14 juni 2016

Waarom prinsesje uit de tram wordt gezet

Maandag 13 juni 2016

Vandaag heb ik Opa IJsbeer helemaal voor mij alleen. Nou ja, niet de hele dag, maar wel een deel ervan. Meestal is mijn neefje Yari er ook, maar Boefje – zoals opa hem noemt - gaat tegenwoordig naar school en omdat zijn vader vrij is, komt hij niet en zijn broertje Daeley, een baby nog, evenmin. Opa IJsbeer noemt Daeley overigens vaak Beertje en mijn broer Gianny is Binkie. Allemaal met een B en ik, ik ben Prinses. Papa brengt mij ‘s morgens naar het huis van opa en Mamoe en samen met hem ga ik vandaag naar Amsterdam. Mijn papa en mama hebben extra kleding meegegeven, want er kan een ongelukje gebeuren. Maar die zijn niet nodig, want ik ben al een grote meid en geef zelf aan als ik een plasje moet doen. En opa is daar wel blij mee.
We gaan met de bus naar het station Almere Buiten en moeten even wachten op de trein. Ik mag niet dicht bij de rails komen. Dat is gevaarlijk en als de snelle treinen – opa zegt Intercity’s (wat een gek woord) – voorbij denderen, begrijp ik ook waarom. Die trekken zo hard aan mij, dat ik anders zo maar onderuit was gegaan. Er komen er twee langs voor onze trein komt.
We stappen in Weesp over in een andere trein. In Amsterdam zie ik nog allerlei andere soorten treinen staan. Treinen die naar het buitenland gaan, sprinters en locomotieven. En die kunnen allemaal heel snel. Alleen de goederentreinen mogen niet hard. Vanaf het Centraal Station nemen we de tram naar Artis, dwars door de stad die alweer heel druk is.
Ik heb mijn eigen pasje met een Californische zeeleeuw erop en ook opa heeft een eigen pasje (met kikker) en we kunnen snel naar binnen. Omdat ik honger heb, koopt opa een croissantje voor mij, voor we naar de eerste dieren gaan kijken. Traditioneel zijn dat de watoessirunderen en de dromedarissen, want die staan op het eerste veld als je de Amsterdamse dierentuin binnenkomt.
Zelf heb ik een verlanglijstje gemaakt van dieren die ik vandaag wil zien en we gaan als eerste naar de Apenrots met de Japanse makaken. De Japanse makaak is winterhard en kun je goed herkennen aan hun rode gezicht. Vandaag zijn ze heel erg vriendelijk en vlooien elkaar. Opa noemt dat flikflooien en vertelt dat mensen dat soms ook wel doen.
Als de apen het niet met elkaar eens zijn, dan draaien ze hun rug naar een ander toe. Het zijn net mensen. En als ze boos worden, komen de haren overeind. Dat is nu niet het geval. Ze zitten heel braaf, een beetje lui zelfs, op de rots bij elkaar en op een rijtje op een tak.
Het weer is vanmorgen niet echt goed en voor het gaat regenen, gaan we het Apenhuis in. Dat zit aan het Vogelhuis vast. In het Apenhuis zie ik de witgezichtsaki, die noemen ze ook wel de vliegende aap, omdat die bijna door de bomen vliegt, en de noordelijke toepaja. Dat lijkt wel een soort muisje. Die is snel joh. Ze rennen soms zomaar achter mij langs. Zo snel dat Opa IJsbeer ze niet op de foto kan krijgen. Aan het plafond hangt nog een Rodrigues vleerhond.
Omdat opa een kaart heeft gepakt met alle soorten daarop, kan ik ze allemaal herkennen. Ook de Keniaanse kroonparelhoen met zijn gekke blauwe kraagje en rode wangen. Die scharrelt vlak voor ons langs op zoek naar fruit en zaden. Opa tilt mij op, zodat ik ook naar een televisie kan kijken. Er is een camera gericht op het nest van de gewone jaarvogel en daar zit een jong vogeltje in. Buiten zit ook een jaarvogel, in een kooi en die vliegt heel wild heen en weer.
Ik vind dat wel leuk maar vind het tijd worden voor een crunchy. Daar heb ik gewoon trek in en dat vertel ik mijn opa ook. Maar die heeft helemaal niets meegenomen. Ja, drinken, maar dat wil ik niet. Ik heb zin in wat lekkers.
Tussen twee buien door wandelen we snel naar het reptielenhuis waar de alligator zoals bijna altijd ligt te slapen. Althans hij houdt zich slapend, maar pas op. Ga niet het water in, want dan pakt-ie je met zijn sterke kraken en scherpe tanden. Maar eerst hebben we bij het binnenkomen al de groene boompython gezien. Iets verderop ligt een dikke netpython, die is net zo dik als mijn been.
Buiten valt de regen bijna loodrecht naar beneden en daarom blijven we lang binnen. Ik zie hagedissen, zoals de Chinese krokodilstaarthagedis, leguanen en verschillende varanen. Sommige zijn heel groot. Een enkeling ligt in het water. Een ander, de chuckwalla, kijkt mij aan alsof ik een lekker hapje ben. Als hij bang is verstopt hij zich in een spleet en blaast hij zijn longen zo op dat hij vastgeplakt zit aan de rotsen.
Gelukkig is het droog geworden en kunnen we weer naar buiten en kunnen naar de grote dieren kijken. Papaleeuw heeft zich afgezonderd van de leeuwinnen. Ze liggen allemaal in hun eigen hoek. Een van de olifanten doet een dansje met mij. De slurf slingert heen en weer en zijn voeten dansen, zoals een Griek danst. Opa IJsbeer wil ook meedansen, maar dat vind ik een beetje te gek worden; een dansende ijsbeer.
Ik meet nog even hoe lang ik ben, maar nog niet lang genoeg zegt opa om al in het Guinessbook of records te komen. Nou dan maar niet. Dan ga ik wel op de foto met twee cheeta’s. Die staan voor het restaurant met dezelfde naam en daar krijg ik minifrietjes en een kroket. Nou zo mini zijn die patatjes niet hoor. En het zijn er ook best veel.
Van opa mag ik niet in de speeltuin. Vanwege de regen is alles nat en vies geworden. Ik vind dat wel flauw van hem. Mijn mama en papa hebben toch schone kleuren meegegeven. Dan had ik best nat en vies mogen worden. Nou en vies ben ik toch wel, want mijn mouwen zijn heel smerig. We genieten nog van de Californische zeeleeuwen en de pinguïns die in het bassin zwemmen. Ik mag daar altijd vrij rondlopen en rennen. Ik druk mijn neus helemaal tegen het glas.
Bij de vlinders blijven we niet zo gek lang, omdat ik het wel heel er warm vind. Dat vinden de vlinders wel lekker. Die fladderen alle kanten op en het zijn er ook wel heel veel. Een Artis-meneer zegt dat ik de vlinders niet mag aanraken, omdat ze anders dood gaan. Nou dat wil ik niet hoor. De gorilla is er niet en we wandelen langs de wolven. Vorige maand zijn er babywolfjes geboren en ik zie tussen de struiken door dat er een jong wolfje staat te drinken.
Tijd om naar de vissen te gaan, want die wil ik ook nog zien. Natuurlijk, de haaien en de roggen. Die samen in het water zwemmen. En de zwaluwstaartvis. Ja, waarom die zo heet? Een zwaluw is een vogel die soms over het water scheert, maar dat doet deze vis echt niet. Ze noemen het ook wel de monniksvis en ook daar snap ik iets meer van. Die leven meestal in groepen samen en dat doen deze vissen, met hun dunne lippen, ook.
Het nieuwe luipaardonderkomen is nog niet klaar en als laatste bezoeken we de kinderboerderij. Daar scharrelen heel grote kippen rond, liggen kalfjes in het stro. Sommige hokken zijn dicht, maar niet allemaal en ik mag van opa een paar dieren aaien. Wel oppassen, dat ze niet aan mij gaan knabbelen.
Nadat ik netjes mijn handen heb gewassen mag ik van Opa IJsbeer nog een knuffeldier kopen. Omdat er geen kleine wolfjes zijn, kies ik voor een pinguïn. Zal Mamoe wel heel goed van mij vinden, want die vindt dat zulke grappige dieren. Ze zwemmen heel snel en lopen heel schommelend. Als wij in Artis zijn met haar, moeten we daar altijd even langs. Vandaag zijn we niet bij de hokken geweest, maar ik heb er wel vier zien zwemmen.
Met de tram rijden we terug. Het duurt een hele tijd voor er een tram komt. Twee trams slaan er af en als die van ons komt, dan moet de trambestuurder eerst de rails met een staaf omzetten voor hij rechtdoor naar de halte kan rijden. In de tram is het erg druk. Opa weet nog een plekje voor ons te vinden en ik ga bij hem op schoot zitten, zodat we beiden niet door de tram heen geslingerd worden tijdens het rijden. En dan ineens stoppen we op een gekke plaats. We kunnen niet verder zegt de trambestuurder. Er is een wisselstoring en er staan nog zeven trams voor ons. Daarom moeten we uitstappen en helemaal teruglopen naar het treinstation.
Op verschillende plaatsen staan de trams stil en de bestuurders staan buiten met elkaar te praten, of zitten in de deuropening te wachten tot zij verder mogen rijden. Ik mag op de nek van Opa IJsbeer zitten en zo wandelen we naar het station. Dat vind ik toch wel lekker hoor, want ik kan dan wel een grote meid zijn, maar wel een met kleine beentjes en die worden toch snel moe.
Op het station moeten we bijna een half uur wachten op de sneltrein naar Almere en daarom koopt opa nog een ijsje voor me. Ik kies er een uit met aardbeiensmaak. Hij smelt wel snel en een deel van mijn ijsje valt helaas op de grond.
Met de trein en de bus gaan we naar Almere Buiten. Net nadat we zijn uitgestapt laat opa op de brug mij nog even de jonge meerkoeten zien die uit een ei zijn gekomen. Meerkoeten zijn watervogels, rallen of koeten en hebben zo’n aparte witte plek op de kop. De jonge koeten hebben een lichte borst en moeten altijd oppassen want reigers en snoeken vinden hen een lekker hapje. Zielig hoor voor de mama en papa meerkoet. Moet er niet aan denken dat ik word opgegeten.

Mamoe geeft mij nog iets te drinken en ik nestel mij tegen haar aan, samen met mijn pinguïn, want ik ben toch wel moe geworden van deze bijzondere dag.

14 mei 2016

Vooraf

Zaterdag 14 mei 2016

Wie Chalkidiki zegt, zegt bijna ook tegelijk de berg Athos. Of we die ook zullen bereiken?
We vinden dit stukje Griekenland, want daar gaan we morgen heen, aan de oostzijde van het vaste land. We vliegen op Thessaloniki dat iets ten noorden van het district Chalkidiki ligt. Optisch gezien wordt het gevormd door een handpalm en drie vingers. Die handpalm wordt gevormd door de heuvels en bergen van het Cholomondas-massief.
De westelijke vinger is Kassandra, waar de bevolking de toeristen omarmt heeft en waar veel zandstranden zijn te vinden. Kalithea, in de winter wonen hier nog geen vierhonderd mensen, heeft zich ontpopt tot het toeristenhart. Ook tussen Kassandra en Sithonia, de middelste vinger, liggen zandstranden. Dit Sithonia is het natuurgebied van Chalkidiki. Weinig bebouwing en kleine baaien maken van dit stukje Griekenland echter toch een gewild gebied. Neos Marmaras is in de zomer vol zonnig leven en daar zie je de Griekse vakantiecultuur van ’s morgens koffie drinken op een terrasje terug.
Athos is de derde landtong. Het grootste stuk van dit schiereiland wordt ingenomen door de kloosterrepubliek Athos. Om dit bergstaatje te betreden heb je speciale vergunning nodig. Het aantal mensen die dat wordt gegund is zeer beperkt en de kloosterberg is bovendien alleen voor mannen opengesteld. Dat is eeuwen geleden zo ingesteld en dat geldt nog steeds zo. Ondanks dat de kerk ook in Griekenland steeds minder invloed heeft op het leven van de Grieken mag de invloed van deze orthodoxe enclave echter niet worden onderschat.
De culturele revolutie is nagenoeg volledig aan Chalkidiki voorbijgegaan. Veel bewoners leven landbouw en vooral voor de kleinere boeren is het niet gemakkelijk om rond te komen. Dit district is dus absoluut niet rijk, maar dat wil niet zeggen dat de bewoners ongelukkig zijn. Het tegendeel zou ik bijna zeggen, want vooral in de kleinere dorpen leeft men nog zoals in de voorgaande eeuw met al zijn vrolijkheid en vriendelijkheid. Wel zijn er veel jongeren weggetrokken, bijvoorbeeld naar Thessaloniki, Larissa en Athene.
Oude opgravingen zijn er nauwelijks, de tijd lijkt aan Chalkidiki voorbij te zijn gegaan. Toch is deze regio ook slachtoffer geweest van de strijd tussen vele volkeren. Perzen, Hunnen, Franken, Osmanen en Duitsers. Allemaal hebben ze hun wellustige oog op Chalkidiki laten vallen. Behalve wat monumenten zijn er echter weinig sporen terug te vinden.
Wat we gaan doen? Rusten, een beetje trekken, lezen. Misschien een excursie. Of we weer naar Meteora gaan, want dat is mogelijk weten we nog niet. Ik wil er dolgraag nog eens heen, maar dan het liefst voor meerdere dagen.
Een dag – of meer – naar Thessaloniki? Een boottochtje, wandelen. Onze uitvalsbasis is Kassandra en wel de oostkust. zodat ik regelmatig de zon zal zien opkomen. Wij hebben gekozen voor een complex  Hotel Medusa - in het toeristendorp Kriopigi, dat ongeveer vijfhonderd inwoners telt. Ik verwacht dat het aantal tijdens ons bezoek toch zeker is verdubbeld.


Chalkidiki

neem ik genoegen met een vinger
of eis ik de volle hand
ook die stijf staat
en voor vrouwen is verboden

Kassandra ik zal je zien
je toelaten
tot mijn open hart
en wat je schenkt beminnen

ik zoek de rust
de rust in de natuur
die zijn eerste bloei heeft gehad
maar nog steeds mooi is

de vriendelijkheid in mensen
mensen openen hun hart
hun woning
voor werkelijk geïnteresseerden



28 april 2016

Ik zie ze vliegen

Maandag 25 april 2016

Zondagavond, gisteren dus, ben ik met mijn zusje naar Mamoe gebracht. Opa IJsbeer is nog niet thuis, die draagt in Amsterdam ‘ondeugende’ gedichten voor. IK mag van Mamoe opblijven tot opa thuis is en samen met haar kijk ik op de bank naar televisie. Als opa er is, gaat hij eerst een kopje soep eten. Als het televisieprogramma 1 tegen 100 is afgelopen, brengt opa mij naar bed en stopt mij lekker in.
Opa is al wakker als ik naar beneden kom. Mijn zusje komt later en opa maakt een boterham voor ons. Opa gaat met mij weg terwijl Mamoe met Fayèn en mijn neefje Yari, die ook komt, naar Kids Eiland in Stad gaat. Ik wil dolgraag naar Madurodam in Den Haag.
Opa gaat liever naar Nemo, omdat we daar een dak boven ons hoofd hebben en er regen wordt voorspeld. En nat worden wil opa vandaag absoluut niet. Maar toch wil hij mij een plezier doen en dus gaan we met zijn tweetjes op pad. Gezellig.
Opa IJsbeer is een ster in het missen van de bus. Ook vandaag, als we naar de bushalte wandelen zien we lijn 5 richting het centrum vertrekken. Alleen als we naar de andere kant gaan kunnen we de Intercity naar Den Haag nog halen, weet opa, dus gaan we naar het station van Buiten. Daar moet mijn OV-pas op de railrunner worden overgezet. Als opa naar het perron wil gaan, zie ik dat er geen treinen rijden vanwege een storing. Ook rijden er sowieso minder treinen, valt er te lezen. Dus moeten we of iets anders verzinnen of toch nog naar het centrum met de bus. We doen dat laatste met een NS-bus.
Er rijden inderdaad minder treinen en die vertrekken ook nog eens alleen vanaf perron drie en vier. De Intercity naar Den Haag komt echter voorlopig nog niet. Opa vraagt of ik nog steeds naar Madurodam wil; nou dolgraag. Dus nemen we een trein via Amsterdam Centraal. Een trein die op heel veel stations stopt, maar niet op het Centraal Station van Den Haag. Volgens opa kunnen we ook op Hollands Spoor of Laan van NOI (Nederlands Oost-Indië) in Den Haag uitstappen en dan met de bus of tram verder reizen. Zelf wil ik graag met de tram. Dan heb ik vandaag in de bus, de trein en de tram gezeten. En bij zo’n lange reis krijg je wel waar voor je geld.
In Den Haag rijden we in tram 9 langs het Malieveld, waar een kermis staat. Daartegenover ligt een weg met allerlei beelden. Die staan voor het gebouw van De Hoge Raad, vertelt opa. Daar zitten allemaal heel geleerde rechters. Inderdaad, ook vandaag krijg ik een lesje geschiedenis. Terwijl ik niet eens op De Ark, mijn school in Haven, zit.
Het park, in de Scheveningse Bosjes, heeft de naam gekregen van George Maduro, die honderd jaar geleden is geboren op Curaçao. Hij kwam naar Nederland om rechten te studeren en vocht met de cavalarie tegen de Duitsers, toen die in 1940 ons land binnenvielen. Na de capitulatie ging Maduro het verzet in, maar werd opgepakt en overleed een paar maanden voor het einde van de oorlog in het concentratiekamp Dachau. In 1952 werd Madurodam gesticht als oorlogsmonument en prinses Beatrix was de eerste burgemeester, tot 1980 toen zij koningin werd. Tegenwoordig is zij de beschermvrouw van dit kleine stukje Nederland en ieder jaar krijgt Madurodam een andere jeugdburgemeester. Nou dat mogen ze mij ook best een keer maken.
Als we binnen zijn begint het te regenen. Het is ook tijd om een hapje te eten, dus gaan we meteen het restaurant in en ik krijg een kindermaaltijd, met een kroket en frietjes en patat. Lekker, opa neemt ook wat mayonaise mee terwijl ik een vrij plekje zoek. Dat valt niet mee, want iedereen lijkt wel tegelijk te willen gaan eten. Of schuilt iedereen soms voor de regen? Nou niet iedereen hoor, er zijn ook mensen die met een paraplu rondwandelen.
Als het droog is, ga ik naar buiten. Ga machinistje spelen en laat de treintjes rijden. Ik ren door het park en volg de treinen. Als ik groot ben wil ik ook machinist worden.
Of buschauffeur, dat was mijn andere opa (van de bootjes). Ach ik moet nog veel leren, dus het zal nog wel een keer veranderen. Misschien vinden ze nog een beroep uit dat nog veel leuker is.
Ik ren van A naar B en kan niet kiezen tussen Amsterdam en Rotterdam, dat is best lastig als je regelmatig op de tribune in de ArenA zit, want het voetbal daar is toch echt beter dan in De Kuip. Daar werken ze wel harder, dat doen ze omdat ze gewoon minder goed zijn en dus wel moeten! Hun havens zijn echter beter en groter. Dat compenseert tenminste. Zij ook weer tevreden. En kiezen moet ik ook tussen de Deltawerken en de molens van Kinderdijk. Echt voor veel mensen valt hier wat te genieten.
De een houdt immers van water, de ander van gebouwen, weer een ander van heuvels. Je hebt hier bloemen, een kasteel, een monument, Schiphol, havens. Echt waar zoveel, ik kan niet allemaal onthouden. Dus we moeten nog een keer gaan.
Ook voor opa is er genoeg leuks te zien. Hij zet graag beelden en monumenten op de foto zet, zoals het monument van Bep Boon-van der Starp, die samen met de familie Maduro het initiatief heeft genomen tot al dit moois.'
Dit jaar wordt er naast het park nog een monument voor George Maduro zelf onthuld. Dus Opa… En misschien staat mijn naam daar dan ook wel in, want ze zoeken nog een kinderheld en de naam van die held wordt verwerkt in het beeld dat door Jikke van Loon wordt gemaakt. Nou mijn naam past daar uitstekend in, want een held mag je mij toch wel noemen. Ik zorg er immers voor dat mijn opa steeds weer in de goede trein stap en veilig thuiskomt. Zonder mij zou hij ongetwijfeld in Griekenland belanden.
Maar terug naar ons bezoek, hoewel dat wel zijn einde nadert. Nadat ik op de bloemenveiling bloemen heb gekocht – Mamoe heb je die al ontvangen? – zegt opa namelijk dat we naar huis gaan. Hij vindt het tijd worden want er komt weer een schip met zure appelen aan. Dat ziet hij aan de lucht. Opa IJsbeer vindt een zure appel wel lekker, maar vindt het nog steeds niet aangenaam om zich nat te laten regenen.
Dat worden we wel als we naar de tram wandelen. Omdat er onder de afdakjes veel ouderen staan worden we toch een beetje nat. Nou dat heb ik er best voor over, voor zo’n toffe dag.

We halen op het Centraal Station van Den Haag netjes de Intercity naar Almere, die inmiddels wel rijdt. We komen net als op de heenweg langs Schiphol en ik zie ze vliegen.
Het laatste stukje vliegen wij echter niet. Er rijdt een sprinter voor ons en die stopt bij ieder station in Almere. Daardoor zijn wij iets later in Almere Stad. Daar staat de bus al te wachten. In de Faunaubuurt zien we mama lopen, die is met papa ook net gearriveerd om ons op te halen. Opa, het is een fijne dag geweest. En tot maandag. Gaan we dan weer wat leuks doen?

27 april 2016

Circus

Woensdag 21 april 2016

Opa IJsbeer heeft mij vanmiddag uit school, in de Stripheldenbuurt, opgehaald en met hem ben ik eerst naar de Faunabuurt gefietst.
Ik zit dan bij hem voorop de stang , zeg maar eerste rang. En onderweg staat zijn mond niet stil. Dan vertelt hij over allerlei dingen die ik onderweg zie. Hij vertelt over de bloesem die nu bijna weg is en ik vertel dan over de mooie groene blaadjes die tevoorschijn komen. Onderweg kijk ik altijd uit naar de reiger, maar ook vandaag is hij er niet. Wel diverse zwanen en een tweetal zwanennesten. Die zwanen zitten op eieren en daar moeten zwanenkuikentjes uit komen. Dat kan mij niet snel genoeg gaan.
Onderweg plaag ik opa een beetje. Als hij zegt dat we naar links gaan en vraagt wat mijn linker hand is, steek ik mijn rechterhand uit. En dan zegt opa dat ik een oenemeloen ben. En dan zeg ik: ,,dat ben ik niet, je bent zelf een oenemeloen.’’
Bij het huis van opa en Mamoe lunchen we en Opa IJsbeer geeft mij twee van zijn beruchte toverbroodjes. De eerste met hagelslag en vlokken en de andere met pindakaas en pasta. En alle twee gaan ze schoon op. Ja dat heb ik er graag voor over, want dan is die oude man tenminste ook weer tevreden.
Ik heb opa daarna even aan het werk gezet, boven. Terwijl hij zich op de was stort, dat geeft me wel een klap, kan ik een uurtje met de Lego-treinen spelen. Met autootjes spelen is leuk, maar bij de treinen kan ik toch ook veel van mijn fantasie kwijt.
En dan is het tijd om weer op de fiets te stappen, eerst langs een derde zwanennest. Een van de zwanen dreigt het water over te steken, omdat hij bang is dat wij te dichtbij komen; hij jaagt ons daarom weg en om hem niet boos te maken zijn we snel verder gefietst, naar de Evenaar.
Daar is een circus. Twee weken geleden ben ik al naar de kermis geweest en nu ga ik voor het eerst naar een echt circus. Nou ja echt…
Op televisie zie ik wel eens een circus en daar hebben ze dan altijd een olifant, Dombo. En hier is geen olifant, dus zeg nu eens zelf… Een circus zonder dieren is toch geen circus en een olifant hoort daar gewoon bij. Gelukkig zijn er wel andere dieren, zoals paarden en pony’s en geiten en nog veel meer. En daar mag ik dus zomaar gaan kijken, terwijl ze worden verzorgd.
Samen met heel veel kinderen, opa’s, oma’s, mama’s en papa’s mag ik naar binnen. We zitten helemaal vooraan zodat ik alles goed kan zien. En dan in een keer begint het circus te leven, het doek gaat open en de spreekstalmeester, wat een lang woord, verwelkomt ons allemaal. Hij is zo blij dat er zoveel kinderen naar zijn circus zijn gekomen en hij belooft ons een te gekke middag. En dat wordt het ook.
Het  begint al meteen flitsend met een tweetal paarden, dezelfde paarden stonden neg nog sloom in hun box. Inderdaad een box; niet alleen baby’s, zoals mijn broertje Daeley, zitten of liggen in de box ook paarden. Nu rennen ze echter vurig door de piste. Als een dirigent staat een circusmijnheer in het midden en de paarden doen precies wat hij zegt. Vlak voor mijn neus draaien ze om en rennen de andere kant op. Of draaien een rondje. Zo hard. Mama houdt ook wel van paarden en kan ook paardrijden, maar of ze ook zo hard kan rijden? Ik denk het wel, maar opa niet. Die kan dat niet. Zou ook een gek gezicht zijn een IJsbeer op de rug van een paard.
Een mevrouw kan heel goed hoelahoepen, dat is spelen met hoepels, die rond draaien om haar benen armen, lichaam van boven naar beneden en weer terug.
En er komt een clown, Robbie. Die wordt steeds geplaagd door een andere clown en dat vind ik zielig. Opa niet, die moet daar hard om lachen. Nou opa moet maar eens met een krant op zijn hoofd worden geslagen of een stuk elastiek tegen zijn bips krijgen. Dan lacht-ie niet meer.
De vrouw van de hoepels laat de duiven door de tent vliegen. Een van de duiven heeft vandaag niet veel zin en doet wat ze zelf wil. ,,Misschien is ze wel verwend’’, zegt opa. Zelf denk ik dat die duif niet goed uitgeslapen is en daarom een been chagrijnig is. Dieren zijn immers net als mensen.
Daarna komen er nog veel meer dieren, geiten, ganzen, pony’s, honden. Een mijnheer kan heel goed gooien met ballen, wel vier ballen tegelijk gooit hij omhoog. En vangen kan hij ook heel goed, want hij laat er geen een vallen. Als hij niet meer in het circus wil werken kan hij altijd nog keeper worden bij het Nederlands elftal zegt opa. Nou ik vind dat hij dan maar naar Ajax moet gaan.
O ja, er is ook nog een pauze. Veel mensen gaan naar buiten, drinken iets terwijl de piste wordt opgebouwd voor een nieuwe show met dieren. Grote mensen gaan ook roken. Nou dat vind ik vies. ,,Dat moeten jullie gewoon niet meer doen. Het is ook niet gezond.’’ Opa is al jaren geleden gestopt met roken en die moet soms nog steeds hoesten, een rokershoestje.
Na de pauze komen er veel spannende dingen. Eng vind ik het dat een meneer met messen gaat gooien naar een mevrouw. Gelukkig kan hij niet zo heel goed gooien, want alles gaat mis en er hoeft geen dokter te komen om pleisters te plakken op die mevrouw. Een papa wordt gevraagd om te komen. Hij wordt vastgebonden en dan gaan ze ook op hem staan mikken. Nou, ik griezel er nog steeds een beetje van.
En dan is het afgelopen. De messenwerper spuwt nog een keer met vuur en dan gaat iedereen naar huis. Wij niet. Want ik mag nog een rondje op een pony rijden voordat opa mij naar mijn mama brengt.

Op weg naar huis zie ik nog een reiger staan. Een witte. ‘Dat is geen echte reiger’ vertel ik tegen opa. ,,Want een echte reiger heeft een gele snavel en deze heeft een zwarte.’’