27 oktober 2019

Gianny mist met Opa IJsbeer de trein


Vrijdag 25 oktober 2019

 Nee, echt wakker ben ik nog niet. Waardoor? Nou ik heb niet in mijn eigen bed geslapen, net zoals gisternacht. Ik logeer namelijk met mijn zusje twee nachten bij Opa IJsbeer en Oma Tineke en daar kwamen gisteren nog eens mijn twee neefjes bij. Die jongste vindt het nodig om zijn broer al vroeg wakker te maken. En hoe zachtjes hij dat ook probeert, ik word er wel wakker van. Als we dan beneden zijn, moet ik ook nog eens mijn eigen ontbijt maken. Opa IJsbeer doet dat niet meer voor mij. Alleen voor Daeley wil hij nog een toverbroodje maken. De rest moet het maar zelf doen.

Omdat opa graag met de trein reist moet ik mee om op hem te passen. Want anders komt er niets van terecht en ik durf niet te voorspellen waar hij dan helemaal terecht komt. Opa IJsbeer zoekt graag het avontuur op, zeg maar de grenzen, en de uiteinden van ons spoor. Vandaag gaat de reis naar Zandvoort en die reis moet ik dan ook nog eens voor hem uitstippelen. Het lijkt wel kinderarbeid.

In Amsterdam halen we nog net de trein naar Zandvoort, hoewel de conducteur al in de deuropening staat om te vertrekken. ‘Waarom stappen jullie niet iets eerder in en lopen jullie helemaal hier heen’, vraagt de conducteur. ‘Nou omdat die deuren allemaal al dicht zijn en die van u nog open is’, bekent Opa IJsbeer. De conducteur kan daar wel om lachen.

Zandvoort is een van de kopstations van het spoor en dat wil dus zeggen dat de trein er niet verder kan en altijd over hetzelfde spoor terug moet. Het is dus het uiteinde van het spoor. Hier ‘aan Zee’ gaan we een stukje wandelen en uiteraard fotografeert Opa IJsbeer weer van alles en nog wat. En dan jaagt-ie mij ook nog op om te onderzoeken wat het allemaal is. ‘Nou opa, dit noemen ze nu een zandkasteel. Alleen is het niet van zand gemaakt, maar van zandkleurig graniet. Dat hebben ze hier gemaakt toen het Stationsplein is opgeknapt in de hoop dat kinderen er gaan spelen in plaats van zich te vervelen. En ze hebben het ook gemaakt voor nieuwsgierige opa’s.’

De zee ligt vlakbij en de wind beukt op de kust. Er zijn genoeg mensen die daar van houden en een wandeling over het strand maken. Zelf blijf ik liever op de boulevard, want aders moet ik die oude man nog uit de branding sleuren omdat hij soms echt denkt dat hij een echte ijsbeer is.

We lopen naar het zuiden. Steeds verder weg van het circuit waar Zandvoort ontzettend veel geld mee hoopt te verdienen. Omdat de wind uit het zuidwesten komt gaat dat lopen niet al te gemakkelijk. De meeste mensen lopen in omgekeerde richting en kijken ons vreemd aan. Nou laat ons maar begaan. Wij rusten gewoon onderweg, samen met die andere beroemde oude Verkade-man, even uit op een bankje.

Omdat het weer niet geschikt is om te zonnebaden stel ik voor om naar het centrum te gaan. Dat gaat allemaal gelukkig zonder dwang. Opa vindt vrijheid heel belangrijk en zegt dat de privacy wetgeving zijn doel voorbij schiet en veel vrijheden inperkt. In Zandvoort vinden de mensen vrijheid ook belangrijk en dit jaar is hier het Europees kampioenschap Zandsculpturen gehouden. Tot begin november is een aantal van die sculpturen nog te vinden, onder andere vlakbij het museum van Zandvoort.

Omdat deze plaats niet alleen om strand draait en om snelheid laat ik opa ook nog een ander stukje van dit plaatsje zien. Nee, het draait niet om commercie of toerisme, ook niet om de beelden of het casino waar je je geld kunt verliezen. Het gaat mij om het wonen. Tegenwoordig bouwen ze overal van die hoge lelijke gebouwen, ook hier aan de kust. In het centrum zijn echter ook enkele smalle straatjes waar kinderen nog op straat kunnen spelen en mensen een zitje op straat plaatsen om te kunnen genieten van ieder zonnestraaltje.

Terug bij het station moeten we een half uur wachten want er is een trein uitgevallen? Waarom? Ik denk dat er te veel vertraging is geweest. Het voordeel hiervan is dat ik nu een zakje Smarties Gozer kan kopen.

In Haarlem stappen we over op de nieuwste sprinter, die staat al op het perron naast ons te wachten. In die trein hebben ze veel nieuwe snufjes ingebouwd, zijn er weer toiletten en zie ik zelfs ook een brandblusser onder een bank.

Niet alles is echter naar wens. Zo ontbreekt de informatievoorziening in de trein op het digitale bord, maar ook de omroepinstallatie is niet op orde. Alles is computergestuurd en daar zit het probleem, vertelt een conducteur. ‘Er zijn kinderziektes.’ Volgens een andere NS-man zijn er wel enkele kleine problemen, maar is het niet zo erg als de conducteur zegt.

Wij rijden via de bollenstreek door naar het Centraal Station van Den Haag. Hier eten we een hapje. Verdorie niet bij de Mc maar bij de Burger King. Het smaakt wel hoor, maar die frietjes zijn heel anders en dat is wel even wennen. Je kunt ze in ieder geval niet zo makkelijk tussen de gaatjes tussen de tanden door duwen.

Na het eten gaan we terug. Alleen die trein, de sneltrein, staat al klaar en toch missen we hem. Waarom? Omdat ik onvoldoende saldo op mijn kaart heb staan. De schuld van mijn mama. Die vindt dat Opa IJsbeer er niet zo veel geld op mag zetten. Dit is dus het gevolg. Opa zit al bijna in de trein. Gelukkig kan ik hem nog net terugroepen. Dat is dus al de tweede keer vandaag dat we een trein missen, want die trein halen we echt niet meer.

Het laatste stuk van deze vermoeiende, korte reis gaat gelukkig goed. Ik kan nog even mijn ogen dicht doen, want vanavond moet ik met mijn opa ook nog naar het voetbal. Pffff dit is me het dagje wel weer.



Opa IJsbeer


24 oktober 2019

Hoe Daeley rondscheurt in het museum

Donderdag 24 oktober 2019

 Ze zeggen wel eens dat ik de ondeugendste ben van het stel. Maar zeg nu zelf; terwijl de andere drie kleinkinderen van Opa IJsbeer de slaapkamer aan het verbouwen zijn zit ik rustig op de bank filmpjes te kijken. En ook nog eens met een hoofdtelefoon op mijn hoofd zodat mijn opa en oma er geen last van hebben. Wat ik wel ben? Nou de jongste en dat heeft soms voordelen en soms ook wel eens een nadeel.

Vandaag zijn Gianny, Yari en Fayèn naar het zwembad toe waar ze leren omslaan met een bootje. En ik mag niet mee omdat mijn papa en mama mij nog niet op zwemles hebben gedaan, terwijl ik deze maand toch al vier jaar ben geworden. Niet naar het zwembad gaan, betekent ook niet nat worden. En een ander voordeel is: ik ben alleen met Opa IJsbeer op pad gegaan. Naar een museum.

Een museum? Ja echt waar, in Almere Stad: de PIT. Dat noemen ze het veiligheidsmuseum en dat is in het centrum gevestigd vlakbij de ijsbaan op het Schipperplein. In de zomer zit daar altijd water in en vandaag zijn mensen de baan aan het schoonmaken zodat er in de winter weer geschaatst kan worden.

De ingang van het museum zit zelfs naast de ijsbaan. Het museum is zowel voor kinderen als voor grote mensen. Maar hoofdzakelijk toch wel voor kinderen. Ik mag mij verkleden als politieagent. Er lopen al meer kleine agentjes rond, zodat ik alleen nog maar een jas aan kan waarin ik bijna verdrink. En zoals jullie inmiddels weten kan ik nog niet zwemmen, dus heb ik die jas maar weer uitgedaan.

Zonder jas op een echte politiemotor vind ik ook veel stoerder. Weet je wat het leukste daarvan is? Nou lekker plat op de motor liggen en door de straten scheuren. Achter auto’s aan of achter een brandweerauto want die zijn hier ook. Vooral veel oude brandweerauto’s. Zelfs een waar de brandweermensen nog met de hand water moeten pompen.

In een brandweerauto zitten is bijna net zo tof als in een politieauto. Wat ik wil worden later? Ik weet het echt niet meer. Die motor vind ik echt cool, maar die brandweerauto… En dan met anderen achterin op weg naar een brand. Of een ongeluk, want de brandweer is er niet alleen om brandjes te blussen, maar wordt ook ingezet als er een ongeluk is. Dan komen ze mensen helpen die niet uit hun auto komen.

En dan komt ook de ambulance eraan om te helpen. Opa IJsbeer en mijn oma Marja hebben ook wel eens in een ambulance gelegen. Dat lijkt mij niet leuk om die naar een ziekenhuis te brengen. Dat moeten anderen maar doen, dus nee laat mij maar geen chauffeur op een ambulance worden.

Gelukkig hoef ik nog niet te kiezen wat ik later wil worden. Wat ik niet wil worden weet ik al wel. Ik word geen boef, want die sluiten ze op achter de tralies en dan kom je in een kleine grijze cel. En daarin is wel een toilet maar die mag je niet eens zelf doortrekken. Dat moet dan een boevenbewaarder doen.

Gossie nu krijg ik ineens een helder idee. Ik kan altijd nog racewagenbestuurder worden, zoals Max Verstappen. Hoe ik daar bij kom? Nou ze hebben ook skelters in het museum en daar heb ik toch hard mee gescheurd? Poeh, niemand kon mij bijhouden. Hoe ik dat voor elkaar kreeg? Door heel hard te fietsen. Wat zeg je nou? Moet ik dan geen tweede Max Verstappen worden maar een wielrenner. Nou dat vind ik ook goed, als het maar hard gaat.



Opa IJsbeer



PS
Wat zijn ze toch lief.
Gianny doet zijn huiswerk ook in de vakantie.
Yari is zo geconcentreerd bezig.
Fayèn helpt oma met bollenpoten in de tuin.





22 oktober 2019

Het gekaapte bos


Wat mis jij het meest uit je kindertijd. Mag van alles zijn. Een stuk speelgoed, je schoolvriendjes, buiten spelen op straat, je opa of oma, schone lucht, vakantie in de bossen, je teddybeer, ...


Dit is de oktober 2019-opdracht van Schrijvelarij. Ik laat mijn fantasie de loop en denk aan het gangenstelsel in het bos achter het koetshuis waarin mijn grootouders jaren woonden. Het bos bestaat nog, hoewel er een stukje is gekapt. Het gangenstelsel is verdwenen, evenals het koetshuis en het landhuis waarbij het koetshuis hoorde. Bijgaande foto’s zijn van internet gehaald.



Het gekaapte bos


Woensdag 22 oktober 2019

Het rommelt in de verte. Bij de Grebbeberg wordt zwaar gevochten en dat is hier te horen. Mijn oudste broer is in marsorder op weg naar het front, dat al geen front meer is als hij er arriveert. Zelf ben ik nog te jong om te vechten, vinden de generaals. Terwijl ik daar veel geschikter voor ben dan Karel. Die is een beetje bang en ziekelijk. Waarom hij dan toch moet? Omdat het oorlog is en hij de leeftijd ervoor heeft om het vaderland te dienen. Nog steeds hoor ik gebulder, maar nu heeft het een andere toon gekregen. Ditmaal zijn het motoren van overvliegende bommenwerpers. En dan is alles ineens stil. Heel stil. Zelfs de vogels laten zich niet horen.



De volgende dag gaat vader Jawuk naar het dorp. Kijken of er nieuws is. Dat wordt meestal aangespijkerd op het plein. Tien minuten later is hij al terug. ‘Verdomme de Moffen hebben gewonnen’, zegt hij. ‘Ze hebben Rotterdam plat gebombardeerd en de koningin is ‘m gesmeerd.’

‘En onze Karel’, vraagt moeder Wil.

‘Nou daar is niks over bekend. Sommigen zeggen dat de soldaten allemaal naar huis zijn gestuurd. En anderen vertellen dat ze zijn gevangen genomen. Maar ik denk dat niemand het echt weet. Het is in het hele land een chaos. We motten maar even afwachten en hopen dat Karel binnenkort weer thuis is. En daarna? Ik heb geen idee!’



Twee dagen later. Karel is nog steeds niet thuis en we hebben ook nog geen enkel teken van leven van hem. Vanochtend rijden er enkele Duitse tanks over de Straatweg naar het dorp en er achteraan komt een aantal trucks. Bij de Bergweg, aan het begin van het dorp, slaan ze rechtsaf. En op dat punt kom ik mijn kameraad Neussie tegen. Die woont aan het andere eind van het dorp. Hij heet eigenlijk Wous, maar heeft een neus voor nieuws en als er wat te gebeuren staat, weet hij het vaak al voor er daadwerkelijk iets aan de hand is.

We zien de auto’s in de bosrand verdwijnen en slenteren ze achterna. De tanks zijn een pad in geslagen en staan daar stil. Uit de achterste truck springen twee soldaten met hun geweer in de hand en gaan langs de weg staan. ‘Zigarette’, vraagt de grootste van de twee.

‘Steek maar in je reet’, zegt Neussie. ‘Van jullie jat ik alleen maar en neem niks aan.’ En daarna klopt hij op zijn borst en schudt zijn hoofd. ‘Ik rauch niet.’

Neussie begint luid te lachen en stoot mij aan. ‘Kom mee Krelis, we gaan terug. Wij kennen het bos hier veel beter dan die lui en vanavond als het donker is, dan gaan we wel terug naar de bosrand en kijken we eens rustig rond, terwijl zij uitrusten of liggen te slapen.’



Neussie mag zoals zo vaak bij ons blijven eten en na het eten gaan we nog even met zijn tweetjes het bos in. We gaan achteruit door het poortje. Het eerste stukje hoeven we niet bang te zijn dat de Duitsers ons horen. Maar nadat we de Fleschlaan zijn overgestoken zijn we voorzichtig. Voetje voor voetje bewegen we ons door het bos.

Op tien meter naast ons kraakt ineens iets. We schrikken ons een hoedje. Staan doodstil, net als het hert dat zijn kop naar ons draait en knikt. Net alsof het wil zeggen: ga je gang maar, het is veilig. Nog vijftien meter en dan zien we een aantal tenten staan. Gecamoufleerd met takken. Maar ja, wij zijn jongens van het bos en zien het verschil wel. Neussie laat zich op handen en voeten zakken en sluipt zo naar de tenten. Voor een tent ziet hij twee tassen en twee geweren staan.

Zo, die zijn voor Neussie, denkt hij en hij grist ze snel weg. Langzaam draait hij zich om en komt naar mij terug. Als we bij de ‘laan’ zijn zetten we het op een lopen. ‘Die hebben we mooi te grazen Krelis’, zegt hij.

‘Nou dat je dat dorst man. Ik scheet duizend kleuren bagger. Maar ja nou wil ik ook weten wat erin die tassen zit. Kom we gaan naar het vossenhol. Gelukkig dat we dat anderhalf jaar terug verder hebben uitgegraven. Ik heb er vorige week nog wat kaarsen achtergelaten, zodat we licht kunnen maken. Daar vindt niemand ons.’

In het hol kijken we in de tassen en daar zitten niet alleen sigaretten in, maar ook kogels. ‘Kijk dat bedoel ik nou. Gewoon gejat. Nou Krelis geef mij maar een peuk, die heb ik wel verdiend. En mochten de Moffen komen, dan kunnen wij ons verdedigen. Maar thuis mondje dicht hè.’



De volgende dag is het onrustig in het dorp. De Duitse luitenant is bij de burgemeester op bezoek en eist de geweren en de tassen terug anders volgen er maatregelen. De burgemeester weet van niets en Wous en ik houden ons van de domme. De Duitsers besluiten huis voor huis te doorzoeken, maar vinden niets.


Aan het eind van de week komt Karel thuis. Hij heeft een jassie uitgedaan, maar vindt zich toch wel stoer want hij heeft nog vijf schoten kunnen lossen voor de overgave een feit is.

En wij? Wij hebben nog menig stunt uitgehaald, de Duitsers gefopt en bestolen. Ook hebben we een tijdje ondergedoken gezeten in het hol en zo hebben wij de oorlog overleefd.




Opa IJsbeer

21 oktober 2019

Bekeren

Zaterdag 19 oktober 2019

 Een wedstrijd die je niet mag verliezen.
Een wedstrijd die je in het begin van de tweede helft op slot lijkt te gooien.
Inderdaad lijkt.
Een tegentreffer uit een vrije trap, oké dat kan gebeuren.
Oeps geklungel en het is gelijk.
Nog maar een vrije trap tegen. Ja wat zal ik zeggen...
Ik kijk naar de coach, hij schudt het hoofd.
2-3.
Afgelopen.

Vergeet het.
Vlak voor tijd alert reageren na een losgelaten bal door de doelvrouw van Diemen.
Het is een bekerwedstrijd dus we gaan verlengen.

Vergeet het maar.
In blessuretijd slaan de dames van FC Almere alsnog toe.
En de trainer?
Die schudt zijn beide handen: pfoooeee.
Wat een geluk.

En ik?
Ik feliciteer Peter Kruithof en met hem zijn dames en begeleiding met de 4-3 zege.

 Opa IJsbeer


3 oktober 2019

De vensterbank


Terug in de tijd. Het verschil met nu kan bijna niet groter zijn. Wij hebben nog geen televisie thuis en ook geen telefoon, laat staan een smartphone. Zestig jaar geleden. Ik speel buiten met de buurkinderen. Ook als het donker is, de regen valt. Spelen, altijd maar spelen. Het maakt niet uit wat; tikkertje, hinkelen, diefje met verlos, verstoppertje, belletje trekken of een balletje trappen op straat.

De frisse wind jaagt om onze oren, giert rond de huizen, rukt bladeren van bomen en voert ze mee door de lucht. Ze belanden op de bolle klinkerstraat en leggen daar een klein deklaagje. Wij weten het en de buren weten het ook. Als er straks een fietser door de bocht jakkert en op de rem trapt voor de stuiterende voetbal gaat hij onderuit, dan is er geen houden meer aan. De vraag is alleen: belandt hij bij ons of bij onze buren in de heg. Het maakt ons niet, wij joelen wel.

En als onze moeders ons naar binnen roepen, het zijn altijd de moeders die dat doen, krijgen we nog iets te drinken voor het slapen gaan. Mijn zusje is al naar bed, mijn grote broer mag nog even wat langer buiten blijven. Hoewel hij aan onze spelletjes niet mee doet, die vindt hij te kinderachtig. Hij gaat immers al bijna naar de technische school.

In het grote bed pak ik nog even een boek. Het mag, want lezen is belangrijk. De boeken van Pinkeltje en van Pietje Bell, ik verslind ze. Van een schoolvriendje leen ik bovendien stripboeken. Over Jason en het Gulden Vlies. Zelf hebben we de boeken van Bulletje en Boonestaak en van Sjors en Sjimmie. Nou kom daar tegenwoordig maar eens mee aan, die boeken kunnen niet meer. Maar ik heb ervan genoten.

Als de lamp uit moet, duik ik helemaal onder de dekens en lees met de zaklamp aan nog even verder. Heel soms ga ik in de vensterbank zitten. De straatlantaarn, die bij de buren voor het huis staat, schijnt in mijn raam. Pas als mijn grote broer naar boven stommelt, leg ik mijn boek weg.



Nu staat hier in huis de televisie aan. Het is weer zo’n voetbalavond Er worden spelletjes gespeeld op de iPad. Ook door mijn kleinkinderen die nu mijn leeftijd hebben. Ja, ze spelen soms ook nog buiten. Maar grijpen niet iedere kans om buiten te zijn aan. Ze kijken liever filmpjes op YouTube of Netflix. Een Atlas is er niet meer in huis. Waar een plaats ligt? Nou dat zoeken we op onze telefoon op opa. En wat wil je nog meer weten?

Ik mijmer over toen. Ga nog een keer met plezier terug in de tijd. Voel mij dat kleine jongetje uit de Kerkstraat. Dat jongetje dat iedereen vriendelijk groet en een altijd een lach op zijn gezicht heeft. Ik zie mezelf zelfs weer in de vensterbank zitten lezen. O wat een tijd.

Nee, niet alles was beter, maar anders. Dat wel. Heel anders.



Opa IJsbeer





Geschreven voor de maandopdracht van Schrijvelarij oktober 2019

12 september 2019

Daeley bakt ze bruiner met Oma Tineke


Maandag 9 september 2019

 Vandaag krijg ik kookles van Oma Tineke. Het is de laatste keer dat ik in ‘De Python’ ben om op te passen op Opa IJsbeer. Want binnenkort ga ik naar de grote school. Of die man zich dan alleen kan redden? Ik hoop het, wat denken jullie. Zal ik in mijn vakanties nog maar eens naar hem toe gaan, zodat hij geen gekke dingen gaat doen?

Als mijn papa mij ’s morgens brengt ligt het speelkleed al klaar. Oma is nog even bezig met haar iPad, terwijl ik een deel van de autootjes naast opa op de bank drop. Zo is die man ook weer even zoet.
Zelf ga ik met Duplo aan de slag, bouw daar vliegtuigen van en ook een dinosaurus. Hoewel mijn broer Yari dat veel beter kan, maar ja die is ook een stuk ouder en is er niet vandaag. Dus moet ik dat zelf doen.

Oma wil vandaag gaan bakken. De meeste spulletjes heeft zij al in huis, maar er moeten nog wel wat appels komen. Die ga ik kopen voor haar en dan neem ik Opa IJsbeer meteen even mee, komt die ijsbeer tenminste ook nog even van zijn bank af. Als we terug zijn van de buurtsuper ren ik vooruit en wijs zo de weg aan opa. Anders loopt hij nog verkeerd ook. Oma heeft al wat spulletjes klaargezet in schaaltjes.
En dan kunnen we beginnen. Alles goed door elkaar roeren. Lekker hoor, althans zo ziet het er wel uit.
Even proeven. Hmmmm. ‘Oma ik denk dat het wel in orde is, maar ik weet het nog niet zeker, dus neem ik nog maar een extra likje.’ Als ik mijn derde likje wil nemen, heeft zij mij door. Oké, oké ze zijn voor de cup cakes en de vormpjes daarvoor heeft Oma Tineke al klaar gezet.

Dat vullen is nog een heel precies werkje. Ook omdat er wat aardbeien doorheen gaan. Maar dan is alles klaar en kan ik beginnen met afruimen en schoonmaken. Dat moet wel heel snel worden gedaan want de cup cakes staan al in de oven en voordat ze goed zijn moet de kom wel schoon zijn. En mijn toet? Die komt later wel.

Oma haalt ze uit de oven. Ik vind dat zij dat hoort te doen. Daar ben ik nog net iets te klein voor. Stel je voor dat mijn armpjes tegen het rooster aankomen. Nee liever niet. ‘Nou oma ze zien er goed uit. Nu nog even afwerken en dan gaan we proeven.’ En inderdaad smaken ze ook goed.

We hebben er genoeg, dus brengen we er ook een naar de buurjongen, Melvin, en een voor zijn vader en moeder. Alleen de buurman is thuis en die zal zorgen dat Melvin er een krijgt.

Het bakken zit er nog niet op want waar heb ik anders die appels voor gehaald samen met Opa IJsbeer. Opa gaat een paar appels schillen en snipperen, terwijl ik samen met Oma Tineke het beslag voor nog een taart ga maken. Een appeltaart. En dat gaat bijna net zo snel als met de cup cakes.
Uiteraard moet er weer worden voor geproefd en schoongemaakt. Er is echter voldoende voor de taart, zodat niemand daar iets van merkt.

Van al dat werken, bouwen en spelen ben ik wel moe geworden. Terwijl de taart in de oven staat mag ik naast oma filmpjes kijken op de iPad.

En dan is het eindelijk zo ver. De taart kan uit de oven, even afkoelen voor de taart wordt aangesneden. In twee stukjes; één voor mij en één voor oma. Opa krijgt niet, ook geen cup cake. Die is toch al veel te zwaar en wil niet snoepen.

Of de appeltaart smaakt? Wat denken jullie zelf. Die heb ik samen met Oma Tineke gemaakt. Dus… Ja inderdaad; ze gaan allemaal mee naar de Stripheldenbuurt.


Opa IJsbeer


6 september 2019

Daeley sluit Opa’s Oppasdagen af

Vrijdag 6 september 2019

 Maandag ben ik nog een keer bij Oma Tineke en Opa IJsbeer, maar daarna zijn de vaste oppasdagen afgelopen, omdat ik eindelijk ook naar de grote school mag. En vandaag komt er een einde aan Opa’s Oppasdagen (op vrijdag). Als allerjongste van de vier kleinkinderen mag ik dat afsluiten. Na ruim twaalf jaar, waarvan ik er bijna vier jaar gebruik van heb gemaakt. Dat betekent niet dat wij niet langer op opa oppassen en er geen verhalen meer komen. Daar blijven wij jullie vast nog wel mee bestoken.

Voor vandaag heb ik een rondje Artis in petto voor die ijsbeer. Gewoon omdat het kan en ook mag. Meestal gaan we op maandag en ik moet zeggen: ‘Op vrijdag is het een stuk rustiger’. Natuurlijk zijn er nog genoeg kinderen en ook mama’s en papa’s, maar bijna geen opa’s en oma’s. Wel hoor ik veel vreemde woorden, andere talen. Daeley, dat is goed voor de centjes van ons land zegt opa, want die mensen, die toeristen, geven veel uit en dan kunnen er veel papa’s en mama’s geld aan verdienen.

Maar goed wij gaan dus naar Artis. Dat betekent eerst een stukje met de bus en dan met de trein en ook nog met de tram. En in de trein mag ik voorin zitten waar normaal de machinist zit. De vriendelijke conducteur neemt mij daar naartoe en ik mag zelfs op de stoel van de bestuurder zitten.
En dan doet opa weer dom. Hij stapt uit in Muiderpoort en denkt dat daar de tram naar Artis ook komt. Nou mooi niet. Daar ben ik dus mooi klaar mee, want nu moet ik met die kleine beentjes het hele stuk naar de dierentuin wandelen. We steken een park door met mooie beelden en een speeltuintje waar ik even mag spelen, maar dat is niet zo leuk als in de grote speeltuin van Artis. Gelukkig komt er toch een einde aan die wandeling en kunnen we de dieren gaan bekijken. Wel lopend hoor.

Eerst wil ik naar de vissen, maar dat betekent wel dat we eerst langs heel veel andere dieren komen. Zoals de apen en laten die nu net heel veel vers fruit gekregen hebben. Nou dan weet je het wel, dan is het een drukte van belang bij de apenrots. Eentje heeft een sappige sinaasappel te pakken en als je goed kijkt dan loopt zelfs bij mij het sap langs de kin en bij Opa IJsbeer in zijn baard.

We zien ook een mooie aalscholver. Die is komen aanvliegen en hoopt ook nog op een visje hier en daar. Bij ons zie je de aalscholvers ook vaak. Dan vliegen ze met een grote groep over de Vaart en duiken in het water om even later een stuk verder met een vis boven te komen.

Weet je wat we ook hebben gezien? De zwartstaartprairiehond. Die heeft een dunne zwarte staart, maar is niet eens een echte hond maar een eekhoorn. Niet zo’n beest dat in de bomen leeft. Deze woont op de grond. Eentje houdt er altijd de wacht en waarschuwt de anderen als er gevaar is. En weet je wat zo leuk is als ze elkaar groeten dan geven ze elkaar kusjes met hun snoeten en tanden.

Net zoals de mensen.

In de dierentuin hebben ze niet alleen dieren, maar ook planten en kruiden. Een meneer is bezig in de tuin en knipt een deel van de kruiden af. Die zijn bestemd voor de dieren zegt hij. Oma Tineke heeft ook kruiden in haar tuin en knipt die ook af en doet ze dan door het eten.

Naar de vissen kijken is vooral naar de haaien gaan. Ik heb ze nu al zo vaak gezien en toch blijven ze iedere keer weer trekken. Ze trekken voorbij aan de ramen en ik ben echt niet het enige kind dat naar hen staat te staren.

Echt eng vind ik de haaien ook niet meer. Volgens mij kun je ze best aaien zonder dat ze je iets doen. Dat durf ik bij de giraffemeerval absoluut niet. Die trekt zo’n raar bekkie naar mij. Volgens mij denkt hij dat ik een lekker hapje ben voor hem. Nou mooi niet. En gelukkig zit er dik glas tussen ons.

De pinguïns zijn een beetje van slag af. In plaats van water staat er een kruiwagen in hun waterbaan. Die is van een meneer die aan het vegen is en alles weer netjes schoon maakt, zodat de pinguïns binnenkort weer lekker kunnen roetsjen.

Hè dat is nou jammer. Op weg naar de zeeleeuwen komen wij bij de gorilla’s en die zitten niet in hun buitenverblijf, maar zijn naar binnen. En Opa IJsbeer heeft zich er nog wel zo op verheugd dat hij de jonge gorilla weer even gedag kan zeggen. Ik maak hem daarom maar blij en speel even voor babygorilla.

Een van de oppassers is bezig met een jonge zeeleeuw. Die krijgt een visje en gaat trap op en trap af, duikt in het water van het grote bad, terwijl de andere zeeleeuwen allemaal in het kleine badje zijn.

De zwarte zwaan is van zijn eieren af. Dat vind ik nou zielig. Opa IJsbeer wil jij er niet op gaan zitten om ze warm te houden. Want anders komen er straks geen jonge zwanen. Opa denkt dat hij te zwaar is voor de eieren en daarom gaan we maar verder.

Naar de speeltuin, waar ik heel vaak van de grote glijbaan af mag. Opa vindt dat goed omdat er vandaag niet zoveel kindjes aan het spelen zijn en het daarom ook niet zo gevaarlijk voor mij is om helemaal naar boven te klimmen via de touwtrappen.

Giraffen zijn best slimme dieren wisten jullie dat. Ze hebben een heel lange nek, zodat ze ook de malse blaadjes hoog in de boom kunnen eten. Maar hoe doen ze dat dan met drinken? Want ze hebben wel sterke maar ook stramme benen. Nou heel gewoon. Die spreiden ze zover dat ze met hun kop bij het water kunnen. Slim hoor.

Nadat ik mezelf heb gemeten ga ik bij de vale gieren kijken. Die zien er heel eng uit, maar zijn dat niet. Ja, ze hebben scherpe klauwen en snavels maar doen ons niets. Ze eten namelijk geen levende dieren en daarom kan er ook rustig een pauw in de kooi rond lopen. Een van de gieren ligt een beetje tegen het gaas aan. Dat vind ik wel zielig. Ik denk dat hij moe is en daarom ga ik maar een tijdje bij hem zitten en vertel hem een Opa IJsbeerverhaal.

Ik kan nog van alles vertellen over de olifanten. Hun binnen verblijf wordt verbouwd. En over de krokodillen en de groene leguaan, maar ik begin toch echt wel moe te worden. O ja, nog een ding dan; er vliegt een reiger het hok van de leeuwinnen in. Een van de leeuwinnen ziet dat, komt overeind en sluipt naar voren. De afstand is nog te groot dus blijft ze nog even wachten. De durfal bedenkt zich op tijd, vliegt weg en wordt dus geen hapje voor de leeuwinnen.

In het hok van de krokodillen val ik bijna in slaap zo warm is het. De kolonistenagames klimmen zomaar over de kielschildhagedis heen om te kunnen eten. Nou dat hoef ik thuis niet te proberen bij mijn broer. Die gooit me dan echt wel op de grond.

Bij de uitgang worden we uitgewuifd door een groot aantal dieren. Deze mooie dag zit er weer op. Geen regen, veel zon en lekker veel gezien. En Opa IJsbeer die glimlacht en is ook tevreden.



Opa IJsbeer