27 april 2016

Circus

Woensdag 21 april 2016

Opa IJsbeer heeft mij vanmiddag uit school, in de Stripheldenbuurt, opgehaald en met hem ben ik eerst naar de Faunabuurt gefietst.
Ik zit dan bij hem voorop de stang , zeg maar eerste rang. En onderweg staat zijn mond niet stil. Dan vertelt hij over allerlei dingen die ik onderweg zie. Hij vertelt over de bloesem die nu bijna weg is en ik vertel dan over de mooie groene blaadjes die tevoorschijn komen. Onderweg kijk ik altijd uit naar de reiger, maar ook vandaag is hij er niet. Wel diverse zwanen en een tweetal zwanennesten. Die zwanen zitten op eieren en daar moeten zwanenkuikentjes uit komen. Dat kan mij niet snel genoeg gaan.
Onderweg plaag ik opa een beetje. Als hij zegt dat we naar links gaan en vraagt wat mijn linker hand is, steek ik mijn rechterhand uit. En dan zegt opa dat ik een oenemeloen ben. En dan zeg ik: ,,dat ben ik niet, je bent zelf een oenemeloen.’’
Bij het huis van opa en Mamoe lunchen we en Opa IJsbeer geeft mij twee van zijn beruchte toverbroodjes. De eerste met hagelslag en vlokken en de andere met pindakaas en pasta. En alle twee gaan ze schoon op. Ja dat heb ik er graag voor over, want dan is die oude man tenminste ook weer tevreden.
Ik heb opa daarna even aan het werk gezet, boven. Terwijl hij zich op de was stort, dat geeft me wel een klap, kan ik een uurtje met de Lego-treinen spelen. Met autootjes spelen is leuk, maar bij de treinen kan ik toch ook veel van mijn fantasie kwijt.
En dan is het tijd om weer op de fiets te stappen, eerst langs een derde zwanennest. Een van de zwanen dreigt het water over te steken, omdat hij bang is dat wij te dichtbij komen; hij jaagt ons daarom weg en om hem niet boos te maken zijn we snel verder gefietst, naar de Evenaar.
Daar is een circus. Twee weken geleden ben ik al naar de kermis geweest en nu ga ik voor het eerst naar een echt circus. Nou ja echt…
Op televisie zie ik wel eens een circus en daar hebben ze dan altijd een olifant, Dombo. En hier is geen olifant, dus zeg nu eens zelf… Een circus zonder dieren is toch geen circus en een olifant hoort daar gewoon bij. Gelukkig zijn er wel andere dieren, zoals paarden en pony’s en geiten en nog veel meer. En daar mag ik dus zomaar gaan kijken, terwijl ze worden verzorgd.
Samen met heel veel kinderen, opa’s, oma’s, mama’s en papa’s mag ik naar binnen. We zitten helemaal vooraan zodat ik alles goed kan zien. En dan in een keer begint het circus te leven, het doek gaat open en de spreekstalmeester, wat een lang woord, verwelkomt ons allemaal. Hij is zo blij dat er zoveel kinderen naar zijn circus zijn gekomen en hij belooft ons een te gekke middag. En dat wordt het ook.
Het  begint al meteen flitsend met een tweetal paarden, dezelfde paarden stonden neg nog sloom in hun box. Inderdaad een box; niet alleen baby’s, zoals mijn broertje Daeley, zitten of liggen in de box ook paarden. Nu rennen ze echter vurig door de piste. Als een dirigent staat een circusmijnheer in het midden en de paarden doen precies wat hij zegt. Vlak voor mijn neus draaien ze om en rennen de andere kant op. Of draaien een rondje. Zo hard. Mama houdt ook wel van paarden en kan ook paardrijden, maar of ze ook zo hard kan rijden? Ik denk het wel, maar opa niet. Die kan dat niet. Zou ook een gek gezicht zijn een IJsbeer op de rug van een paard.
Een mevrouw kan heel goed hoelahoepen, dat is spelen met hoepels, die rond draaien om haar benen armen, lichaam van boven naar beneden en weer terug.
En er komt een clown, Robbie. Die wordt steeds geplaagd door een andere clown en dat vind ik zielig. Opa niet, die moet daar hard om lachen. Nou opa moet maar eens met een krant op zijn hoofd worden geslagen of een stuk elastiek tegen zijn bips krijgen. Dan lacht-ie niet meer.
De vrouw van de hoepels laat de duiven door de tent vliegen. Een van de duiven heeft vandaag niet veel zin en doet wat ze zelf wil. ,,Misschien is ze wel verwend’’, zegt opa. Zelf denk ik dat die duif niet goed uitgeslapen is en daarom een been chagrijnig is. Dieren zijn immers net als mensen.
Daarna komen er nog veel meer dieren, geiten, ganzen, pony’s, honden. Een mijnheer kan heel goed gooien met ballen, wel vier ballen tegelijk gooit hij omhoog. En vangen kan hij ook heel goed, want hij laat er geen een vallen. Als hij niet meer in het circus wil werken kan hij altijd nog keeper worden bij het Nederlands elftal zegt opa. Nou ik vind dat hij dan maar naar Ajax moet gaan.
O ja, er is ook nog een pauze. Veel mensen gaan naar buiten, drinken iets terwijl de piste wordt opgebouwd voor een nieuwe show met dieren. Grote mensen gaan ook roken. Nou dat vind ik vies. ,,Dat moeten jullie gewoon niet meer doen. Het is ook niet gezond.’’ Opa is al jaren geleden gestopt met roken en die moet soms nog steeds hoesten, een rokershoestje.
Na de pauze komen er veel spannende dingen. Eng vind ik het dat een meneer met messen gaat gooien naar een mevrouw. Gelukkig kan hij niet zo heel goed gooien, want alles gaat mis en er hoeft geen dokter te komen om pleisters te plakken op die mevrouw. Een papa wordt gevraagd om te komen. Hij wordt vastgebonden en dan gaan ze ook op hem staan mikken. Nou, ik griezel er nog steeds een beetje van.
En dan is het afgelopen. De messenwerper spuwt nog een keer met vuur en dan gaat iedereen naar huis. Wij niet. Want ik mag nog een rondje op een pony rijden voordat opa mij naar mijn mama brengt.

Op weg naar huis zie ik nog een reiger staan. Een witte. ‘Dat is geen echte reiger’ vertel ik tegen opa. ,,Want een echte reiger heeft een gele snavel en deze heeft een zwarte.’’

21 maart 2016

Mijn eerste avontuurtje

Donderdag 17 maart 2016

Laat ik me eerst maar even voorstellen: ik ben Daeley, het vierde kleinkind van Mamoe en Opa IJsbeer. Mijn grote broer Yari en mijn neef Gianny en nicht Fayèn zijn mij al voorgegaan, maar vandaag is het mijn grote dag; ik mag op Opa IJsbeer passen. En dan kan iedereen wel denken, nou dat is makkelijk zat, maar heus je mag dat niet onderschatten, het is echt een vermoeiende bezigheid.
Gisteravond ben ik al naar de Faunabuurt afgereisd, samen met mijn mama Raema, die moet morgen al vroeg naar haar werk en daarom slaap ik een nachtje bij opa en oma. En natuurlijk had Opa IJsbeer mij vanmorgen ook naar de crèche kunnen brengen waar ik dan de lieve mevrouwen van de oppas bezig had kunnen houden, maar het is uiteraard veel leuker om je grootouders aan het werk te zetten en die doen dat graag.
Omdat ik op mijn opa moet passen, vind ik het ongepast om in slaap te vallen terwijl hij nog wakker is, daarom weiger ik ook te gaan slapen. Maar als ik dan eindelijk naast Mamoe op de bank lig en ik een extra flesje voeding heb gekregen is er geen houden meer aan. Ook na mijn laatste voeding ben ik snel vertrokken, maar wel in de wetenschap dat Opa IJsbeer evenmin wakker blijft.
Vanmorgen is het dus mijn dag. Mijn opasoppasdag. Niet alleen mijn mama moet vroeg werken, maar ook Mamoe gaat op pad en dan zijn wij met zijn tweeën. Voeding, wassen, aankleden. Allemaal dingen die erbij horen en moeiteloos verlopen. Als we klaar zijn en helemaal aangekleed, gaat de jas en gaan we wandelen. 
Eerst een stukje langs de Lage Vaart, die ligt vlakbij ons huis maar ook bij dat van opa. En daarna gaan we de wijk in naar de apotheek omdat Opa IJsbeer zijn bestelde medicijnen mag halen. Soms vergeet hij wel eens dingen, zo krijgt hij een bepaald middel niet mee omdat hij daar nog voldoende van heeft liggen. Was-ie gewoon vergeten. Niet erg hoor, want hij de apotheek kunnen ze dat allemaal goed zien. Daarna zijn we naar Dirk gewandeld, de buurtsuper. 
Gelukkig heeft opa een briefje meegenomen, anders waren we de helft van de boodschappen vergeten. Onderweg zien we meneer zwaan zitten, op het gras, in het zonnetje, lekker genieten.
Als we terug zijn geef ik aan dat het tijd wordt voor een fruithapje, een combinatie van appel en banaan. En later ga ik nog een keer aan de fles. Met wat hazenslaapjes komen we wel de dag door, ja dat geldt ook voor mij en opa profiteert daarvan, hoewel hij aan het einde van de dag wel zegt dat hij erg moe is.
Ik moet het toegeven; ik zorg dat die man niet indut. Net als mijn drie voorgangers houd ik hem wel bezig zodat hij zich geen moment kan vervelen. Zo heb ik van mijn broer en nicht, met wie ik soms tegelijk bij Mamoe en Opa IJsbeer ben, geleerd dat het veel fijner is om geen sokken aan te hebben. En dus trek ik steeds weer een andere sok uit.
Het is ondertussen bijna lente geworden en het zonnetje schijnt heerlijk. Daar moet je gebruik van maken, zegt Opa IJsbeer en we gaan samen nog een keer naar buiten. Nee niet meer in de wagen, maar gewoon met de benenwagen en ik ben de dirigent, laat me lekker dragen op de arm van mijn grootvader. Aan het eind van de weg gaan we op een bankje zitten. Heerlijk in de zon. Ik kroel in zijn baard. Omdat er toch nog wel wat wind staat, blijven we niet te lang zitten. Aan het eind van de middag komen mijn mama en broer me halen. Yari kan me niet vinden. Opa heeft gezegd dat ik ben gaan wandelen, maar dat gelooft mijn broer niet. Maar boven ben ik ook niet. Pas nadat opa heeft gezegd dat hij eens goed op de bank moet kijken, vindt mijn broer mij. 
Een ding weet ik nu al zeker: Ik wil nog meer avonturen beleven met Opa IJsbeer.

1 maart 2016

Opa- en Omadag

Maandag 29 februari 2016

Sinds januari ga ik naar school. Dat moet omdat ik in januari vier jaar ben geworden. Het voordeel van school is dat je leuke dingen leert, het nadeel dat ik niet iedere maandag mijn lievelingsnichtje Fayèn meer zie. Een ander voordeel van naar school gaan is de vakantie en vandaag is mijn eerste schoolvakantiedag ooit. Deze vakantie noemen ze overal anders en je mag er zelf ook een naam voor bedenken, krokusvakantie vind ik zelf wel een leuke naam. Maar daar heb ik het straks nog wel even over.
Vanmorgen ben ik door papa naar Opa IJsbeer en Mamoe gebracht en de papa van Fayèn heeft haar, samen met Gianny – mijn grote neef – ook in de Faunabuurt afgeleverd. Opa en oma gaan vandaag met ons naar Artis. Voor we vertrekken moet wel iedereen een plasje doen, want we zijn allemaal grote kinderen en hoeven geen luier meer om.
En daarna wandelen we naar de bus, die ons naar het treinstation brengt. Een ritje met de trein is iedere keer weer een hele belevenis, ook omdat er buiten zoveel valt te zien, In Almere en ook daarbuiten. We zien een brug in aanbouw en Mamoe vertelt dat die brug later dit jaar op een andere plaats wordt neergezet, en we zien een molen en schaapjes. Eigenlijk te veel om op te noemen.
Voor we het weten zijn we in Amsterdam. Gianny weet de weg naar de tram, die ons naar Artis brengt. Bij Artis is het hartstikke druk. Wij hoeven gelukkig niet in de langste rij te staan, want we hebben allemaal een abonnement en hoeven dus geen kaartje meer te kopen.
In de dierentuin krijgen we eerst van opa een crunchy en daarna wandelen we langs de kamelen. Opa vertelt tegen Fayèn dat een kameel twee bulten heeft. Nou dat kan ik zo ook wel zien. En dat je tussen die bulten kunt zitten. Dat lijkt mij wel een beetje eng. ‘Als een kameel een bult heeft is het geen kameel maar een dromedaris’, zegt opa. ‘Droom daar s lekker van.’
Mamoe brengt ons naar het vogelhuis. Bij de ingang staat het beeld van Dikkertje Dap, maar dat weet ik al lang, die heb ik ook de vorige keer al gezien toen ik hier met opa was. Binnen zijn heel veel mooie vogels, zoals de incastern die wel zwemvliezen heeft maar niet goed kan zwemmen.
Aan het plafond hangen vleermuizen, dat zegt opa, maar hij weet er niks van. Het lijkt wel of hij steeds minder weet. Gelukkig weet een oppasser het wel: ‘Dat is een vleerhond.’ Het verschil is dat een vleermuis niet kan zien en vliegt op de tonen die hij uitzendt, terwijl een vleerhond wel kan zien. De vleerhond eet vooral fruit zoals tamarindevruchten, mango’s, vijgen en diverse palmvruchten. De Rodriguez vleerhond vind je bijna niet meer in het wild. Onder andere door stormen en omdat mensen op hen jagen is het aantal – vooral op Mauritius - flink afgenomen. In dierentuinen over de hele wereld proberen ze de vleerhonden kindertjes te laten krijgen, zodat wij ze nog steeds kunnen zien.
Mamoe vindt dat we hierna tegen de klok in moeten lopen, want bijna iedereen volgt dezelfde richting, waardoor je bijna niets ziet. Dat komt dus doordat het druk is in de dierentuin. Veel schole hebben vakantie en als je een keer opa roept, kijken er wel tien om. Wat zeg ik honderd, wel duizend. En als je oma roept wel tweeduizend, want er zijn meer oma’s dan opa’s in de dierentuin.
‘Yari kom, Yari kom’, roept Fayèn een paar keer, en ze neemt me mee langs delen van de dierentuin waar straks het luipaard vrij mag rondlopen. Fayèn heeft nog geen genoeg gekregen van vogels en sleurt me mee naar de kooi van de Incakaketoe. ‘Dat is een papegaai met een kuif en een roze buik. Ja, echt een meisje hoor, dat ze hier naartoe wil, roze. De krokus die ze voor oma heeft geplukt is niet roze, maar paars. ‘Lila’, zegt opa. Maar geloven we hem nog?
Gianny wil graag naar de haaien en daarvoor moeten we naar het aquarium. Voor we naar de vissen gaan kijken krijgen we eerst wat te drinken. En daarna drukken we onze neuzen plat tegen de ramen waarachter de vissen zwemmen. Mamoe loopt met ons mee, terwijl Opa IJsbeer de toegang bewaakt, zodat wij niet stiekem weg kunnen lopen. Nou daar heeft niemand van ons zin in hoor, in weglopen. Ik denk zelf dat opa gewoon een beetje moe is en daarom op het bankje blijft zitten.
We zien hele kleine vissen. Dat mag ik van opa niet zeggen, ik moet zeggen heel klein, want ze zijn niet stuk. Die malle grapjes van hem. Nou er zijn ook hele grote vissen. Zo lekker puh.
Opa vraagt of Gianny een van die vissen over de buik kriebelen. Dat wil hij wel. Nou dat vind ik pas dom, want dat kan toch niet. Er zit glas tussen. Fayèn heeft er net zoals ik geen zin in. Of zou ze het stiekem ook een beetje eng vinden.
Samen gaan we bij de zwangere zeepaardjes kijken. Ik zal het nog een keer vertellen, daarna vergeet je het nooit meer. Bij de zeepaardjes zijn niet de vrouwen zwanger, zoals bij de mensen en de andere zoogdieren, maar de mannen.
Mamoe wil nu graag naar de pinguïns.
We komen langs een klimstenentuin en omdat ik vandaag de leiding heb ga ik met Fayèn en Gianny uitzoeken hoe we daar kunnen komen. Dat is helemaal niet moeilijk hoor, een kwestie van kaartkijken. En als een goede gids neem ik mijn nichtje aan de hand mee.
Bij de pinguïns blijven we niet lang hangen en we lopen langs de rode panda’s en naar de zeeleeuwen. Die kun je ook onder water zien zwemmen en daar krijgen we allemaal een krentenbol en nog een pakje drinken. We hoeven onze jas niet aan te houden en mogen rennen en zien de zeehonden, o ja dat mag ik niet zeggen van Mamoe, leeuwen, op hun rug zwemmen en op hun buik. Ik leer ook al zwemmen trouwens. Maar nog niet zonder zwembandje hoor, maar dat komt nog wel hoor. Gianny heeft al wel zijn zwemdiploma’s en die wil ik ook halen. Fayèn mag vermoedelijk binnenkort ook op zwemles.
In de vlindertuin is het altijd lekker warm en gaan we op zoek naar de pauw, die rondscharrelt. We zien weer heel mooie vlinders en ik schrik van de grote morpho. Die vliegt zelfs tegen mij op. Vind je het gek dat ik daarvan schrik. Ik vind ze wel heel mooi, maar ze zijn altijd heel moeilijk te fotograferen. Zeker niet met open vleugels.
Mamoe wil nu naar de waterval en dan weten we het wel, dan mogen we nog even in de speeltuin spelen. Van de glijbaan af en rennen. Gianny mag klimmen in de touwbanen en van de grote glijbanen af. Mamoe gaat mee de speeltuin en open blijft iedereen vanaf een brug in de gaten houden. Als wij weggaan, weet hij ook precies waar Gianny is en die komt er meteen aan, als opa naar hem wenkt. We blijven niet zo heel lang in de speeltuin en gaan bij de giraffen kijken. Die lopen niet in hun grote kooi, maar in hun oude ruimte. En daar kun je ook de kleine giraffen goed zien. De mannetjes kunnen wel vijf meter lang worden. Vind je het gek dat Dikkertje Dap een trap nodig heeft om bij de kop te komen.
Mamoe neemt ons nog mee naar de kleine zoogdieren en vindt het dan tijd worden om naar huis te gaan. Ze koopt voor ns alle drie nog een knuffel en daarna gaan we naar huis. Eerst met de tram en daarna met de trein. Voor we vertrekken mag Gianny nog even bij de treinmachinist kijken. Als ik groot ben, mag ik dat ook. Denk ik.
Ik mag van de conducteur mijn eigen railrunner testen, of hij het doet. Fayèn heeft nog geen railrunner. die moet je wel hebben als je vier bent en dat is zij nog niet. Van de conducteur krijgt zij haar eigen kaartje. Opa bewaart die goed voor haar.
Fayèn en ik gaan met onze panda en tijger spelen en voor we het weten zijn we weer thuis. Nou ja in het huis van Opa IJsbeer en Mamoe. Mamoe stuurt opa naar bed en ik wacht tot Fayèn en Gianny door hun papa zijn opgehaald. Mijn papa Daniël komt mij ophalen en neemt mij weer mee naar huis en samen gaan we mijn broertje Daeley ophalen. En zo komt er een einde aan leuke Opa- en Omadag.



24 november 2015

Prinsesje en de knipoog

Maandag 23 november 2015

Verwacht van mij geen nieuw sprookje, want daar ben ik veel te nuchter voor. Voor sprookjes vertellen. En ze bedenken? Dat laat ik liever aan anderen over. Net zoals avonturen beleven. Dat overkomt anderen altijd. Maar mij? Welnee. Ik heb maar een saai leven. Of toch…
 Mamoe moet vanmorgen werken en oppassen is wel heel vermoeiend voor Opa IJsbeer. De gehele dag binnen zitten en mij in de gaten houden, daar wordt hij heel lui van en dan valt hij aan het eind van de ochtend in slaap. Maar als hij met mij op pad gaat, dan is hij niet bij te houden. Niet tegen te houden, dan gaat hij maar door. Als ik niet zo nu en dan nee tegen hem zeg, nou dan liepen we nu nog. In Artis. Want daarheen heeft Opa IJsbeer mij meegenomen. Eerst met de bus en toen met de trein en nog een keer met de tram.
Maar het begint allemaal met papa, die mij in de blauwe auto bij opa brengt. In de kleine blauwe auto. En als opa klaar is met zijn klusjes gaan we met de bus naar Almere Stad. In de bus wordt de buspas van opa gecontroleerd door een collega van papa. En dat duurt en duurt maar. En er wordt nog een keer gekeken. En bijna zeg ik tegen die controlemeneer dat ik het apparaat in de bus echt heb horen piepen en dat mijn opa echt wel heeft ingecheckt. Maar toen is alles toch nog in orde en gaat de bus weer rijden.
 Op het station stappen we in een extra trein, een intercity, zo’n snelle trein die nergens stopt. Alleen in Amsterdam. Deze trein komt uit Duitsland vertelt opa. Het is een heel lange trein, met alleen aan de voorkant een locomotief en er zijn veel bladen om in te bladeren. En die zijn allemaal in het Duits. Ja, dat heb ik natuurlijk nog niet geleerd, Duits bedoel ik. Ik ben ook pas drie.
 Op het centraal station heeft opa nog snel wat krentenbollen voor ons gekocht. Nou ja snel. Bij de HEMA hebben ze wel allerlei andere broodjes en bij de AH zijn er nog maar twee. Toen heeft een vriendelijke vrouw er nog een aantal gebakken en hebben we voldoende broodjes, zodat ook mamoe nog een broodje heeft.
Mamoe een broodje? Maar die is er toch niet bij? Nee, maar dat komt nog. Dat weet ik op dat moment ook nog niet, dus niet zo ongeduldig doen, eerst nog de tram.
De tram staat er al en opa ziet een bank achterin waar we samen kunnen zitten. Nadat de tram twee keer is gestopt, komen er heel veel kinderen in de tram. Zo veel dat iedereen moet gaan staan. Nee, niet de mensen die al zitten, die mogen blijven zitten. Maar de rest, die naar binnen is gekomen, die moet allemaal staan. Nou en toen is het zo druk, dat we pardoes de halte van Artis voorbij rijden. We zijn toen een klein stukje terug gewandeld naar de ingang en daar heeft Opa IJsbeer voor mij een eigen Artiskaart gekocht. Ik ben al drie, dat heb ik je net verteld, en dan moet je betalen om in de dierentuin te mogen. Omdat ik nu een eigen kaart heb, een abonnement, mag ik er altijd in. Nou ja altijd, als de dierentuin open is. Wat ben ik trots. En ik mag mijn eigen kaart aan de mevrouw laten zien en die heeft meteen gekeken of de kaart wel goed is. 
En dan wordt het tijd voor een rondje dierentuin. Ik kan er niet omheen, of beter gezegd, we wandelen er uiteindelijk wel omheen, om de kamelen, die samen met het watoessirund op het kamelenveld staan. Die koeien hebben wel heel grote horens. Dat heb ik door de verrekijker nog eens van dichtbij kunnen zien. Jammer dat die kijker zo hoog staat, waardoor opa mij moet optillen. Dat kan hij een tijdje volhouden, maar niet te lang.
 In het vogelhuis heb ik geen trek, maar wel in een broodje krokodil. Het is een onechte gaviaal, volgens opa dan. De ene is heel lui en komt niet van zijn plek en de andere glijdt door het water en blijft daarna ook stil liggen.
Aan de andere kant van de gang heb je het hok van de komodovaraan, een hagedissoort. Hij knipoogt naar mij, maar dat wil ik niet. Ik vertrouw hem niet met zijn lange nagels. Ik heb gehoord dat hij tijdens zijn maaltijd bijna zijn gehele gewicht kan opeten. En ik heb geen zin om zijn volgende lekkere hapje te zijn.
 We wandelen weer naar buiten, langs nog meer hokken en beelden. Want Opa IJsbeer kan het niet laten om ook daar foto’s van te maken. En natuurlijk van de leeuwen. Dat zijn heel sterke dieren. En die haren van de mannetjesleeuw noemen ze manen. Nee geen maanen, dat is wat anders. En weet je wat ik bij die leeuwen ontdek, waarom veel mensen met een poes in huis een krabpaal hebben staan? Dat hebben ze afgekeken van Artis, want die hebben er een voor meneer leeuw neergezet, zodat hij zijn nagels kan slijpen. Wij hoeven dat niet, wij kunnen daarvoor een schaar gebruiken, of onze tanden. Vraag maar aan Opa IJsbeer. 
In de verte hoor ik de Afrikaanse wilde honden blaffen. Die hebben net een stuk vlees gekregen en staan dat te verscheuren. De olifanten zijn binnen. Het zand van het hok wordt verschoond en ze krijgen ook nieuw zand. Dat duurt even en al die tijd moeten ze binnenblijven en kunnen we ze niet zien. Jammer. Maar dan staat ineens Mamoe er. Dat is ook voor mij een verrassing. En Mamoe neemt meteen de regie over en we vertrekken naar de kleine zoogdieren. 
Knipogen naar de dwergoeistiti wil ik wel, maar deze kleinste apensoort is zo druk met eten dat de apen mij niet zien staan. Jammer voor hen, want toevallig ben ik wel het leukste prinsesje van de hele wereld en ken ik heel veel dansjes en liedjes.
 Via de beverrat, die worteltjes lust en misschien ook wel worteltjestaart, en de stokstaartjes komen we bij de giraffe en de zebra. 
Mamoe vindt het nu eindelijk ook tijd worden voor de Californische zeeleeuw. Wat kunnen die goed zwemmen zeg. Op hun buik en op hun rug. Veel beter dan Gianny, mijn grote broer. En ook veel beter dan opa. Dat is niet zo moeilijk hoor, want die heeft geen zwemdiploma. Heeft hij niet nodig zegt hij. Nou ik wil wel een diploma, zodat ik net zo goed kan zwemmen als de dolfijnen. Niet dat die hier zijn, daarvoor moet ik een keer met opa naar Harderwijk. Of met mama en papa. Maar met Opa IJsbeer is ook wel leuk. Het is nu tijd voor de lunch. We hebben de krentenbollen niet voor niets gekocht. En opa heeft ook nog een extra pakje drinken in zijn rugtas gestopt voor mij. 
En dan krijgt opa ineens vlinders in zijn buik; zijn wij, mamoe en ik, hem kwijt. Maar gelukkig duurt dat maar even en blijkt Opa IJsbeer gewoon op jacht te zijn. Hij jaagt op de morpho, dat is een mooie vlinder met blauw als hij aan het vlinderen is. De vleugeltjes gaan echter zo snel dat het opa niet lukt hem vliegend op de foto te krijgen. Wel rustig op een schoteltje. En we zien ook andere vlindersoorten, zoals de passiebloemvlinder en de uilvlinder. Maar mijn broer weet daar veel meer van te vertellen dan ik, want hij is hier al heel vaak geweest met Mamoe en heeft ze allemaal al aangestreept of is het afgestreept.
 Met Mamoe wandel ik over het spookpaadje van het verdwaalbos naar de gorilla’s. Die zijn bijna net zo sterk als de leeuw. 
We gaan nu nog even naar de zwartvoetpinguïns, de lievelingsdieren van mamoe. Zij vindt dat zij zo leuk waggelen en ik probeer ze na te doen. Deze pinguïns leven nu in Artis. Maar ook in Zuid-Afrika. Ze houden niet van ijs, hoewel je dat misschien wel zou denken. Ze kunnen ook niet vliegen, maar wel zwemmen, ook onder water, dan maken ze een vliegbeweging en kunnen wel dertig kilometer per uur zwemmen. Dat is hard hoor.
 Opa IJsbeer wil nog even naar het aquarium. Daar drukt hij zijn neus tegen de ramen bij het gestreepte zeepaardje. Die vindt hij zo neutig. Dat woord heeft hij onlangs geleerd en is Huizers voor leuk. Nou ik vind ze ook wel neutig. Tante Raema heeft trouwens liever een gewoon paard, in de gang staan. Maar ik denk niet dat oom Daniël dat leuk zal vinden. 
Ik wil naar de haaien. Dat heb ik van mijn neefje Yari geleerd, toen we hier samen zijn geweest. Maar eerst zie ik nog heel grote vissen. Ze hebben in het aquarium verschillende soorten haaien zoals de kleine verpleegsterhaai. die overdag slaapt. En de luipaardhaai, die maar heen en weer zwemt en wel twee meter lang kan worden. Ik zie ook nog een stierkophaai. Die wordt niet zo groot hoor, tussen de een en anderhalve meter. Hij is bijna niet bij mij weg te slaan. En maar knipogen. Ook al. Hem durf ik wel te haaien. Maar dat gaat niet want er zit glas tussen ons. Jammer hè, althans dat vind ik zo.
 Mamoe vind het nu welletjes en wil naar huis. Zij gaat alvast naar de uitgang en Opa IJsbeer en ik komen iets later. We wandelen heel rustig; met mijn kleine beentjes kan ik mamoe niet bijhouden. Als we bijna bij de uitgang zijn zien we haar weer. Heeft ze een tijgertje in haar jas verstopt. En die krijg ik. Mamoe zegt dat het een leeuw is, maar ik vind het een tijger. Daar heb ik er thuis ook al een van, maar die is gestreept en deze niet. Dus toch maar een leeuw?

Zo de dag zit er bijna op. We gaan met de tram en de trein terug en bij het station Almere Buiten staat papa al te wachten in de kleine blauwe auto. Samen met Mamoe zwaai ik als we met de trein langs rijden. Bij de auto geef ik Mamoe en Opa IJsbeer nog een dikke knuffel en opa? Die geeft mij bij deze opnieuw een vette knipoog.