Donderdag 4 oktober 2007
Zo aan alles komt een eind. Ook aan dit verhaal in zestien delen. Althans op mijn weblog, want daar moet ik eigenlijk nog vier hoofdstukken bij optellen. Een voorafje via mailtjes, twee mailtjes vanaf Skyros en een mailtoetje, nadat we al een paar dagen thuis waren. En dan dus ook nog eens dit laatste deel uit mijn dagboek.
De laatste wandeling naar de bakker. Nee, ik ga er geen tragedie van maken. Wel tragoudao: Summertime.Een vertaling nodig? Tragoudao = ik zing. Summertimedus ; mijn lievelingssong, afkomstig uit Porgy and Bess. Een klassieker, die in duizenden uitvoeringen te horen valt. Jazzie, country, latin, hardrock, close harmony, in allerlei talen, instrumentaal.
Bij de bakker neem ik wat extra broodjes mee. Ook voor Tineke, die meestal geen hap door haar keel kan krijgen, vlak voor we de lucht in gaan.
Op de terugweg wip ik nog even bij Stélios langs. Ik zie hem scharrelen in zijn restaurant en vraag hoe het met zijn vrouw is. Niet zo best dus. Ze heeft nauwelijks een oog dicht gedaan en hij ook nauwelijks. Zijn vrouw heeft pijn in haar nek en tevens hoofdpijn. De arts heeft haar gisteren een paar injecties gegeven, daardoor heeft zij zich wel iets kunnen ontspannen, maar daar waren haar problemen niet mee opgelost. Ik wens hem nogmaals sterkte en zijn vrouw beterschap en neem afscheid.
Het ontbijt is met een zacht gekookt eitje. Dan zijn die ook op. En daarna ruimen we de boel op en pakken de laatste spullen in. Ruim voordat de bus arriveert, we zijn de laatsten in de rij die worden opgehaald, staan we bij de weg te wachten. De honden van de overkant wippen nog een keer aan.
De rit naar het vliegveld gaat snel. Daar is het tas pakken en aansluiten in de rij. Voorlopig echter blijft het bij de tassen neerzetten. Want het scanapparaat voor onze bagage en de apparatuur voor het inchecken op het vliegveld hebben het begeven.
Wie meteen zenuwachtig gedoe verwacht, komt echt bedrogen uit. De Grieken zijn wel iets gewend. Ook op een militairvliegveld. Of misschien juist wel daar.
Het uitvallen van de apparatuur betekent dus wroeten tussen vuile onderbroeken, zegt een van de mensen voor me.
Maar ook dat gebeurt niet. De Grieken zijn gewoon niet voor een gat te vangen. Er is altijd nog zoiets als een handscanapparaat en daar passen ook koffers en tassen door. En het ach een labeltje om de tassen en de koffers plakken is niet zo moeilijk. Dat gaat wel zonder dat er melding gemaakt wordt van wie welke tas of koffer is. En het inchecken, dat gebeurt met de hand en op een geschreven lijst, zodat iedereen toch een plekje krijgt in het vliegtuig en er ook nog eens bekend is waar iedereen zit.
Er is nog een voordeel van deze oneffenheid. We hadden wat drinken meegenomen, omdat we waren gewaarschuwd dat we op het militaire vliegveld niets konden kopen. Dat was overigens wel het geval, maar goed veel keus was er niet. Ik had drinken in mijn handbagage gestopt en de blikjes fris en ice-tea en het flesje water hoefden er niet uit. Gingen ook zo mee het vliegtuig in.
Het afhandelen van de bagage ging eigenlijk best vlot en de tassen lagen razendsnel in het vliegtuig van Transavia, dat vlot weer opsteeg nadat het op Skyros was geland.
Het was bewolkt onderweg, even wat trillingen. Ach, daar kijk ik niet van op. De hele weg heb ik beelden van Skyros teruggezien. Op mijn netvlies. De cultuur. De gebouwen. De wandelingen. De rust. De zon. De baaien. De wind. De kastro, die ik ineens wel binnen kon komen.
Of heb ik het allemaal gedroomd?
Is de hele vakantie een grote droom geweest?
Boven Nederland viel er weinig te zien. Voor mij sowieso al nooit veel, want ik zit gewoonlijk op de tweede rang, terwijl Tineke uit het raam kan kijken. Ons huis kon zij echter ook niet ontdekken.
Landen op Schiphol, even een snelle stop bij het toilet, bagage afhalen en kaartjes kopen voor de trein. Het is allemaal zo gewoon. En het ging weer eens zo snel.
We hoefden ook slechts een paar minuten te wachten op de trein naar Almere.
En bij station Buiten stond de gewaarschuwde Raema al klaar om ons de laatste lift naar de Pythonstraat te geven. Toch eindelijk een slang, 10us. Maar voor deze hoef je niet bang te zijn.
Om kwart voor vijf stapten we ons huis binnen. Het eerste wat ik daar deed, was voor Tineke de oven aanzetten. We hadden in de vriezer namelijk pizza’s liggen. Nee, we gingen niet uit eten bij de Griek.
Om kwart over zes zat Tineke al weer in de trein.
Terug richting Amsterdam. Naar Ajax. Bij een 0-3-achterstand tegen Dinamo Zagreg keerde
zij samen met Naomi en een heleboel Ajax-fans de ArenA al weer de rug toe. Een verloren avond. Einde van internationaal voetbal.
Ach en thuis, daar maakte de wasmachine al overuren.
Maar we gaan onszelf niet helemaal als Grieken gedragen. We zijn uiteindelijk gewoon Hollanders en die willen ’s morgens ontbijten met vers brood.
Maar eerst wil Tineke nog een keer het stof van haar auto wassen. Nee, ik hoef niet te helpen. Ze doet het wel even alleen en niet zo grondig als de eerste keer, toen ik ook meteen wasbeurt meekreeg.
Op een vrijwel verlaten plein genieten we van onze laatste frappé van dit jaar. Tot volgend jaar zullen we maar zeggen.
Dichter bij de kust laveert een vissersbootje. Met daarop de taveerne-eigenaar annex excursieleider. Een echte magnaat, die een hele holding beheert.
We rijden nog een stukje door, maar nog steeds geen weverij te zien. Dan maar terug en de weverij blijft voor ons onvindbaar.
Naar Linaria en de Agios Nikolaos, die opnieuw of misschien wel nog steeds is gesloten.
Daarna stoppen we bij de windmolen van Hatzigeraki, tussen Aspous en Skyros-stad. De wieken zijn al enige tijd verdwenen, stroom zal deze blikvanger niet meer opwekken. Aan de voet ligt een opgraving en daar wil ik toch echt nog een serie foto’s van maken. We lopen over de kaap en besluiten dat het wel mooi is geweest.
In ons appartement worden nog wat plaatsjes geschoten en ik begin met het inpakken van mijn tas. Hè? Inderdaad, Henk die zijn tas heel vroeg gaat inpakken en niet tot het laatste moment wacht.
Zijn vrouw zien we alleen aan het begin van de avond even, als ze bij een groepje Griekse gasten gaat zitten. Ik vermoedt dat er iets met haar is en dat Stélios op een dokter zit te wachten. Dat blijkt inderdaad het geval te zijn, hoor ik van Manolis.
Brood halen, ontbijten, vaat doen, vegen en langzaam op gang komen.
Het beginpunt, het busstation, is niet zo moeilijk te vinden. Bij de sportaccommodatie van de scholen, in het verlengde van de hoofdstraat. We ontdekken dat het om een zeer uitgebreid scholencomplex gaat, of beter meerdere scholen. Niet alleen het basisonderwijs, maar ook middelbaar en voortgezet onderwijs is hier te vinden. En nog verder studeren? Ja, dan moet je van het eiland af.
Regelmatig omkijken, zegt de beschrijving. Oppassen voor vrachtwagens, wordt er niet mee bedoeld. Die rijden hier wel. Af en aan. Naar kleine industrieën en bouwplaatsen. Waarom we dan wel moeten omkijken? Vanwege het uitzicht op de stad, het dorp. Een wandelaar komt ons in sneltrein vaart voorbij en verdwijnt na twee bochten definitief uit zicht.
Langs de weg staat nog steeds de volle vuilniswagen geparkeerd. Nog voller lijkt het wel. Maar dat kan eigenlijk niet. Hij is sowieso niet van zijn plaats geweest sinds wij hier met de auto langs zijn gereden. Als het asfalt overgaat in zand, slaan wij rechtsaf en dalen af in de vallei.
Boerenbedrijfjes liggen ook hier verspreid. Sommige met hun eigen kapel.
Als we verder wandelen zien we talloze platanen plat liggen. Heeft hier de winter ook huis gehouden, of gewoon snoeidrift. Er wordt immers ook in dit gebied flink aan de wegen gewerkt en er komen er steeds meer bij. Van de naaldbomen links, is ook al weinig over en de zinken bakjes waarin de hars, die gebruikt wordt om retsina te maken, wordt opgevangen, zijn nergens te zien.
Op een viersprong staat de kapel Agios Ioannis, versierd met enkele fresco’s. Een mooi punt om even een pauze in te lassen, een slokje water nemen en een hapje te eten. Hier vandaan is de Olimbos te zien, de kapel Panagia Limbiani blijft buiten beeld.
We vervolgens onze weg langs een smaller pad. Hagedissen schieten voortdurend voor onze voeten weg. De waterval is drooggevallen. Hier en daar valt nog wel wat water te ontdekken. Twee keer moeten we de rivierbedding oversteken. Slechts eenmaal zijn de keien in die natte bedding nodig. Bij de volgende oversteek is er geen spatje water meer te vinden.
Langzaam maar zeker komen we weer in de bewoonde wereld uit, Dat begin met een kudde geiten, die hoog in de heuvels langs een kam wandelt. We komen een fruitboomgaard tegen, die dit seizoen geen grote oogst zal geven.
Een oude brug vormt de grens tussen overhard en verhard.
In het dal staan talloze olijfbomen, afgewisseld met kastanjebomen. Tineke heeft meer oog voor de kruiden, zoals rozemarijn, langs de kant van de weg, die eindigt bij de route onder de Chora door, vlakbij de brandweerkazerne.
We slaan rechtsaf en hebben het rondje daarmee afgemaakt.
Het is nog te vroeg om al terug te gaan en Tineke stelt voor om nog even naar Linaria te rijden. Zo gezegd, zo gedaan. De weg ligt er verlaten bij.
Ook in Linaria heeft de tijd stilgestaan. In Acherounes is meer drukte. Daar liggen tenminste nog enkele mensen te genieten van de middagzon op het strand.
En ’s avond naar Stélios waar Manólis vertelt dat hij over twee dagen ook vertrekt, naar Athene. Daar werkt hij als elektricien. Alleen in het hoogseizoen helpt hij op Skyros zijn ouders in de zaak, die de hele winter ’s avonds open is.
Bijna de hele weg naar de bakker ben ik namelijk begeleid door kraaien. En dat zijn brengers van slecht nieuws en onheil. Het zien van deze zwart/bruine vogels is nog niet zo erg, maar als je ze hoort roepen, dan is het goed mis. En horen deed ik die beesten. Ook nadat ik mijn gehoorapparaten had uitgezet vanwege de wind, die voor een irritant fluitend geluid op mijn oren zorgde, bleef ik de kraaien horen. Daar is maar een remedie tegen, dan moet je zeggen: sto kalo, sto kalo, kala nea na me feris. (Het ga je goed, het ga je goed en ik hoop dat je mij ook goed nieuws brengt).
Bij de bakker trad overigens een verandering op. De ‘oude baas’ zat trouw op een stoel in het hoekje van de bakkerij te wachten, terwijl zijn kopje koffie in handbereik was. De verandering had achter de toonbank plaatsgevonden. Ofwel de vaste verkoopster (de bakkersvrouw?) was in een nacht een stuk ouder geworden of had ineens andere bezigheden. De echtgenote van de oude baas nam – met een guitig lachje op haar lippen – de honneurs waar. Met verve.
Bij een van de ritjes in het noorden heb ik de toegangsweg ontdekt naar de 367 meter hoge berg. Een onverharde weg, net voor Katoumes. Als Tineke afslaat, raakt het chassis de bodem. We rijden nog een stukje door, maar als de weg smaller wordt heeft Tineke er een slecht gevoel over. ,,Als we onderweg iets tegenkomen, kan ik geen kant meer op.’’
We zakken af naar Agios Fokas, waar aan de noordzijde van de baai een bootje ligt te dobberen vlakbij het strand. Iets dichterbij, bij de taveerne staat een pick-up.
Aan de zuidpunt staat vlakbij de baai een gebouwtje. Daarboven torent een kapelletje, dat mijn aandacht trekt.
Om bij de kapel te komen moeten we het hek, dat wegens de schapen gesloten is door. Geen enkel punt, ga je gang. De Griekse gastvrijheid kom je overal op Skyros tegen. Overigens is er aan de andere kant van de heuvel een vel papier op het hek geprikt, daarop staat aangegeven dat het om privé-terrein gaat.
Ik loop langs de rotsen, die stijl afbuigen naar beneden.
We zijn inmiddels dichtbij de verharde weg gekomen en laten Pefkos onder ons glinsteren. Iets verderop nemen we de weg naar de hoofdstad, komen langs een vaste winkeltje en pakken nog een glaasje drinken op het plein van de Chora.
De oorzaak van de veelvuldige stroomstoringen waarmee wij te maken hebben, zit in ons appartement, of beter gezegd in de stekerdoos waarop de waterkoker is aangesloten. Een paar knopjes omzetten en de stroomstoring is verholpen.
Aan het eind van de ochtend rijden wij naar Chora en parkeren op ons vaste plekje. Zondagmorgen in de stad, dat staat garant voor gezelligheid. Dan stroomt de bevolking samen. Mensen kijken, Griekse koffie drinken, frappé drinken. De politiek bespreken en gewoon praten over het weer, de opbrengst van de landerijen, het feit dat Skyros aan de branden is ontkomen die elders in Griekenland wel hebben gewoed.
Die samenklontering op zondag gebeurt op Skyros ook, maar vreemd genoeg is het centrale plein niet de plek waar de ouderen samenkomen, maar vooral jongvolwassenen zijn hier te vinden. Jonge gezinnetjes met jengelende kinderen. Niet iedereen is hier gecharmeerd van en regelmatig wisselen stelletjes van terrasje, op zoek naar wat minder geschreeuw.
Na genoten te hebben van onze frappé trekken we het stadje/dorpje in. Ook in de kafenions in de hoofdstraat kan ik geen ouderen ontdekken. Waar hebben die zich verstopt, vraag ik me af. Ze moeten toch ergens zijn, want net zoals op zoveel andere eilanden trekken ook van Skyros vooral de jongeren weg van de eilanden en blijven de ouderen achter.
We dwalen door de smalle straatjes. Ogenschijnlijk doelloos, maar toch niet helemaal. De weg slingert langzaam omhoog. Soms een straatje breed en dan weer een stukje omhoog. Steeds verder weg uit het centrum. De huizen lijken kleiner te worden, hoe hoger we komen.
Vroeger wilde men dicht bij de top wonen, dicht bij de bescherming van het kasteel, dat door keizer Nikiphoros Phohas samen met Georgios Tsimiskis in ongeveer 400 voor Christus is gebouwd op de plaats van de antieke Akropolis. Eeuwen later is de kastro door Francesco I Grispo in de veertiende eeuw toen de Venetianen op Skyros heersten voltooid. Vanuit de kastro gaat er een trap naar de basiliek Episkopi, een drie schepige basiliek uit 895. Hiervan staan alleen nog de voorste grondmuren overeind. De basiliek is vermoedelijk gebouwd op de plaats waar eeuwen eerder de tempel van Athene heeft gestaan.
Hoe dichter je bij het kasteel woonde, hoe rijker je was. Dat was vroeger in ieder geval zo. De mensen met geld, hebben nu elders hun optrekjes en hoeven niet meer beschermd te worden door de burcht.
Zij hadden hun eigen hoofdkerk de Ekklisia Archonotopargia met uiteraard een handgesneden iconostase. Naast die kerk staat de Agios Eustrátios met enkele gerestaureerde fresco’s.
Voor het kasteel staat nog het klooster, dat dateert uit 895. De kloosterkerk is gebouwd in 963 en heeft een iconostase die uit olijfhout met de hand is gesneden. Verder zijn er tegenover de altaarwand nog wandschilderingen te zien en is op het rode tapijt de dubbelhoofdige Byzantijse adelaar afgebeeld, het symbool van de Grieks orthodoxe kerk.
En als de priester zin heeft, kun je het klooster bezoeken. Dan is het ook een stuk eenvoudiger om de kastro te beklimmen.
Boven het klooster zoeken duiven een rustplaatsje in en tegen de stijle bergwand. We genieten van het prachtige uitzicht over enerzijds de stad en het dal Anavalsa en aan de andere kant naar het noorden met de plaatsjes Magazia, Molos en Gyrismata.
Ik kan hier wel uren doorbrengen, bijna afgesloten van de wereld. Maar na een kwartiertje gaan we toch weer verder, waarbij langzaam kris-kras afzakken. Eigenlijk ben ik op zoek naar het openluchttheater, dat ergens in de buurt van de museums, waar we al geweest zijn, moet liggen.
We dwalen langs oude gerestaureerde woningen. Andere panden zien er vervallen uit. Een man is op het dak al begonnen aan de voorbereidingen van de maaltijd en heeft de open oven, inderdaad zo op het dak, aangestoken.
Ook hier zijn mozaïeken ingelegd. In tegenstelling tot het dorpje aan de westkust van het eiland is het hier wel druk. Mensen lopen af en aan en op het binnenterrein is een workshop gaande.
Elders op het eiland hebben we weinig katten aangetroffen, maar in deze omgeving zijn die wel volop te vinden. Sommige heel kwetsbaar en angstig, andere brutaal of juist weer heel erg loom.
Iets verder ligt een sportveld van het uitgebreide scholencomplex te blinken in de zon. Niemand heeft er behoefte aan om zo midden op de dag een balletje te trappen.
Er zijn wat meer kafenions open, maar ook hier nog steeds zien we de ouderen niet. Ook niet op het centrale plein, waar de rust langzaam maar zeker is teruggekeerd. Enkele erkende terrastijgers zitten achter hun zoveelste glas ouzo en kijken niet al te fris meer uit hun ogen.
Wij maken het rondje af en keren terug naar de auto en zitten niet veel later weer in ons appartement.