesloten. Het broodbeleg komt straks wel, als we op pad gaan.
Ik kies ditmaal voor een rustigere route richting Paramithiá. Eerst het Pérdika van Cornelios. En daar afsteken. Nou ja afsteken. Door de heuvels rijden, via kleinere wegen. Bij Kartéri een klein stukje hoofdweg en dan weer het binnenland in.We zien een verlaten dorpje liggen, dorpjes en gehuchten zoals er veel meer zijn in Griekenland. We rijden door naar Mesavoúni waar Tineke tankt voor 1,19 euro per liger. Jaloers? Het kan nog goedkoper. We hebben ook prijzen gezien van 1,16. Duurder kan echter ook, 1,31 euro. Een prijsverschil van 15 eurocent. En het kwartje van Kok zit hier niet in.
Tussen Mesavoúni en Ambeliá ligt het Prontánimeer. Langs de weg een prachtige libel.Ik ga meteen op zoek naar een margriet. Maar die is hier niet. Het meer is grotendeels droog gevallen. Het regenseizoen moet nog beginnen. En hier stroomt geen rivier die het meer dagelijks voedt.Het meer moet het vooral van regenwater hebben en smeltwater. Dus de winters zijn heel belangrijk. Inderdaad, dan leven veel Grieken hier in het gebied van de wintersport. Wintersport? Ja, hier vlakbij ligt een bekend skigebied. Maar wel opschieten, als je in Griekenland want ook hier veranderen de winters.
Via het nagenoeg verlaten Sevastó, waarom staat hier een taxi midden in het dorp, rijden we verder naar het noordoosten. Een paar kilometer zuidelijker van Paramithiá bereiken we de hoofdweg en slaan naar rechts af. We moeten naar Chrisavgí, aan de voet van het Paramithiás-gebergte. Nog voor de kerk met het bordje Eleia. En inderdaad iets verderop krijgen we nogmaals een aanwijzing van een archeologische vindplaats. Ook zijn er verwijzingen naar een grot en een klooster. Dat klooster zien we niet. De grot wel die ligt halverwege de rotswand. Daar loopt een pad heen, dat betekent vermoedelijk een paar uurtjes wandelen.
Dat hoeft naar Eleia niet. Dat ligt zomaar voor onze voeten. Langs de kant van de weg. En geloof het of niet, maar die slimme Grieken van weleer hebben ver vooruitgedacht en er ook een fiks parkeerterrein bij aangelegd, zodat in de toekomst er zelfs bussen kunnen parkeren. Die bussen hadden ze uiteraard niet toen Eleia in de vierde eeuw voor Christus werd gebouwd op de ruïnes van een Hellenistische nederzetting.Eleia zelf is een Venetiaanse vesting met muren die gemiddeld zes meter hoog zijn en vier meter dik. Onneembaar.Nou vergeet het maar. In 551 werd de stad door de Goten vernieuwd.
En over een jaar of twee weer te bezichtigen. Als het al niet eerder is, want de eerste busladingen met Scandinaviërs zijn hier al gesignaleerd. De Noorderpoort is redelijk intact gebleven. Overal op het terrein wordt nog gewerkt.Er komt een informatiecentrum speciaal voor deze vindplaats. Een route loopt door het gebied heen en er zijn al enkele informatiepanelen aangebracht, zoals naar de plek waar de tempel van Naos moet hebben gestaan.
We raken aan de praat met een van de arbeiders. Tineke denkt dat het een Engelsman is, omdat hij die taal echt perfect spreek. Hij bedankt haar daarvoor, maar ontkent het verder. Het is een Griek, die in Rome archeologie heeft gestudeerd. En hier doet hij diverse klusjes. Hij maait het gras, sjouwt met hout en zet met scherven een amfoor in elkaar.Archeologen zijn echte puzzelaars en die kijken niet op een puzzelstukje meer of minder. Hij vertelt ons verder dat er in 2009 in Igoumenitsa een museum wordt geopend waarin wordt verwezen naar misschien niet alle maar wel naar veel archeologische vindplaatsen in de provincie.
De parkeerplaats aan de rand van Eleia wordt vandaag onze picknickplaats. De archeologen en andere mensen, die hier aan het werk zijn, houden het voor gezien. En in colonne gaat het naar beneden, naar het dal.Naar een plek om te lunchen.
We nemen de weg naar Glikí en doorkruisen vervolgens een landbouwgebied, waar vooral maïs wordt verbouwd. Als je niet beter zou weten, waan je je hier bijna in Nederland. Dorpjes zijn hier in het stroomgebied van de Achéron op terpen gebouwd. Op zoek naar de juiste richting maken we een stop in Thémelo.
We bezoeken voor de tweede achtereenvolgende dag het strand en de baai van Ionakki. Er staat meer wind, dan gisteren. Het water is nu een stuk frisser en Tineke houdt het in zee al snel voor gezien. Ik pak nog lekker een tweede duik mee. De baai is diep en voor de kust borrelt hier water op uit een zoetwaterbron. De wel heeft aan de oppervlakte wel een diameter van enkele tientallen meters. Schepen die hier in het verleden voor anker gingen maakten van deze bron gebruik om water bij te vullen. De baai zelf heeft een kleine uitloper, waar een bootje haar anker heeft uitgeworpen. Vlakbij, op een rots, heeft een man zijn hengel uitgeworpen. Dit strand is opnieuw rustig. Vooral omdat er veel mensen komen, die even het water in gaan, zich laten opdrogen en dan weer vertrekken.
Dat doen wij ook. Een geslaagde dag.Het avondeten slaan we een keer over.