13 september 2007

Limburg 3
Oranje

In Maastricht nemen Naomi en ik zaterdagmorgen afscheid van de gastvrije familie Melman. De oudste zoon vertelt, dat wij drie klimmetjes krijgen voor wij in Schin op Geul zijn. Dat is sterk overdreven. Slechts bij Berg - een toepasselijke naam - is het werken geblazen. Met een beetje hulp haalt ook Naomi de top.
De Cauberg - vanaf deze kant - is een peulenschilletje. De afdaling - twaalf procent - doen we met ingeknepen remmen. Toch halen we nog 37 kilometer per uur.
Even voorbij Valkenburg - na veertig minuten fietsen - stoppen wij. Het begint te miezeren. Wij hebben geen jas aangetrokken en van miezerreggen word je flink nat. Even wat aanschieten en hup weer op de fiets.
We komen niet ver. Tussen Oud-Valkenburg en Schin op Geul ineens een hoop getoeter naast ons. De familie Teepe. Die heeft ons zien trappen en zijn met de auto omgekeerd. Tijd voor een kletspraatje. Hun vakantie is voorbij. Zij hebben op de camping gestaan in Schin op Geul en zijn op weg naar huis.
We wensen elkaar een goede reis.
Het vakantiehuisje is snel gevonden. Wij waren veel te vroeg. De eigenaresse geeft het onderkomen een flinke beurt. Wij mogen de tassen wel vast neerzetten, maar moeten nog even wachten voor we onze intrek in het onderkomen kunnen nemen.
Omdat wij toch niets beters te doen hebben, gaan we shoppen. De boodschappen brengen we naar het huisje en gaan daarna het dorpje verkennen. Op zoek naar het station en eventueel een bedrijf dat fietsen verhuurt, voor Tineke en Raema. Het station ligt heuvelopwaarts. Te stijl voor Naomi. Zij moet van de fiets.
Het treinstation stelt weinig voor. Er is geen restauratie en fietsen huren kan niet. Voor een kop koffie worden we verwezen naar een café, natuurlijk gelegen tegenover de kerk.
We moeten nog twee uur zien zoet te brengen, want dan verschijnen Tineke en Raema. Zij zijn door Nel - net terug van vakantie in Frankrijk - naar de trein gebracht.

De cafébaas maakt een opmerking over Ajax naar aanleiding van de Ajax-pet van Naomi. Al snel begrijpen we de betekenis.
In zijn zaak hangen diverse voetbalfoto's. Op een van de foto's staat een man in een oranje shirt. Daarnaast hangt een shirt van het Nederlands elftal. Dat heeft hij - Frits de Graaf – zelf gedragen.
Terwijl Naomi weer geniet van een vlaai vertelt de oude baas vol trots over zijn voetbalverleden. Over zijn interland. En over clubvoetbal in zijn tijd.
Echte amateurs? Neen, voor een appel en een ei verhuist hij naar Limburgia. Met die club wordt hij eenmaal kampioen van Nederland. In het Olympische stadion. Door Ajax met 6-0 te verslaan.
De tijd gaat snel. Vlug naar het station. Anders missen we Tineke en Raema nog.
Eerst komt de trein uit de richting van Maastricht. Even later komt vanaf de andere kant een langere trein. Daarin zit de rest van mijn gezin.
Raema ziet ons al snel staan en springt de trein uit. Tineke volgt. Bij het station staat de eigenaar van het vakantiehuisje te wachten. Hij is gewend dat treinreizigers zware tassen en koffers mee te zeulen hebben. Hij laadt de bagage in zijn auto en neemt tevens de kinderen mee. Tineke stapt op het fietsje van Naomi en rijdt met mij naar beneden.
Nadat iedereen zich goed heeft geïnstalleerd stappen we weer op de fiets. Naar Etelaken. Daar kunnen we fietsen huren. Voor Tineke lukt het. Een fiets voor Raema is er echter niet.
Terug naar Valkenburg. Een nieuwe poging. Daar hebben ze wel kinderfietsen, maar willen ze niet aan ons verhuren.
,,Dat doen we alleen aan gezinnen, waarvan iedereen een fiets bij ons huurt'', krijgen we te horen.
,,Nou, dan moet Raema maar bij jou achterop'', zegt Tineke.
En zo gebeurt het ook.

Tineke neemt ons uit eten en komt op het lumineuze idee fietstassen te kopen, waarin Raema haar voeten kan doen. Dat lukt. Echt een stuk fietsen is er niet meer bij. De dreinende regen en de vermoeidheid van de reis zitten ons in de weg.
We besluiten naar het huisje te gaan. De televisie gaat aan. Voetbal: gastland Italië en Engeland strijden om de derde plaats tijdens het WK.

De eerste dag van de vakantie is voor mij en Naomi met gezang begonnen. De laatste volle dag in Limburg begint ook zo. En weer is Raema de vrolijke noot. Met volle borst zingt zij vanuit haar bed. ‘Ole, ole. Morgen gaan we naar huis'.
Tineke en ik lachen daar smakelijk om en stappen uit onze slaapzakken.
Ik ga met Naomi en Raema mee de krant halen. Op de scheiding van erf en weg ontdek ik een groene kikker, of is het een pad. Het beest is morsdood. Ik roep de familie erbij. Naomi is stekeblind en stapt bijna op het beestje. Na veel ach en wee besluiten we het dode dier - met behulp van een schepje - in de berm te gooien.
Vanuit de winkel nemen wij en passant harde bolletjes, drinken en nog enkele kleine boodschappen mee. Terwijl wij de boodschappen uitpakken - de krant laten we onder het mom vergeten in de tas - verzorgt Tineke het ontbijt.Na het eten besluiten Naomi, Raema en ik nog een flinke fietstocht te maken. Tineke blijft achter. Zij heeft last van haar been - het gevolg van het bezoek aan het zwembad - wil het huisje schoonmaken en alvast enkele spullen inpakken.
De tocht voert langs Wittem en Partij naar Mechelen. Daar staat een korenmolen, die nog in gebruik is. De molen drijft op water, maar daar is van buitenaf niets van te merken. Het bezichtigen laten wij achterwege, omdat zoiets flink veel geld kost en dat is het mij niet waard.
We rijden door naar Epen waar ook een korenmolen moet staan. Hoe we ook zoeken, de molen kunnen wij niet vinden. Wat we wel tegenkomen - tot verdriet van Naomi - is een lange stijgende weg. Meer dan een kilometer klimmen naar Eperheide. Naomi is moe en stapt af. De bergkoning is geveld. Ik besluit ook te stoppen en samen lopen we het laatste stukje omhoog in de drukkende warmte. Raema moet helpen met duwen van de fiets van Naomi en doet dat trouw. Het zweet gutst van onze lijven.Via Heijenrade dalen we door een fraai stukje Limburg. Het gaat niet echt hard door de vele haarspeldbochten en dat is maar goed ook. Onderweg is het oppassen geblazen. Het gemotoriseerde verkeer houdt geen rekening met fietsers. De bestuurder van een touringcar vindt het nodig om een vrachtwagencombinatie te passeren. De schildpad kruipt de slak voorbij. Wij rijden in tegengestelde richting en komen bijna klem te zitten.
In Slenaken willen we aanvankelijk stoppen bij een fraai café-restaurant. Het terras zit vol met toeristen, die door een andere autobus zijn aangevoerd. Ik krijg Naomi niet zover om door te rijden naar Noorbeek. Zij moet haar reserves aanvullen.
Het eerste gedeelte van de weg daarna gaat, omhoog.
Naomi is het klimmen zat. We nemen daarom de weg naar Gulpen. Deze gaat door het dal langs het riviertje de Gulp.
In Euverem stappen we weer af. Koffie, thee, appelsap en vlaai willen wij hebben. Niks geen vlaai. Die is op. Nou dan maar een tosti. Het restaurant ligt op een steenworp afstand van Foreldorado. Ik heb geen trek in nogmaals een bezoek aan dit park en we gaan verder.
Naomi is het klimmen nog steeds moe, maar draagt gelaten de last, want om klimmen kun je nu eenmaal niet heen in het zuiden van Limburg. De weg loopt door naar Cadier en Keer. Voor ons ligt een helling. Naomi ziet daar tegenop als een berg, maar fietst wel vrolijk fluitend met 25 kilometer per uur naar boven.
In het plaatsje schaf ik nog een laatste fotorolletje aan. Vlak voor het plaatsje springt mijn kilometerteller op 800 kilometer.
De tocht voert ons verder naar Bemelen en Bemelerberg. Op de helling - links van ons - liggen de mergelgroeven. Omdat onze weg omhoog gaat, trappen we door en nemen niet even de tijd voor het uitzicht.
De draaiende molen 'Van Tienhoven' krijgt nadat we 'Mooi Limburg' achter ons hebben, wel onze aandacht. Het laatste stukje van de reis voert via Sibben en Vilt via een afdaling van de Cauberg naar Valkenberg. Hier wil ik badslippers voor de meiden kopen, maar kom terug met drinken. Badslippers zijn niet te krijgen, terwijl ik de bidon en appelsap in ons vakantiehuisje heb laten liggen. Vandaar. Tineke ligt daar trouwens in de tuin te zonnen.

Omdat de meiden die dag nog geen vlaai hebben genuttigd, vereren we Frits de Graaf nog met een bezoek. De drievoudig international - scoort in het Oranjeshirt ook nog eens driemaal - vertelt dat het zeer rustig is.
‘De pensionprijs is toch echt laag, maar er komt bijna niemand meer. De mensen betalen zich liever scheel aan een huisje op het luxe vakantiecomplex boven op de berg. Ze hebben vervolgens bijna geen geld meer over om te besteden. Voor mij gaat de lol er enigszins af. Ik overweeg om de tent maar te sluiten', vertelt hij.Na het eten gaan Naomi en Raema wandelen. Tineke pakt nog enkele tassen in en ik besluit tot een laatste fietstocht. Het is benauwd en daarom gaat het voor mijn gevoel niet lekker. Zit uiteraard weer tussen mijn oren.
De afdaling vanuit Ransdaal loopt daardoor niet. De beklimming bij Ubachsberg is een verschrikking. Het zweet gutst - zoals eerder op de dag ook al - van mijn gezicht en staat in mijn handen.
Volhouden naar Simpelveld en daar vind ik mijn tweede adem. Het gaat lekker. Via Bochholtz en de Bocholtzerheide ga ik ditmaal bij Bahnheide rechtdoor en fiets via de Kruisberg naar Wahlwiller. Dit is inmiddels bekend terrein. Partij ken ik ook nog en daar begint de klim naar de Gulpenerberg.
Ik overweeg te stoppen als een eveneens zwaargebouwde jongeman op een racefiets voorbijkomt. Ik klamp heel even aan en moet dan lossen. ‘Dit heeft geen zin. Stoppen en teruggaan', denk ik.
Mijn gids heeft het ineens ook moeilijk en dat is voor mij weer een stimulans. Boven op de berg staan vier mensen te klappen en ik krijg een laatste goedbedoeld zetje. Ik weer de mensen af. ‘Niet doen. Ik wil op eigen kracht naar boven', hijg ik.
Het is al te laat. Ik ben uit mijn ritme. Niet erg, want de top is nakend en ik kom heelhuids boven. Beneden ben ik vervolgens zo. Niet lopend zoals via bordjes wordt aangeraden, want dat is mijn eer te na.
De weg naar Margraten ligt nu open voor mij. Voor de tweede keer die dag ploeter ik omhoog. Nadat ik het hoogste punt ben gepasseerd is de kwelling voorbij. Via Sibbe en langs het steenkolenmijnmuseum bij Valkenburg fiets ik naar beneden. Dat brengt rust en het laatste gedeelte kan ik op souplesse uitrijden.
Op zo'n avond als vandaag zijn wielrenhandschoentjes - zoals Naomi eerder op de dag bij Jean Habets heeft gekocht geen overbodige luxe, maar een noodzakelijk kwaad. Een wielrenbroekje moet er eigenlijk ook komen. Het slipje in mijn korte broek knelt en bezorgt mij pijn. Geen wonder ik heb bijna honderd kilometer weggetrapt vandaag.

De kinderen gaan naar bed, wanneer ik in het huisje arriveer. Ik stop ze onder en douche het vieze zweet weg. Met Tineke speel ik - vanwege de inmiddels aangename temperatuur - buiten rummikub en pak daarna mijn fietstassen in. Morgen begint de reis terug naar Almere-Haven.

12 september 2007

Limburg 2
Dieven

Op weg naar Schin op Geul verblijven Naomi en ik een dag in Maastricht, omdat we pas een dag later in ons vakantiehuisje terecht kunnen.
Maastricht is een van de mooiste steden van ons land en op dat moment voor mij zeer zeker de gezelligste stad van Nederland. Gastvrij en ongedwongen. Op het Vrijthof kan je uren op een terras zitten. Goedkoop is het er zeker niet, maar de Limburgse vlaai is authentiek en behoort tot de vaste kost van mijn oudste dochter. Dus wordt ook daar genuttigd.
‘Een dag zonder vlaai, is een dag niet geleefd', zou haar motto bijna kunnen zijn. De terrassen stromen al snel vol, ook terwijl wij er zijn. Zeker nu de regen is verdwenen en de zon voor een behaaglijke temperatuur zorgt. Overal zie je mensen hun jassen uittrekken. De korte mouwen komen tevoorschijn.

Langs de Maas zijn diverse kleine eettentjes. Niet overal heb je zicht op de rivier, die vanuit België ons land binnenstroomt. In de stad zelf ontdekken we een put of beter gezegd een berenkuil. Bewoond met enkele bruine beren.Onze eerste wandeling gaat onder langs de stadswallen. In deze wal heeft Pierre Zenden zijn sportschool. Zenden op dat moment nog een naam bekend van het judocommentaar op televisie. Een naam, waaraan tien jaar later toch echt een andere voornaam wordt gekoppeld. Boudewijn: voetballer bij PSV, Barcelona, Liverpool en het Nederlands elftal.
Een dag na onze aankomst zette we bij de Servatiuskerk onze fietsen in een openbare bewaakte fietsstalling. De termen openbaar en bewaakt krijgen bij mij een iets andere lading. Mijn driehoekige fietstasje krijg ik niet los en laat ik daarom maar zitten. Een verkeerde afweging, ontdek ik later op de dag. Wanneer wij onze fietsen komen ophalen, is het tasje verdwenen. ‘Flink bewaakt jongens', denk ik. Zelfs verdenk ik de bewakers ervan mijn goed gestolen te hebben. De wijze waarop gereageerd wordt wanneer ik mijn fiets meeneem, brengt mij tot de gedachte: dieven. Het voorval bederft voor mij een plezierige dag.
Een dag later zwerven we toch weer door de stad. Slenteren door het oude gedeelte, de universiteitsbuurt en ditmaal over de stadswallen. Terwijl ik op een bankje in het park mij verdiep over de kaart van Maastricht, gaat Naomi alleen op pad. Zij zoekt de berenkuil, weet deze te vinden, maar de beren zijn deze dag opgesloten.
's Avonds gaan we op zoek naar een pizzeria. Naomi zit te modderen met haar mes en vork en zal haar pizza niet helemaal opeten. Geen wonder zij heeft die dag al twee vlaaien naar binnengewerkt.
Een paar dagen later gaan we met de hele familie naar Maastricht.

De kinderen hebben die dag moeite met opstaan. Tineke en ik willen echter vroeg op pad, zodat de dochters zonder pardon hun bed uitgekieperd worden. Aankleden, ontbijten. Het lukt allemaal op tijd. Om negen uur zitten we in de trein naar Maastricht, waar we de hele dag zullen verblijven.Aan de treinreis - een speciaal arrangement - zit een bootreis op de Maas en een bezoek aan de grotten in de St. Pietersberg begrepen. We halen de eerste afvaart van de 'Ville de Liège'. Om tien uur steekt deze boot van wal. We varen tot vlakbij de ENCI-fabriek en dienen daar weer aan land te gaan. Een kwartier te vroeg voor de rondleiding arriveren we op het terras van het naast de ingang van de grot gelegen restaurant.
Terwijl ik de mensen observeer doden de kinderen de tijd in een speeltijd.Onder leiding van een werkstudent bezoeken we een deel van het gangenstelsel. Ooit tweehonderd kilometer lang. Door afgravingen (de ENCI gebruikt de mergel voor metselspecie) is daar driekwart van verloren gegaan.
De mergel is vele eeuwen geleden al ontstaan. De Romeinen ontdekken tijdens hun bezetting van ons land - in het begin van onze jaartelling - dat het mergel zacht is en na droging uitermate geschikt als bouwmateriaal. In latere tijden wordt de mergel gebruikt voor het bouwen van hele vestingwerken, maar ook voor de bouw van huizen.
In de Tweede Wereldoorlog stelt het gemeentebestuur van Maastricht een evacuatieplan op. Maar liefst dertigduizend mensen moeten eventueel onder de grond - in het gangenstelsel - worden opgevangen. Het plan wordt niet ten uitvoer gebracht. Wel worden er enkele mensen - voor enige weken - in de grot verborgen. De sporen - de kapel, toiletten etc. - zijn nog steeds te bezichtigen.

Om kwart over twaalf zien we de 'Ville de Liège' uit de richting Maastricht aan komen varen. De boot braakt een nieuwe lading bezoekers voor de grot uit, waarna de mensen, die al onder de grond zijn geweest, aan de terugvaart kunnen beginnen.
We varen eerst nog een stukje richting grens. Net nadat de sluizen in de Maas in zicht zijn gekomen, keren we. De stad komt al snel weer in zicht. In Maastricht nemen we de kuierlatten. Via de Markt met het Stadhuis komen we op de Vrijthof. Daar bezoeken we de Servaaskerk met zijn beroemde schatkamer.Voor de zoveelste keer in mijn leven moet ik constateren dat de RK-kerk bijzonder rijk is. De schatten zijn allemaal bekostigd door gelovigen. Daar zitten mensen tussen, die zo arm zijn dat zij nauwelijks te eten hebben. De kerk bekommert zich daar niet over en gaat gewoon door met vergaren van rijkdommen. De commercie tiert er welig en ik neem me voor op in de toekomst geen enkele kerk meer te bezoeken. Natuurlijk houd ik me daar niet aan.
Het Vrijthof bezoeken en niet plaatsnemen op een van de terrassen kan niet. Het is bovendien etenstijd en dus wordt het een met het ander gecombineerd. Preisoep voor Tineke. Vlaai voor Naomi en Raema. Een stokbroodje met brie voor mij.
In het centrum laten we het eerste volle fotorolletje afdrukken bij een dependance van de HEMA, tegenover de VVV. Het zoeken naar de kazematten wordt gestaakt, wanneer we vernemen dat er slechts tweemaal per dag een rondleiding wordt gegeven.
Naomi wil naar de beren. Zij vindt de weg naar de kuil blindelings, maar heeft opnieuw pech. De beren zitten opgesloten. We slenteren verder door de stad en halen aan het eind van de middag de foto's, waarna het diner volgt.
Een wandeling door oud-Maastricht is hierna goed voor de spijsvertering. Tineke is helemaal verrukt van de fraaie, verborgen, idyllische plekjes. De rust op de stadswallen is bijzonder. Tussen het lover ontdekken we vogels, die genieten in de avondzon.
Nog maar een bezoek aan de berenkuil. De situatie is niet veranderd. We besluiten daarop Maastricht te verlaten. Dwars door de stad gaan we op weg naar het station. Raema is doodop en laat zich door mij over de brug dragen. Zij is echter niet de enige, die ‘moei’ is.Na de treinreis klaag ik - toch al geen beste loper - over spierpijn. Tineke is er niet veel beter aan toe, maar zwijgt - zoals meestal - over pijntjes. Ze is wel blij weer terug te zijn op ons vakantieadres. De kinderen zijn razendsnel in dromenland.

11 september 2007

Limburg
Rare beesten

Het is vakantie. ‘Goodbye Ruby Tuesday’, galmt het door het huis. Ik kijk op de wekker. Vijf uur. Raema heeft er al vroeg zin in.
Zal ik Naomi ook maar meteen wakker maken? Zou haar humeur net zo goed zijn als die van Raema? Ik heb de wekker van Naomi op half zeven gezet, omdat we van plan zijn om samen - in een paar dagen - naar Limburg te fietsen. Ik laat haar toch maar vroeger opstaan, dan kunnen we ook eerder op pad.
Om half zeven stappen wij uiteindelijk al op de fiets. Tineke en Raema zwaaien ons uit. Zij volgen zaterdag. Met de trein.

Het is fris buiten. We hebben ons daarom goed aangekleed. Even voorbij de manege aan de Gooimeerdijk stunt een sproeivliegtuig en strooit zijn vuil uit over de weilanden. Gelukkig houdt de piloot rekening met ons, zodat we niet onder de rotzooi terechtkomen.
Op de Stichtse Brug klaagt Naomi even over haar rug, maar dat is snel voorbij wanneer wij naar beneden rijden. In de buurt van Eemnes zien wij een ballon langzaam zijn weg door de lucht zoeken. Die is er al vroeg bij evenals het woon- werkverkeer. Dat komt op gang. Forensen op de fiets groeten ons vriendelijk.

In de buurt van Huis ter Heide stikt het van de Amerikanen. Militairen, die gelegerd zijn op vliegbasis Soesterberg. In Zeist is er van deze drukte niets meer te bespeuren.
‘Ik moet nodig plassen’, piept Naomi.
De cafés zijn nog niet open. De Hema wel.
‘Daar zal wel een toilet zijn’, gok ik.
Verkeerd gedacht dus. Ze houdt haar plas op tot Wijk bij Duurstede, waar een langere pauze wordt ingelast en door Naomi de eerste van talloze vlaaien tijdens deze vakantie wordt gegeten.
Tevens wisselt zij van schoeisel, omdat zij pijn heeft in een grote teen.

We zijn dan Driebergen al lang voorbij. Daar worden wij voor het eerst geconfronteerd met de verkoop van kersen uit eigen boomgaard. Echt prettig toeven is het niet onder de bomen. Tussen de bomen zijn touwen gespannen, met daaraan blikken in allerlei vormen en maten. Ze zorgen voor een hels kabaal en dienen de vogels te verdrijven. In de Betuwe lossen ze dit anders op. Daar wordt lustig in de lucht geknald.
Om in de Betuwe te komen hebben we via de pont eerst de Lek en vervolgens via de Prinses Marijkesluizen het Amsterdam-Rijnkanaal overgestoken. Bij Tiel nemen we een voetveer over de Waal. Bij Oijen ligt de derde pont - ditmaal over de Maas - van deze rit te wachten. ‘Dat kan ook nog wel even duren’, zegt een man. ‘Hij schijnt kapot te zijn. Er wordt in ieder geval flink gesleuteld.’
Het wachten duurt gelukkig slechts tien minuten. Dan komt er beweging in het gevaarte. Alle fietsers kunnen met de eerste oversteek mee. Dat geldt niet voor de auto's. Die nemen meer plaats in. Sommige automobilisten hebben de smoor in. Zij wachten al meer dan een halfuur.
In Noord-Brabant - onze vijfde provincie na Flevoland, Noord-Holland, Utrecht en Gelderland - ontdekt Naomi een schaap, die bij een koe drinkt.
“Rare beesten, die Brabantse schapen’, stelt zij onomwonden vast.

Van de bewegwijzering klopt in Noord-Brabant weinig. Soms staan de bordjes verstopt, maar vaak ontbreken zij totaal. Van paddestoelen hebben ze in Noord-Brabant kennelijk nooit gehoord, want ik kan er geen ontdekken.
De meegenomen kaart is bovendien summier, zodat wij in de buurt van Oss flink veel extra kilometers extra moeten maken om op het goede spoor te komen. We moeten naar het zuiden. Daarom gebruik ik de zon, die inmiddels voor een heerlijke temperatuur zorgt, maar als baken.
Tussen Nistelrode en Uden spring ik van de fiets.
‘Tijd voor een feestje', roep ik en geef Naomi een zoen.
’Waarom?’, vraagt Naomi verwonderd.
‘We hebben er honderd kilometer opzitten.’
‘Zoveel al?’

In Veghel aan de Markt ontdekt Naomi een hotel. Op de teller staan 116 kilometer. Het is mooi geweest voor de eerste dag. Ik schrijf ons in bij een hotel. De fietsen kunnen we achter in een schuurtje zetten. De tassen breng ik naar de kamer. Hierna gaan we het dorp in.
We bellen naar huis en eten in een shoarmatent een hapje. Het is nog te vroeg om al te gaan slapen. Daarom wandelen we nog enige tijd door het plaatsje en belanden onverwacht op een fraaie begraafplaats. Tussen het lover door, zien we de beheerder vertrekken.
‘Hij sluit het hek. Hoe moeten we nu weg?’, vraagt Naomi. ‘Moeten we nu over het hek klimmen? Dat is veel te hoog voor mij.’
,,Dat zien we zo wel'', mompel ik.
Het hek blijkt niet op slot te zijn, zodat we gewoon weg kunnen. Het hotel is dichtbij. Na een warme douche verdwijnt Naomi naar bed. Een paar uur later volg ik haar voorbeeld.

De zin om er flink tegenaan te gaan is de volgende dag groot. De wind is toegenomen en daarom willen we eigenlijk niet verder dan Weert. Tijdens het ontbijt hoor ik echter dat het weer een dag later slechter zal worden. ,,Laten we er nog maar een paar kilometer extra aan vastplakken'', stel ik daarom voor.
‘Moet dat echt?’, vraagt Naomi.
‘Nou we kijken wel in Weert. Gaat het dan nog, dan rijden we door en anders stoppen we’, antwoord ik.

De fietsroute naar het zuiden staat ditmaal goed aangegeven. De weg langs de Zuid-Willemsvaart is recht en uitermate saai. De wind staat precies op onze kop en maakt het fietsen er niet gemakkelijker op. ‘Kunnen we even stoppen. Ik heb last van mijn bovenbenen’, klaagt Naomi al na een paar kilometer.
‘Wanneer wij nu stoppen, wordt het alleen maar erger. Dan krijg je pas echt last van spierpijn. Trap nog maar even door, dan gaat het straks wel beter’, probeer ik de moed erin te houden. Na een kwartier vraagt Naomi opnieuw om te stoppen, omdat zij pijn heeft.
‘Denk nu maar even niet aan je benen, maar aan veel ijsjes. Dan rijd je veel gemakkelijker’, stel ik voor.
Dat wondermiddel helpt voorlopig.
Op weg naar Helmond geef ik gratis verkeersles. Naomi rijdt voorop en moet de juiste weg kunnen inslaan zonder dat ik alles voorkauw. Het begrip 'Doorgaand verkeer' wordt daarom uitgelegd. Tegen de wind in vorderen we langzaam. Anderhalf uur na ons vertrek rijden we Helmond binnen. Naomi heeft op de fiets zitten dromen over ijs en vraagt om een kinderijsje.
Naast ons op het terras zitten twee mensen, verkleed als ruiters. Zij maken onderdeel uit van een vossenjacht van een lagere school.
‘Moeten ze hier nu nog naar school’, vraagt Naomi.
‘Ja, nog niet iedereen heeft al vakantie. De vakantie in het zuiden begint pas volgende week’, vertel ik.Dat er hier nog geen vakantie is zou je bij het kasteel niet zeggen. Er staat een lange rij om binnen gelaten te worden.
Even verderop wordt de jaarlijkse kermis opgebouwd. Er wordt nog flink gesleuteld aan de achtbaan. Twee mannen prutsen aan de botsauto's. De kleinere attracties zijn al gereed om vanaf morgen het publiek te ontvangen.

We zoeken de Zuid-Willemsvaart weer op en passeren onderweg het fraaie kasteel van Helmond. Het water is snel gevonden. De weg is kaarsrecht. De wind is toegenomen. Voor de afwisseling stel ik voor Someren aan te doen. In het winkelcentrum stoppen wij op het moment dat beide wijzers van de kerkklok loodrecht omhoog wijzen. We doen snel inkopen. Ik snijd me aan het lipje van een blikje Spa rood, dat niet echt open wil. De EHBO-spullen komen zo goed van pas. Naomi moet plassen, maar net als in Zeist zijn ook in Someren de cafés en restaurants nog dicht. Koeweit of is het Q8 brengt uitkomst.
Weert wordt toch ons eindstation van die dag. Naomi heeft het steeds moeilijker. Een waterijsje - goed tegen de dorst en de droge lippen - houdt haar enige tijd bezig. Niet alleen de bovenbenen van Naomi spelen op. Zij krijgt ook last van zadelpijn en moet steeds vaker uit het zadel.
Het bord Weert komt voor haar als een verlichting. Bij de VVV informeer ik naar slaapplaatsen. Omdat wij richting Stramproij willen, worden wij verwezen naar een minipension even ten zuiden van Weert. Onze komst wordt door de VVV aangekondigd.
Om half drie arriveren wij bij de familie Van der Palen. Mevrouw Van der Palen is in de tuin aan het werk. De eigenaresse stelt Naomi meteen op haar gemak.
Nadat wij ons in onze kamer hebben geïnstalleerd, haal ik Naomi over opnieuw op de fiets te klauteren. We moeten immers nog naar huis bellen. Vlakbij ligt Tungelroij en daar moet vast wel een telefoon te vinden zijn. Er is echter niets te vinden wat er op lijkt. Dan maar door naar Stramproij.Naomi heeft weer praatjes. Zij start een wielerwedstrijd en wint met glans. Bij het postkantoor kunnen wij bellen. Tineke heeft de kaart van Nederland voor haar neus liggen en is verbaasd dat wij al zover zijn gefietst.
Terug op onze kamer kijken we nog even televisie. Zo blijven we op de hoogte van de ontwikkelingen van Wimbledon, de Tour de France en met een scheef oog kijken we ook nog even naar de voetbalwedstrijd Engeland-Duitsland.


Het ontbijt staat voor acht uur gepland. Wij zitten echter al een kwartier eerder aan tafel. Het is nu nog droog. Er is slecht weer op komst. Niet alleen de wind is aangewakkerd, maar er is bovendien regen en onweer voorspeld. Donder en bliksem komt vaak pas later op de dag. Geen prettig vooruitzicht om dan nog op de fiets te zitten en als we vroeg vertrekken hebben we misschien geluk.
Even overleggen. Gaan we door Limburg, of steken we af door België. Dan is er misschien ook een paspoort nodig en daar beschikt Naomi niet over. Zij staat in het document van Tineke bijgeschreven en dat heb ik - op aandringen van haar - bij me gestoken. Indien we in Nederland blijven, dan maken we volgens mij meer kilometers. Ik zeg er echter niet bij, dat wij binnendoor wel eens te maken kunnen krijgen met glooiend terrein.Naomi kiest voor het kortste traject. Om half negen stappen we op de fiets. ‘Komen jullie nog eens langs’, vraagt mevrouw Van der Palen. ‘Bel wel even van te voren, want in het seizoen zitten we vaak vol, zegt zij nog voordat zij ons uitzwaait.

Naomi klaagt al snel over zadelpijn. ’Ik zal maar aan ijsjes denken', weet zij meteen de remedie. De rest van de dag hoor ik haar niet meer over pijntjes. Zij houdt zich flink.
Ik maak met haar een dolletje. ‘Als we bij de grens komen, dan moet ik je daarover smokkelen. Want jij hebt geen paspoort en dan mag je er niet over. Weet je wat ik prop je wel in een fietstas en rijd vervolgens met jouw fiets aan de hand over de grens. Als we aan de andere kant zijn, dan mag je er weer uit.’ De grens met bereiken we binnen twintig minuten. Een bord België. Meer is er niet. Het gebouw waarin douaneambtenaren jaren hebben gezeten staat er nog wel, maar wordt niet meer bemand. Naomi is teleurgesteld. Zij had toch totaal iets anders verwacht.
In België pakken zich donkere wolken boven ons hoofd samen. We trekken snel regenkleding aan. We hebben geluk. Onder de bomen fietsend, voelen wij slechts enkele spatjes.

Ter hoogte van Neeroeteren - na ongeveer anderhalf uur - stoppen wij net na de brug over het Albertkanaal. Naomi gaat op zoek naar de naam van het kanaal, maar nergens is een bordje te vinden. De kaart geeft uitsluitsel.
Het wordt hierna langzaam lastiger. We komen de eerste heuvels tegen en moeten meer klimmen dan dalen. Ondanks dat Naomi vermoeid raakt, houdt zij zich kranig. Ik geef haar regelmatig een zetje en duw haar regelmatig.
Het is inmiddels droog geworden. Het is nog wel bewolkt en ieder moment kan het weer gaan regenen. We nemen ruimschoots de tijd om van de omgeving te genieten. Regelmatig zien we een hertenkamp. Een eekhoorn speelt in de top van een boom. Diverse aangereden katten - liggen langs de kant van de weg.
Op het grondgebied van Genk maken wij langs de kant van de weg de tweede stop van die dag. We hebben het ergste kennelijk gehad. De weg leidt zelden omhoog. Via Zutendaal gaat het naar Lanaken. De zon priemt zo nu en dan door de regenwolken. Slechts zelden valt er nog een spat. Vlak voor Lanaken hebben we een prachtige afdaling en zijn dan in no-time bij de grens. ‘Moet ik weer in de fietstas’, grapt Naomi. Ook deze grensovergang wordt niet bewaakt, zodat de reispapieren ongebruikt in de stuurtas kunnen blijven zitten.
Maastricht is nu niet ver meer. Daar willen we overnachten. In de jeugdherberg of opnieuw bij particulieren. Op een informatiebord langs de weg kan ik de jeugdherberg niet terugvinden. Ook de VVV staat - vreemd genoeg - niet aangegeven. Een Limburgse legt ons geduldig uit, waar wij de VVV kunnen vinden. Naomi blijft bij het bureau van de VVV buiten wachten, terwijl ik voor slaapgelegenheid zorg.
‘Je treft het niet’, zegt de dame aan de balie. ‘De jeugdherberg is helemaal vol. Er wordt een korenfestival in de stad gehouden en talloze mensen zijn daarom in de jeugdherberg neergestreken.’
‘Dan maar in een pension’, zeg ik.
Drie telefoontjes zijn nodig om een slaapplaats voor twee nachten te vinden. Het pension van de familie Melman, waar wij terechtkunnen, ligt aan de zuidoostkant van de stad. Lekker gemakkelijk voor de laatste etappe naar Schin op Geul. En dan zien we Tineke en Raema gelukkig ook weer.

9 september 2007

Nachtvissen

'De brasems zijn het water niet uit geweest'

De heerlijke zomer met zijn lange dagen is in volle gang. Tijd om de dingen te ondernemen die we graag doen. In deze serie gaat een redacteur op zoek naar mensen met zomers getinte hobby's. Ditmaal gaat het over nachtvissen in de Vaartplas bij Almere.

Voor- en tegenstanders van de hengelsport zullen het nooit met elkaar eens worden. Heeft een vis wel of geen gevoel? Die vraag kan en zal ik niet beantwoorden. Ik zal er ook geen moeite voor doen. Daar is deze serie niet voor bedoeld. Het gaat hier louter om het plezier dat twee mensen aan hun hobby (nacht)vissen beleven. En ach, weinig, of geen vangst, daar malen vader en zoon Henk en Jan Albers duidelijk niet om.


De voorbereidingen beginnen op woensdagavond. Bij een dierenspeciaalzaak is een grote hoeveelheid voer ingekocht en van een boer in de polder is een zak met twintig kilo maiskorrels betrokken. Er zal van vrijdag op zaterdag vooral op karper worden gevist. De Vaartplas, gelegen langs de Lage Vaart, staat erom bekend dat daar veel karper zit, maar er is ook brasem en natuurlijk zwemmen er nog andere vissen.
,,Een karper houdt van zoetigheid'', vertelt Jan Albers. De Almeerder probeert deze vissoort met tijgernoten te verschalken. De gestreepte noten worden de avond voor het vissen met een kilo suiker gezoet. De helft van de maiskorrels wordt geweld, de rest is voor een volgende gelegenheid. Verder heeft hij nog zogenaamde boilies, die in samenstelling kunnen verschillen, ingeslagen bij een dierenspeciaalzaak in Almere waar ook visserijbenodigdheden te koop zijn.
Zijn vader gaat vooral met macaroni aan de slag. ,,Daar is de brasem gek op. Het is wel zacht, dus je moet erop bedacht zijn dat je het sneller verliest'', vertelt de Blaricummer, die met regelmaat macaroni aan zijn snoer rijgt.

De twee mannen gaan 's middags al naar de plas op zoek naar een goede stek. Zij installeren zich aan de rand van het water op een grasveld, dat op mooie dagen ook grote aantrekkingskracht heeft op zonaanbidders. Als ik twee uur later arriveer staan er drie tentjes, die door vissers een bivvy worden genoemd. Anderen gebruiken ook wel een paraplu waaraan een zogenoemde overwrap wordt bevestigd, waardoor toch een soort tent ontstaat.
Bij vissers bestaat veel onduidelijkheid over het gebruik van deze tenten, al dan niet met grondzeil uitgevoerd. Zij denken ten onrechte dat het bezit van een visvergunning het recht geeft een tent op te zetten en dat ze die dan ook meteen 's nachts mogen laten staan.
,,Ik heb zelf ook wel eens een bekeuring gehad vanwege illegaal kamperen'', vertelt Jan Albers. ,,Belachelijk, iets verderop zat een agent te vissen, die net als ik een bivvy had. Hij kreeg geen bekeuring. Absolute willekeur. Ik heb overigens wel gewoon betaald.''
Plaatselijk worden overigens wel ontheffingen verleend op het overnachten in de open lucht. Meestal gebeurt dat op aanvraag, in verband met meerdaagse viswedstrijden.

De eerste vissen zijn al gevangen als ik arriveer. ,,Maar ze zijn het water niet uitgeweest'', zegt Henk Albers. Driemaal heeft hij beet gehad. In alle gevallen ging het om brasem. In het water worden de vissen al van de haak gehaald waarna ze hun vrijheid terugkrijgen. ,,Nee, ze gaan ook niet in een leefnet. Brasems geven veel slijm af en dat moet je dan allemaal weer schoon maken. Bovendien nemen we de vis toch niet mee naar huis'', vult de zoon aan.

De twee mannen nestelen zich ieder voor de eigen tent, een meter of dertig uit elkaar, in een speciale visstoel met in een armleuning een uitsparing voor een (water)fles of beker. Ik heb geen stoel meegenomen en kruip op een luchtbed met het laatste boek van Wilbur Smith.
,,Het gaat me vooral om de rust'', vertelt Henk Albers. ,,Soms gooi ik mijn hengel uit, zonder dat er aas aan zit.''

Die rust aan de Vaartplas is maar betrekkelijk. Op korte afstand ligt de A6 en het verkeer raast de hele nacht door. ,,Daar wen je wel aan. Aan het eind van de nacht hoor je dat niet meer'', aldus senior. Tussen de snelweg en de plas ligt bovendien ook nog de Trekweg en wat het verkeer midden in de nacht op deze weg te zoeken heeft, is en blijft voor mij een raadsel. Verder komen er talloze vliegtuigen over, soms op weg naar of net afkomstig van Schiphol, maar hoog in de lucht zijn er ook talloze toestellen op weg naar Verweggistan.
Tenslotte verschijnen er ook nog twee bootjes. De een arriveert heel bescheiden, een Friese vlag achterop. Het jacht tuft rustig naar de wal om bij de boothelling een plaatsje te zoeken voor de nacht. Op de ander zit duidelijk ander volk. Die boot komt in de schemering met veel geronk aan. ,,Hebben jullie nog bier over, wij zijn er bijna doorheen'', galmt het over het water vanaf de boot. Snerpende en gillende meidenstemmen, lallende jongens. Zij leggen vlak bij het jachtje aan. 'Die Friezen zullen hier blij mee zijn', denk ik hardop. Niet veel later laaien de vlammen van een kampvuur hoog op. Het lawaai neemt even af, maar tot een uur of drie, wanneer de herrieschoppers vertrekken, blijven zij druk.

Rond middennacht heeft vader Albers weer beet, een kleine karper. ,,Daar moet je snel bij zijn, want een karper neemt zomaar vijftig meter lijn mee'', weet junior. Drie kwartier later gaat eindelijk ook de beetverklikker van zoonlief af. Hij heeft zijn eerste brasem aan de haak geslagen.
Die beetverklikkers doen min of meer dienst als dobber, want tenzij je lichtgevende staafjes op je dobber hebt, zie je natuurlijk 's nachts niet dat een dobber naar beneden wordt getrokken door een vis. Henk Albers heeft last van lawaaidoofheid en heeft daarom bovendien de beschikking over een speciaal versterkertje, waardoor hij wordt gewaarschuwd. De twee mannen hebben ieder twee hengels, het maximaal toegestane, uitgeworpen. Iedere hengel geeft zijn eigen signaal af, zodat de vissers ook precies weten met welke hengel zij beet hebben.

Ondanks dat de maan niet aan de hemel te zien is, wordt het die nacht niet echt pikdonker. Vermoedelijk is de aanwezigheid van het kassengebied aan de andere kant van Almere Buiten hiervan de oorzaak. Wel zijn er aan de hemel talloze sterren waarneembaar en ik herken enkele sterrenbeelden.
In de loop van de nacht neemt de bewolking toe en omstreeks drie uur begint het te regenen. Henk Albers zet zijn wagen meteen weg, van het veld naar de straat. ,,Mocht het blijven regenen, dan kom ik niet vast te zitten'', legt hij uit. Want drassig is het veld wel.



Iets verderop langs de plas zitten nog een paar mannen te vissen. Voor hen is de regen het sein op te breken. Niet veel later rijden zij langs. Bijna gelijkertijd beginnen de verklikkers van beide hengels van de Blaricummer te loeien. Aan de linker lijn zit niets. Aan de rechter zit een brasem. ,,Vermoedelijk heeft die de andere lijn meegenomen.''
De vis wordt bevrijd en de hengel wordt weer klaar gemaakt voor gebruik. Nog voordat ook de linker hengel is gezekerd, begint de rechter verklikker weer te piepen. Opnieuw een brasem. ,,Vast dezelfde'', geef ik aan. Hoopvol wacht ik op het volgende signaal, maar die komt niet. De vissen bijten niet. Aan de overkant van de plas verschijnen enkele vroege vogels, die gooien hun hengel daar uit.
Om ongeveer half zeven breek ik op.
De vissers volgen een paar uur later.

Dit verhaal heb ik in 2007 geschrevenvoor de zomerserie Zomerse hobby's van De Gooi en Eemlander.
De foto's zijn van Studio Kastermans

4 september 2007

Vlieland

Vlieland?
Ja inderdaad een stuk gewijd aan Vlieland.






Ik was al heel jong toen de heldenverhalen uit Griekenland las. En vanaf dat moment heb ik altijd gedroomd van een reisje naar Griekenland en zijn Olympische Spelen. Dus ook Olympia, het dorp is trouwens niet gespaard tijdens de brand van deze zomer, het stadion wel. Een bezoek aan Sparta, Athene, de eilanden.





Maar Vlieland dan? Waarom een stuk over Vlieland?
Eigenlijk heb ik daar ook niet zoveel mee. Met de meeste waddeneilanden niet. Ja, Rottummerplaat en Texel, daar zou ik wel eens heen willen. En verder houdt het ook wel op. En op die twee genoemde eilanden ben ik trouwens nooit geweest.



Wel op Vlieland. Daarom dus.
Een paar keer ben ik er zelfs geweest; een dagje, een week. Nooit meerdere weken. Ik was altijd weer blij dat ik van het eiland af kon. De vrijheid tegemoet. Alleen moest ik dan wel varen. Een groot deel over de Waddenzee en een klein stukje Noordzee, omdat alleen op die manier de boot de haven in kon. En altijd stapte ik grauw van die boot af. Aan dat schommelen wen ik maar niet.

Voor mij is Vlieland bezoeken nog net geen straf. Voor Tineke is het echter een uitje.
Alleen, met de kinderen, of met Ali Zunnenberg.
Wim en Ali hebben jarenlang op camping Stortemelk een tenthuisje. Dat moet ieder voorjaar weer worden opgezet en in het najaar worden afgebroken. De inventaris wordt in de winter in kisten opgeslagen.
Wietze de Boer zorgt steevast dat de spullen op de juiste plek worden gebracht. Hij komt met paard en wagen langs en brengt ook tassen, koffers, tenten en andere spullen van vakantiegangers van en naar de haven.

De tent van Wim en Ali is eigenlijk heel luxueus, heeft een keukentje, een kacheltje voor de koude avonden en er staat een heus bed in.
Met dat op- en afbreken houdt Alie zich meestal bezig en Tineke helpt regelmatig een handje.

Camping Stortemelk is een van de twee kampeerterreinen op Vlieland. Het andere is Lange Paal, een natuurkampeerterrein.
Stortemelk is in een paar delen opgesplitst. Voor gezinnen, voor jongeren en de tenthuisjes, die er het gehele seizoen staan. Die tenthuisjes, met hun natuurlijke huisjesvorm, hebben tegenwoordig bijna allemaal plaats moeten maken voor de stevige De Waard tenten.
De camping heeft een eigen winkel, waar bijna alles te koop is. Goedkoop is echter toch iets anders. Dan kun je beter naar het dorp gaan, lopen met de bolderwagen mee of op de fiets.

Vlieland betekent voor mij wandelen en fietsen. Wandelen in de duinen en naar het Noordzeestrand. De waddenkant vind ik minder interessant, hoewel er mensen zijn die daar anders over denken. Bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van de grote verscheidenheid aan leven die er achter blijft als de zee zicht terugtrekt. Zo is Raema altijd op zoek naar zeehondjes, anderen speuren naar kokkels, zeepaardjes. Ach noem maar op.
De fietstochten gaan over het algemeen altijd naar ’t Posthuys. En afhankelijk van de wind gaat de heenweg door de duinen en de terugweg over de verharde weg, of omgekeerd.
Een enkele keer wordt die route met de benenwagen afgelegd door de duinen, een stevige tippel. De terugweg gaat dan met de bus.

Uiteraard hoort een bezoekje aan de Eendenvijver erbij en aan het Tromphuis, het museum van Vlieland. Ik kan me een expositie voor de geest halen van allemaal schoenen. Gevonden op het strand. Achtergelaten door strandbezoekers? Of daar door de zee achtergelaten.

Met Naomi ga ik eenmaal naar het zwembad Flidunen. Ze heeft het bad voor zichzelf. Baantjes trekken, omdat ze niet veel later moet afzwemmen.
Maar goed ik zal het kort houden.
Vlieland is inderdaad niet mijn eiland.
Heeft het nog iets aantrekkelijks?
Jazeker, potjeskoek.
En de boot terug naar Harlingen.

31 augustus 2007

De Stoel

Ineens ligt-ie er.
Onder aan het talud, bij het Stichtsepad.
Op zijn kop. Zijn bruine kontje steekt omhoog.
Verlaten!
Verloren?
Vergeten?
Op weg naar?

Een dag later staat-ie er.
Onder aan het talud, bij het Stichtsepad.
Op zijn vier pootjes.
Nog steeds verlaten.
Maar niet meer triest.
Fier.
Trots.
Te wachten op?















Twee dagen later staat-ie er nog steeds.
Onder aan het talud, bij het Stichtsepad.
Niet meer verlaten.
Twee ontbijtbordjes in zijn schoot.
Opnieuw wachtend op?









Een week later staat-ie er nog steeds.
Onder aan het talud, bij het Stichtsepad.
De bordjes zijn weg.
In je schoot ligt een leeg pakje Marlboro.
Te wachten op?

De grasmaaier komt langs.
Voorzichtig wordt-ie opgepakt.
Je rustplaats is nu een metertje verder.
Onder aan het talud, bij het Stichtsepad.
Het lege pakje ligt in het natte ochtendgras.
Te wachten op?

Op een avond ben je ineens weg.
Geen rustplek meer voor een vermoeide reiziger.
Onder aan het talud, bij het Stichtsepad is het leeg.
Ik mis je.